Officieel is op 20 januari 1940 de koudste temperatuur van België gemeten. Beeld BELGA
Officieel is op 20 januari 1940 de koudste temperatuur van België gemeten.Beeld BELGA

winterweer

Winter in België: op zoek naar de koudste plekken van het land

Laat de winter langer dan drie dagen duren en het is gedaan met ‘Eerste sneeuw’ van Jan De Wilde op de radio en uitgelaten sneeuwpret in het tv-journaal. Dan overheerst weer de wind chill in de nieuwsgaring: de dunne lippen van het weerbericht, de gure berichtgeving over files, en dat eeuwige nijpende zouttekort van die strooiwagens. Merk Nooitgenoeg! Tegelijk lees je in de kranten een hoop gezeur van lui die wel tegen de opwarming zijn maar bij een graadje vorst alweer naar de zomer verlangen. Remember, er zijn vier seizoenen en geen drie! Humo ging de winter opzettelijk opzoeken op plaatsen die in hun naam naar koude verwijzen: het had Vorst en Winterslag kunnen zijn, maar we kozen voor de kleinere winteroorden.

(Verschenen in Humo op 19 januari 2010)

Schaatsbergen

Schaatsbergen is een gehucht van Olen, vlak bij de E313 en kort bij een industriezone naast het Albertkanaal. Ik zie gelijk waar ik moet aanbellen, Decort Diepvriesprodukten! Mevrouw Decort doet open, ik heb geluk, hier houden ze van diepvries en van de winter. Met allemaal fervente skiërs in de familie, ‘elk jaar gaan we wel twee of drie keer op skivakantie’. In huis hebben ze ook een groot schilderij hangen, een wintertafereel met stille boerenhuizen, het Oude Schaatsbergen misschien? Nee, Schaatsbergen is het niet. En vanwaar die poëtische naam komt, dat weet ze niet: er zijn hier geen bergen en er is ook geen ijs om op te schaatsen. Geïntrigeerd doe ik navraag bij de lokale heemkundige kring. Schaats komt van ‘scheids’ – het gehucht lag gescheiden van het dorp – en ‘bergen’ verwijst gewoon naar de hogere ligging van het gehucht. That’s all folks! Verregaande onderzoeksjournalistiek is in dezen niet aangewezen.

Winterdijk

Winterdijk maakt deel uit van het Limburgse Kaulille. De secundaire weg is nog met harde sneeuw bedekt en leidt tot bij enkele boerderijen en een donker paard in de wei. Door het raam is de middagtafel met brood en koffie te zien, man en vrouw wenken me binnen, de zoon zit ook aan tafel. Aan de muur hangt de kalender van Tractoren John Deere, de maand januari is een sneeuwruimer. En dat lawaai dat ik hoor, dat is een straaljager van de basis Kleine Brogel. Tegen het aanvriezen van hun start- en landingsbanen ‘gebruiken ze daar ureum naar het schijnt’. Dat is een zoute chemische stof ‘die ook in pis te vinden is’. En of ik de mop ken van Prosper die zijn naam in de sneeuw wilde schrijven? Hij geraakte maar tot PROSP, en vroeg aan zijn kameraad of die nog pis had voor de E en de R. ‘Dat heb ik, Prosper, maar dan moet gij mijne bugel wel vasthouden, want ik kan niet schrijven!’ En dat ik zonder het te weten bij de énige zingende boer van België terecht ben gekomen. Hij is al op ‘Afrit 9’, vtm, Radio 2 en TV Limburg geweest. Boer Martijn, de zingende boer! Als kind zong hij al op de fiets, als jongeman stond hij op het biljart met een keu als microfoon. Hij heeft een repertoire van tweehonderddertig liedjes, en zijn vrouw Angèle doet de boekingen en het geluid. Of hij ook een liedje over de winter heeft? ’t Is weer voorbij die mooie zomer, verder komt hij niet. Martijn duwt de cassette in van ‘Afrit 9’, in beeld zingt hij ‘Imagine’ van John Lennon. No hell below us, above us only sky. Het fragment is gedaan, de tv springt op ruis en sneeuw en zo op het VRT-Journaal. Ronald J. heeft zijn derde moord bekend. Het brood wordt in de kast gestopt, wat is dat toch met de wereld van tegenwoordig?

