Martine Tanghe op de cover van HUMO, 10 januari 1985.Beeld Humo

dagboekde zeilreis van martine tanghe

‘Wens nooit iemand ‘goede reis en de wind vanachter’. Wind van opzij is veel leuker’

Op maandag 30 november zal nieuwsanker Martine Tanghe voor de laatste keer ‘Het journaal’ lezen. Ter ere van het tv-icoon doken we in het Humo-archief en diepten we de mooiste souvenirs aan haar op. Zoals onderstaand dagboek, waarin ze verslag uitbrengt van de zeilreis die ze in de jaren 80 samen met haar man Jos Van Hemelrijck ondernam. 

(Verschenen in Humo op 19 januari 1984)

Het zal zo’n drie maanden geleden zijn dat ik jullie een eerste briefje stuurde. In die tijd is er weer veel gebeurd we zijn de oceaan overgestoken (‘a dream come true’) en we hebben al heel wat eilanden en eilandjes van de Caraïben bezocht. Vandaag zijn we precies in de helft van ons jaar verlof zonder wedde. Over een paar maanden staan we wéér voor een oversteek, terug naar huis. (‘Huis’, we weten niet eens waarheen.) 

De laatste tijd zijn onze gedachten soms in België. Mijn ouders zijn hier op bezoek geweest en ze hadden stapels tijdschriften meegebracht we zitten hier nu te lezen over Happart die bij de PS gegaan is, de kruisraketten die er gaan komen, of niet (zeer verward, maar dat kan ons niet meer verbazen) en de Belgische, Vlaamse, Waalse grond die de paus al dan niet zal kussen. Wat een land! En toch verlangen we soms naar een wandeling door het Zoniënwoud, in de sneeuw, met lekker warme kleren. Is het niet gek? 

Maar we genieten nog volop van het simpele bootjesleven onder de zon, hoor. Zeker hier op Martinique, waar we voor het eerst sinds november weer vers vlees hebben kunnen kopen. Ondanks het goede klimaat (veel zon en regen) is er in de Antillen namelijk zeer weinig te krijgen. Bananen zijn al lang ons dagelijks brood. Zo, en nu zal ik maar eens wat aantekeningen uit ons logboek bloemlezen.

Hou jullie warm, Martine Tanghe.

Zeer vereerd dat een kiekje uit het familie-album goed genoeg bevonden werd voor de cover van Humo. M. loopt nu gillend om haar kleren telkens als ik een foto wil maken. Stuur Selleslags. Jos Van Hemelrijck.

Bequia

Vanmiddag hebben we onze nieuwe poes haar eerste ‘zwemles’ gegeven. We hebben haar nu bijna twee maanden en zijn aan het beestje gehecht geraakt. We noemen haar Bequia, naar het eiland waar we haar gekregen hebben. Sinds een paar dagen draaft ze ’s nachts op het dek rond en ik zou het niet kunnen verdragen als we ook haar nog zouden verliezen. Maar Bequia had helemaal geen zwemles nodig. Zo gauw ze in het water kwam, paddelde ze dapper een rondje om de boot en klom gezwind langs het laddertje terug aan boord. Onze eerste poes, Martje, had nooit gezwommen en we zullen nooit weten hoe ze van boord gesukkeld is. Op de Kaapverdische Eilanden is ze verdwenen en tijdens de oversteek hebben we haar gezelschap zeer gemist. 

We hadden besloten dat we zaterdag de eerste december zouden vertrekken. Jos weigert halsstarrig op een vrijdag uit te varen. ‘We zijn niet bijgelovig’, zegt hij altijd, ‘maar we nemen geen onnodige risico’s.’ Behalve wat muntstukjes voor verzamelaars op het thuisfront, had ik ’s morgens ons laatste Kaapverdiaanse geld uitgegeven op de markt van Praia. Voor wat brood, bananen en kokosnoten. Wat we daar verder op de oceaan bij zouden eten, zou afhangen van mijn fantasie en Jos z’n visvangst. 

Onderweg naar de haven botsten we nog op een Belgische geoloog. In het kader van een UNO-programma zocht hij op het eiland Sao Tiago naar water. Maar hij had er nog geen gevonden. We voelden ons wel goed, zo vlak voor de grote oversteek. Wat een verschil met ons vertrek uit België, toen we na een maand van intense voorbereiding —zowat de drukste periode uit ons leven —doodmoe de landvasten losgooiden. 