Siberië-bij-Peer

In Peer begint het licht te sneeuwen langs het raam van het koffiehuis. Ik ben er voor een broodje, en wat zegt de menukaart: Welkom bij Johnny en Suzy Winters! Nabij het gehucht Wauberg wordt het landschap uitgestrekter, met kaarsrechte wegen. De sneeuw ligt in kleine duinen bijeen tegen bomen en oude telefoonstaken. Dit is Siberië volgens de topografische kaart. En de boer op de Maastrichterdijk zegt dat het hier áltijd twee graden kouder is dan vijf kilometer in de omtrek: ‘Het ligt hier op een hoogte en de wind heeft vrij spel. Ook de gewassen komen hier trager uit dan elders.’ En als ik meer wil weten over de geschiedenis van Siberië, dan moet ik bij Leo Pinxten zijn, de oude hoofdonderwijzer, ginder in dat witte huis. Die zoekt een volle twintig minuten naar een brochure die hij ooit nog geschreven heeft, maar eigenlijk kent hij de historie uit zijn hoofd: ‘Het heette hier al Siberië in de negentiende eeuw. ’t Moeten soldaten van Napoleon zijn geweest, teruggekomen van Rusland, en omdat het hier zo’n gebied was van barre hei en moerassen, hebben ze dat Siberië genoemd. En het kán hier koud zijn! Vorig jaar januari hadden we hier min eenentwintig, en de klimophaag in de tuin was van onder tot boven kapotgevroren. En eer klimop bevriest, dan moet het al erg zijn.’ En dat hier in 1909 een steenrijke Brusselaar is aanbeland. Armand Denisty, dokter in de geneeskunde, en weduwnaar van een rijke dame uit Hoeilaart die hem een fortuin had nagelaten. Van Denisty werd gezegd dat hij een onwettig kind van Leopold II was. Hij laat een foto zien, ‘de baard, de kop, ’t is helemaal Leopold II. En die Denisty kreeg het in zijn muts om hier een landbouwkolonie uit de grond te stampen. Hoe hij hier in Peer is gekomen? Niemand die het weet. Maar hij zal wel geweten hebben dat de grond in Siberië heel goedkoop was.’ Vijfhonderdtachtig hectare bracht hij in ontginning. Overal kwamen kaarsrechte zandwegen met diepe grachten ernaast, voor de afwatering. Eén centrale weg was volledig verhard met achter elkaar gelegde dennenstammen, zodat de paardenwagens altijd konden rijden en de ontginning in elk seizoen kon doorgaan. Om de gronden vruchtbaar te maken, werd mest met de trein naar de statie van Helchteren gebracht. Vandaar ging het naar Siberië, waar een spoorlijntje met kipwagons de mest ter plaatse bracht. Op Siberië ging Denisty in een groot herenhuis wonen en rond dat huis kwamen boerderijen en stallingen, en verder een school, melkerij, bakkerij, schrijnwerkerij en smidse. ‘Dat was een dorp op zich, daar woonden hele gezinnen. Denisty had meer dan tweehonderd werklui die voor hem werkten, dat was ongezien, dat was iets enorms voor die tijd!’ In 1922 bouwde hij vijftig serres om druiven te telen. ‘Die kassen werden verwarmd met warme lucht van een cokesoven, dat was toen revolutionair. Er kwam zelfs een vliegveld voor de export naar Londen!’ Maar die vluchten waren te duur, zodat de export beperkt bleef tot kistjes Witte Muscat en Blauwe Colman die naar Brussel spoorden. Pinxten heeft het Heerke van Siberië nog persoonlijk gekend, ‘dat was in 1948, toen ik hier in Wauberg als onderwijzer benoemd werd. Wat ik me vooral van Denisty herinner, was dat zijn woonkamer zo stonk vanwege de vele honden. Die beesten mochten zomaar in de zetels en op de kussens zitten!’ En dat hij op z’n vierenzestigste nog hertrouwd was met een vrouw van vierendertig: ‘Zij had maar weinig aan die ouwe man; het werkvolk zei dat zij avances naar hen maak-te.’ De ‘kolonie’ liep toen al op z’n einde, door de bezetting van ’40- ’45 en door ‘slecht beheer’ van de rentmeesters. De grond werd in percelen verkocht aan plaatselijke boeren, Denisty ging in ’49 weer in Brussel wonen en in 1953 is hij in Etterbeek overleden. ‘Maar voor het gehucht Wauberg en voor de stad Peer is hij heel belangrijk geweest. Zonder Denisty was het hier een arme heide gebleven. Nu zitten hier allemaal melkveehouders.’ Al het hele gesprek zie ik een grote Delfts blauwe schotel op de sierkast. Daarop staat een Siberisch tafereel, een vurig paard dat een slee trekt met een voorname freule erin, en aan de teugels een voerman met een lang geweer, tegen de wolven. Hoe hij aan die ‘Siberische schaal’ is geraakt? Het schoolhoofd kijkt lang en peinzend naar de diepblauwe schotel: ‘Nu ge het zegt, dat heeft iets Siberisch. En dat ik daar nooit van mijn leven op gelet heb. Dat hangt hier al vijftig jaar!’