De eerste uren was er weinig of geen wind en we moesten de motor bijzetten om vooruit te komen. We wisten dat dat te maken had met de nabijheid van het land en dat we gauw uit de ‘windschaduw’ van Sao Tiago zouden zijn. Eens dat de Kaapverdische Eilanden achter ons lagen, konden we genieten van een flinke noordoostpassaat, de wind die ons als in een zetel naar de overkant moest blazen. Hoe ondramatisch was het allemaal...

Een zucht in de nacht

Het was één uur ’s morgens. Nog één uur en m’n wacht was voorbij. We gingen goed vooruit maar de zichtbaarheid was niet bijzonder. Er stonden weinig sterren die nacht. Opeens hoorde ik het onmiskenbare gestamp van een zware diesel. Ik kon nog altijd niets zien tot er vlak voor de boeg van de Musette een schip voorbijschoof. Aan het silhouet te merken was het een oorlogsschip en het voerde slechts een heel klein lichtje dat het duidelijk op het laatste moment had aangestoken. Ik gooide snel het roer om, maar dat was niet eens meer nodig: weg was het schip. Mijn hart klopte als bezeten. Waarom kwam die zo dicht? Achteraf vermoedden we dat het een patrouilleschip was van de Kaapverdianen; dat het ons op in radar gezien had en kwam kijken wie of wat we waren.

Eén les hielden we hier alvast aan over: we zouden de wacht ernstig nemen en volhouden tot aan de overkant. Dat betekende dat we mekaar om de vier uur zouden aflossen bij het wachtlopen. Dat en nacht zouden we afwisselend verantwoordelijk zijn voor het schip, op de koers letten en uitkijken. We hadden al van zeilers gehoord die het met de wachten niet zo nauw namen; je komt toch niemand tegen, zeggen ze. Maar één schip volstaat om je in de grond te boren. En ons zeilbootje is voor zo’n oceaanreus maar een notendopje, zo laag op het water dat het op sommige radarschermen misschien niet eens te zien is. 

Bezoek!

Van bij het vertrek sleepten we overdag een lange vislijn. Rond de haak had Jos een bundeltje witte pluizen van een uitgeplukt synthetisch touw gebonden. Met nog een stukje helrode tape errond moest dat een vrolijk zwemmend pijlinktvisje voorstellen. De tonijnen zouden het lokvisje achternazitten en nietsvermoedend toehappen, waarop Jos de lijn zou binnenhalen en ik mij haasten om rijst te koken. Dat was de theorie, Elke morgen werd de haak geschuurd en opgeblonken en werden de draadjes zorgvuldig gekamd. Het visje moest er goed uitzien, anders zouden de tonijnen niet bijten. 

Op een ochtend gebeurde het. Mijn wacht van 6 tot 10 was net afgelopen, we hadden samen een kop thee gedronken en ik dook in mijn kooi, begerig naar wat slaap. Mijn ogen waren nog maar net dicht of ik hoorde een luide kreet en een wild geflapper. Ik klom snel naar buiten en zag een glunderende Jos met aan de haak een kanjer van een vis. Geen tonijn, maar een prachtige dorado of goudmakreel. Z’n kleuren schitterden in de zon, groen, blauw en stralend geel. We hingen ’m aan de weeghaak: 14 kilo! Dat was eten voor dagen. 

Jos maakte de vis schoon en overhandigde me fier de witte filets. (‘Zij leefden van jacht en visvangst’). lk moest denken aan Kee Arens, de gezellin van Fons Oerlemans op diens tweede vlotreis. Toen Fons zijn eerst-gevangen dorado met een tik op de kop groggy sloeg om ‘m schoon te kunnen maken, kreeg Kee een hysterische huilbui. Arm beestje, zei ze. Arme Fons, dacht ik toen ik het las. Ik was maar wat blij dat we eindelijk iets vers zouden eten. 