Siberië-bij-Arendonk

In de Kempense gemeente Retie ligt het gehucht Werbeek en daar staat de zeer oude kapel van O.L.Vrouw Ter Sneeuw. De conciërge van de kapel woont wat verder. Ze zegt dat er nog elk jaar bedevaarten komen (‘om hulp te vragen bij ziekte, nood en pijn’) en dat de devotie de laatste vijf jaar weer is toegenomen. Ik mag de sleutel hebben, een staak van zeker vijfentwintig centimeter die geheel past bij dit zeventien-de-eeuwse decor. In een brochure lees ik de legende. Een marskramer vond een Mariabeeldje ‘in stapels sneeuw’, maar het beeldje was warm en waar het lag was ‘geen sneeuw te vinden’. Dat was een straf mirakel in 1645, want de zestig koudste winters van de zogenaamde Kleine IJstijd moesten toen nog beginnen. De marskramer overleefde ook nog een stel vileine struikrovers en hing het beeldje uit dankbaarheid aan een boom, ‘waar het al snel een toeloop kende’. Er werd een kapel gebouwd waar men bescherming kwam afsmeken tegen de pest, en dan zou het nog vier eeuwen duren eer Humo in een auto voorbijkwam. In datzelfde Werbeek staan vader en zoon Adriaensen bij hun tractor, en dat het verdekke koud is, en dat ze ook deze winter weer een paar luxevoituren uit de gracht hebben moeten trekken. Ik vertel dat ik gisteren in Peer-Siberië was, en dat moet treffen, vader Jos heeft ook nog in Siberië gewerkt, in het Siberië dat bij Arendonk ligt. Twéé Siberiës in België! Komt dat tegen! En dat ik binnen moet komen, binnen is het warmer dan buiten.

JOS ADRIAENSEN «In de jaren vijftig heb ik daar gewerkt. Ik was tot mijn veertiende naar school geweest, en in Arendonk kon ik bij een boer beginnen. Elke morgen met mijn rammelvelo daarnaartoe, veertien kilometer langs een zandpaadje.

»’t Waren slechte tijden, ’t was crisis, er was weinig werk, en dus begonnen de boeren maar arme grond en hei te ontginnen met jong werkvolk, want dat was goedkoop. En wij moesten dus naar Siberië. Zo noemde die boer dat stuk grond, een grote plak hei bij de Hollandse grens, een heel eind te voet door de bossen. Wij moesten stronken uitspitten, bulten afgraven en putten dempen. Alles met de hand. Niks machines. En als die grond effen was, dan moesten we die omploegen en met mest en teeltaarde vruchtbaar maken. Het hele jaar door stonden wij daar te spitten en te graven. Ook op winterdagen werkten we door, met in de kant een vuurke om onze handen te warmen.

»Soms moesten wij een bos kap-pen, en die bomen sleepten we weg met een paard. Zo heb ik mijn been gebroken, met een stam die tegen mijn been schoot. Dat onderbeen in een knak. Ze hebben mij met twee man uit dat bos gedragen, en ik moest mijn been met mijn eigen handen vastpakken en aaneenhouden. Een jaar heb ik platgelegen, en twee keer hebben ze dat been opnieuw moeten breken omdat den doktoor het verkeerd aan elkaar had gezet.»

Dat was Siberië, zegt hij. En dat er in Gestel (bij Meerhout) nog een motorclub is die ook Siberië heet, dat is misschien ook iets voor u? En dat hij in die jaren vijftig niet eens wist dat Siberië een land was. Siberië betekende gewoon ‘alle dagen hard werken’ en verder niks. En dat hier in Werbeek een stuk grond is dat Het Rusland heet. Ja jong, hoe komen ze aan al die namen?!

Kouwenberg

Kouwenberg in Vorselaar is op het eerste gezicht een teleurstelling. Een groot uitgevallen woonerf waar om vijf uur nog maar weinig licht in de huizen brandt. Maar dan stopt er een bestelwagen waaruit een Kouwenberger stapt. Het is Meco Jasari (28) en hij komt uit Mitrovica, in Kosovo. Elf jaar woont hij in België en dit is de eerste keer dat hij een winter ziet. En of ik weet dat zijn geboorteland heel strenge winters heeft? Dagen van min vijfentwintig en sneeuw tot hier, hij wijst tot boven zijn middel. En dat hij nog iets van de winter ginder gaat zeggen, ‘iets dat u nog nooit gehoord zal hebben’. En dan vertelt hij hoe de kinderen in Mitrovica zelf hun ski’s maken. Hij wijst op een krat mineraalwater. ‘Van zo’n plastic bak maken ze het. Het onderstuk zagen ze eraf en het bovenstuk zagen ze in twee delen. Dat zijn de delen met de afgeronde hoeken, en die binden ze onder hun schoenen met een touw of een riempje.’ En om de piste te prepareren gaan alle kinderen staan schuifelen op een hellinkje, net zo lang tot de sneeuw hard en glad is, en dan schuiven ze met hun krattenlatten twintig meter naar beneden! Hij is zichtbaar fier dat hij het kan vertellen. ‘Wij zijn maar een arm land. Met weinig speelgoed voor de kinderen. Maar wij zijn vindingrijk, heel vindingrijk.’

Vijf winteroorden heb ik bezocht. Maar er zijn er nog: IJshoute, Koudeborn, Koudehaard, Koudekeuken, Wakken, Wintershoven, Winterkeer en zeker niet te vergeten: Koudekot (bij Dranouter).

Karel Holvoet, winterfreak: ‘Andere mensen kijken op de thermometer aan hun tuinmuur hoe koud het is; ik rij
240 kilometer naar de Hoge Venen en stap dan nog eens een paar uren door bos en hei om vijf thermometers te gaan neerleggen.’ Beeld HUMO
Karel Holvoet, winterfreak: ‘Andere mensen kijken op de thermometer aan hun tuinmuur hoe koud het is; ik rij240 kilometer naar de Hoge Venen en stap dan nog eens een paar uren door bos en hei om vijf thermometers te gaan neerleggen.’Beeld HUMO

Officieus record

En dan is er nog de man die níét de figuurlijke koudeplekken zoekt. Karel Holvoet, 29 jaar en tot voor kort werkzaam bij het KMI, heeft één doel: de allerkoudste plek van België vinden.

KAREL HOLVOET «Die zoek ik op de Hoge Venen, traditioneel de koudste regio van ons land. Daar ben ik locaties beginnen uittesten, en het blijkt dat de koudste plekken kleine valleien met een rivier en veel veenmoeras zijn. Vooral dat veen is belangrijk, dat slaagt er blijkbaar in om de kou goed vast te houden.