De volgende nacht werd ik opgeschrikt door een hard en doordringend geschuif aan stuurboord. Alsof iemand in zijn slaap zwaar ademhaalde. Speelde het oorlam van die avond me parten? Sloeg mijn mijn fantasie op hol als gevolg van te weinig slaap ? Ik wreef ’ns goed in mijn ogen, die pijn deden van het turen in de duisternis, en leunde over de reling. Vlak naast de boot zag ik de grote donkere rug van een walvisachtig beest. Gefascineerd en ineens klaarwakker keek ik naar het indrukwekkende dier. Misschien dacht het wel dat Musette ook een walvis was en wou het spelen. Hier was avontuur! Maar de walvis haalde nog een paar keer diep adem en verdween. Ik vond het eigenlijk maar best. Zo avontuurlijk hoefde het nu ook weer niet. 

Een paar weken later, en veilig en wel aan de overkant, vertelde ons een Brits stel over hun ontmoeting met een walvis van 10 meter lang, zo lang als hun boot. Het beest had duidelijk zin in een stoeipartij en bleef in de buurt. Soms kwam ie in razende vaart naar de boot toegezwommen alsof ie ’m midscheeps zou rammen, en dook op een paar centimeter van de romp onder. Dat soort spelletjes, acht uur lang. Ik moet er niet aan denken. Zelf hebben we een kudde kleine loodswalvissen gezien, maar die kwamen nooit dichtbij. De eerste tien dagen hadden we ook regelmatig het gezelschap van dolfijnen. Later bleven ze weg. Jammer, want ze waren ontzettend leuk om bezig te zien.

Vliegt de blauwvis

Ons leven had nu een rustige routine gekregen. We deden zo’n 140 mijl (= ± 260 km) per etmaal en we zagen geen enkel schip. Het eindeloze rollen bij hel varen met achterlijke wind was wel vermoeiend. Het was moeilijk om te slapen omdat je lichaam nooit stil kon liggen. (Wens nooit iemand ‘goede reis en de wind vanachter’. Wind van opzij is veel leuker). 

Elke morgen raapten we van het dek de vliegende vissen op. ’s Nachts kwamen die op het licht af en stortten zich te pletter tegen de mast, de zeilen of zelfs in onze nek. Op Barbados zijn vliegende vissen een lekkernij; meer nog, een nationaal gerecht. De exemplaren die zich op ons dek aandienden, hadden echter te weinig om het lijf om er iets mee aan te vangen. 

We hebben tijdens de overtocht erg veel gelezen. Met de ernst van een eerstejaarsstudente stortte ik me van bij het prilste licht in filosofische en andere werken die ik in mijn Leuvense tijd gekocht had maar nooit helemaal gelezen; Couperus ondermeer, en De Geschiedenis van de Wijsbegeerte. We hoefden niet voortdurend zelf aan het roer te staan, want we hadden een windvaan, dat is een systeem van zelfsturing dat op de wind werkt. Het enige wat we moesten doen was de kompaskoers in de gaten houden, eventueel bijsturen en regelmatig rondkijken. Tijd genoeg dus om onze klassiekers bij te werken.

Maar op een keer ging het mis. In de vroege ochtend van 8 december zag ik het grootzeil met verschrikkelijk geweld naar de overkant slaan. De schoot bleef achter de stuurkolom haken en stopte de overzwiepende giek met een vreselijke smak. Ik keek verschrikt naar de mast; hij stond er nog; de verstaging was nog heel en de giek was niet gebarsten. Maar na deze opgeluchte vaststelling, merkten we met ontzetting dat het stuurwiel hing te wiebelen. De stuurkolom was aan de basis gekraakt en losgerukt uit de bodem van de kuip. De moed zonk ons in de schoenen. Maar we hadden geluk: de as die door de stuurkolom loopt, was niet beschadigd en na een half uur prutsen en sjorren konden we het stuurwiel voldoende schoren.

Chez Martine

’s Avonds tikte de log 1.000 mijl aan: we waren bijna halfweg. Het hoogtepunt van de dag was altijd weer het bepalen van onze positie ofte ‘zonnetje schieten’. Het komt erop aan precies op het (plaatselijke) middaguur met de sextant de hoek te meten tussen de zon en de horizon. Daaruit kan je vrij snel en makkelijk afleiden op welke breedtegraad het schip zich bevindt. Het bepalen van de middagbreedte is een dagelijks ritueel op alle schepen ter wereld, behalve waar er dure satellietnavigatie aan boord is. Wij houden het maar bij onze trouwe sextant. Als er niks ambachtelijks meer aan is, valt veel van de charme en de fascinatie van het lange-afstandszeilen weg. 

Even belangrijk als de navigatie is het eten. Voor menig zeeman zijn de maaltijden de pijlpalen die de dag indelen. En elke scheepskok weet dat een goed gevoede bemanning een goedgemutste bemanning is. Voor ons waren het de enige momenten dat we samen waren. Als we een vis aan de haak sloegen, was het feest, maar vaak moest ik in mijn voorraad Belgische pakjes, zakjes en blikjes duiken. Met een uitje hier en wat kruiden daar, wat mengen en wat combineren had ik de kunst geleerd om de bereide waar op te vrolijken. Scheurbuik zouden we niet krijgen, maar nu en dan verlangden we toch naar verse groenten en fruit. 

We moesten ook heel zuinig zijn met drinkwater. Wassen en afwassen gebeurde met zeewater. Koken in sommige gevallen ook. Zoet water was alleen voor de keuken en om te drinken. Gemiddeld gebruikten we tijdens de oversteek zo’n twee liter per dag. Een douche, daar droomden we wel ‘s van, maar de luxe van een bad hadden we voor een jaar uit onze gedachten verbannen. Elke dag probeerden we via de wereldomroep naar het BRT-journaal te luisteren. Als de atmosferische omstandigheden goed waren, hoorden we dan de vertrouwde stem van een collega, een vriend, met nieuws uit het vaderland.

Live in the Atlantic

Naarmate we verder naar het westen gingen, kwam de zon later op. Om het tijdverschil bij te houden, draaiden we om de 15 graden de klok een uur terug. Op 15 december hadden we 1.800 mijl afgelegd en we waren op 550 westerlengte. Barbados lag op 59°. Het leek erop dat we de Atlantische Oceaan in een recordtijd zouden oversteken. Maar toen begon de wind te verzwakken. Na een paar uur was het compleet windstil, en bloedheet. Ineens zagen we rond de boot een klein vogeltje fladderen, een landvogeltje, mijlenver van het land. Het was helemaal uitgeput en kwam zomaar op het dek zitten. 

Tegen de avond vloog het zelfs naar binnen, en bovenop een kastje ging het slapen. De wind was ondertussen flauwtjes teruggekomen, net genoeg om te kunnen zeilen. Het was rustig en warm, en er stonden duizenden sterren. We zetten een cassette op van Simon & Garfunkel en bleven samen buiten. Het vogeltje sliep en wij luisterden naar de melancholische stemmen uit Central Park, New York. 

Tegen de ochtend ging ik in de kajuit thee zetten en zag het vogeltje op z’n pootjes wankelen. lk probeerde het wat druppeltjes water te laten drinken, maar het mocht niet baten het vogeltje stierf in mijn hand. De wind zat nu recht op kop. Volgens alle boeken en weerkaarten moest hier een passaatwind uit het oosten of noord-oosten waaien. We hadden westenwind. De pilootkaarten die we ter voorbereiding van deze reis gekocht hadden, noemden de kans op westenwind in december statistisch gezien gelijk aan nul. En toch, daar zaten we, midden in de passaatgordel, op te kruisen. De recordovertocht konden we vergeten. 

Pas drie dagen laten herstelde zich het normale weerpatroon. Later vernamen we dat de tegenwind veroorzaakt was door de vorming van een tropische cycloon een paar honderd mijl ten noorden van ons. Gelukkig misschien dat we dat nooit geweten hebben. Volgens onze weerkaarten komen er na de maand november namelijk geen cyclonen meer voor in de Altlantische Oceaan...

Stille nacht

Op de middengolf konden we nu Radio Barbados ontvangen. We begonnen te naderen. Onafgebroken werden er kerstliedjes gespeeld, meestal zeepversies van klassiekers als daar zijn ‘Jingle Bells’ en ‘I’m Dreaming of a White Christmas’, en ondertussen probeerden we beschutting te vinden tegen de brandende zon boven ons hoofd. Op de ochtend van 19 december zagen we aan de horizon land. Barbados 1 Om 9 uur ’s avonds lagen we voor anker in de baai van de hoofdstad Bridgetown. We hadden 19 dagen en 2324 mijl gevaren. ‘s Nachts werden we na 4 uur wakker, klaar om de wacht op te trekken; we moesten weer helemaal wennen aan het ritme van het land. 

Barbados is een vreemde plaats. De overgrote meerderheid van de eilandbewoners zijn zwarten, en de blanken met wie we spraken, noemden die steevast natives, inboorlingen, alsof ze de geschiedenis konden negeren door te doen alsof de zwarten daar altijd al geweest waren. We konden ons niet van de indruk ontdoen dat er tussen blank en zwart op Barbados zo weinig mogelijk contact was. In de yachtclub kwamen geen zwarten, behalve om schoon te maken en te serveren. Ooit was de Barbados Vacht Club ‘Royal’, maar dat epitheton zijn ze kwijtgeraakt. De echtgenoot van de Britse koningin, zo hoorden we, was eens op het eiland op bezoek en wou de premier een diner aanbieden in de yachtclub. Maar de man moest zich verontschuldigen, want als zwarte mocht hij daar niet binnen. De Club heeft toen zijn koninklijke bescherming uit Londen verloren. Si non è nero...

Money, honey

Het leven op het eiland was erg duur. Zelfs Amerikaanse toerzeilers klaagden, kun je na-aan. Tomaten kostten 8 Barbadien dollar (240 F) per kilo, en ingevoerde diepgevroren kip was het enige betaalbare vlees. Omdat het kersttijd was, werden er op straat appels aangeboden uit de US; prijs 1 dollar per stuk. Terwijl ik op de markt rondliep, prijzen vergeleek, en besliste wat we ons konden permitteren en wat niet, vroeg ik me af of de locals dat allemaal konden betalen. 

Voor ons was het in elk geval wikken en wegen vóór we geld uitgaven. Toen de winkels na de Kerst weer opengingen, wou ik boodschappen doen, maar ik kon m’n tasje met geld niet vinden. Twee dagen na mekaar hebben we de hele boot omvergehaald om het te zoeken. lk was er al lang van overtuigd dat het gepikt was, Jos hield vast aan de theorie ‘niet meer weten waar gelaten vanwege te veel rum met Kerstmis’. Maar ik trok naar het politiekantoor, en ja hoor, daar lag het tasje, helaas zonder geld. Het was een les voortaan zouden we de boot sluiten. Maar we hielden een onbehaaglijk gevoel over aan het besef dat iemand stiekem aan boord was geweest.

De zeilen op

Er was iets met dat eiland dat we niet konden vatten, we kregen geen contact. Kort na nieuwjaar trokken we dan ook de zeilen weer op. Barbados kon slechts het voorportaal zijn van de Caraïben. Ondanks alles zouden we er goede herinneringen aan houden. We hadden een paar mensen leren kennen met een verhaal. Er waren die drie Amerikaanse broers, op weg naar Fernando da Noronha, een onherbergzaam eiland voor de kust van Brazilië, om er te zoeken naar een gezonken Spaans galjoen. Een Brits paar zeilde naar Nieuw-Zeeland in de hoop er te kunnen immigreren. En een Canadees echtpaar van middelbare leeftijd was met een klein houten bootje al 13 jaar onderweg. Ze waren al één keer de wereld rond gezeild en ze leefden van wat ze onderweg konden verdienen. Zij herstelde zeilen en hij repareerde motors. Er waren ook een paar Amerikanen die met hun harde dollars in Europa een tweedehands boot hadden gekocht, en ’m naar huis zeilden. Maar de meeste van die zwervers zijn mensen die met beperkte middelen een droom realiseren, zonder de veilige gedachte aan een baan waar je naar terug kunt...

Lees ook:

Afscheid van tv-legende en nieuwsanker Martine Tanghe: ‘Ze heeft de héle geschiedenis van jouw en mijn leven aan ons verteld op tv’

‘Bedankt, Martine!’ Uw reacties op het afscheid van Martine Tanghe

Welke herinneringen aan Martine Tanghe koestert u? Wat wil u haar nog zeggen voor ze van het scherm verdwijnt? Laat het ons weten:

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234