»Mijn koudste plek tot nu toe is Grand Bongard, tussen Mützenich en de Botrange. Daar heb ik op dinsdag 19 december min 32,2 gemeten. De officiële waarneming van die dag spreekt van min 17 op de Botrange. Dat is onder thermometerhut, aan de grond mag je dan rekenen op min 23 à min 24. Dan ben ik fier dat ik in diezelfde omgeving een plek weet waar het nog eens ácht graden kouder is. En het was dan nog een bewolkte nacht, met een heldere lucht had het nog veel kouder kunnen zijn!»

HUMO Je metingen blijven natuurlijk officieus omdat ze niet onder thermometerhut gebeuren.

HOLVOET «Dat klopt. Maar zolang er geen systeem is om zo’n thermometerhut te verplaatsen, ben ik gedwongen om op de grond te meten. Maar dan nog is het objectief om naar de koudste plek te zoeken. Het KMI heeft ook waarnemingsposten die aan de grond meten, en ik maak me sterk dat ik plaatsen kan vinden die kouder zijn.»

HUMO Hoeveel thermometers drop je zo?

HOLVOET «Ik leg er meestal vijf: drie op de Hoge Venen zelf en twee in de wijdere omgeving. Ik ga bij valavond de natuur in en zorg dat mijn voetsporen zo min mogelijk zichtbaar zijn. Ik wil niet dat anderen mij zien en die meters oprapen, ze kosten tachtig euro per stuk.

»De thermometer van Grand Bongard ligt het verst. Daarvoor moet ik zo’n acht kilometer de Venen in. Vorige maandag ben ik er nog geweest, dat was anderhalf uur door sneeuw en ijs ploeteren. Ik ben ook al door ijs gezakt, dat ik een halve meter in dat kouwe moeraswater schoot. Dan rol ik mij met m’n natte broek en schoenen door de losse sneeuw. Dat heb ik van Dixie Dansercoer afgekeken, die droge losse sneeuw zuigt al het water uit je kleren.»

HUMO En dat allemaal voor een streepje op de thermometer.

HOLVOET (lacht) «Ja, je moet er iets voor overhebben. Ik hou ook van die desolate plekken waar zo goed als niemand komt. Ik heb zo al veel reeën gezien, en een prachtig edelhert, en vorige week nog een gigantisch everzwijn.»

HUMO En die beesten zien op hun beurt een tweevoeter die met een thermometer door de sneeuw bag-gert?

HOLVOET «Ja, ’t klinkt misschien wel freaky. Andere mensen kijken gewoon naar de thermometer aan hun tuinmuur; ik stap in mijn auto, rij tweehonderdveertig kilometer en stap dan nog eens een paar uren door bos en hei om vijf thermometers te droppen. En de week daarop rij ik opnieuw dat hele eind om ze op te pikken en alle waar-den te controleren. Ik ben ook al enkele nachtjes blijven logeren in de buurt, dan kon ik ze gelijk de volgende dag controleren.

»In feite is dat zottenwerk, al die verplaatsingen, al die benzine, dat manueel controleren, zulke dingen zouden met een computer gelinkt moeten zijn. Maar ja, dat budget heb ik niet.

»Volgende week wil ik al nieuwe thermometers gaan kopen. De meters die ik nu heb, gaan maar tot min 35 en dat is veel te warm. In Eynatten is er een bedrijf dat thermometers uit de ex-DDR verkoopt, onverwoestbare alcoholmeters die tot min veertig, min vijftig gaan.»

HUMO Jij wilt in België een ‘min veertig’ ontdekken.

HOLVOET «Officieel is op 20 januari 1940 de koudste temperatuur van België gemeten. Dat was in Rochefort: min 30,1 onder thermometer-hut, maar aan de grond was dat misschien min 38. Dus als ik in de Venen ergens min 40 kan meten, dan heb ik dat record officieus geklopt. Ik hoop dat het deze winter nog zal lukken.

»In Vlaanderen ben ik evengoed op zoek naar de koudste plek. Hier in Dworp is er de wijk Bruineput, een kom tussen heuvels van vijftig, zestig meter, en vorig jaar januari heb ik daar min 25,9 gemeten aan de grond. ’t Is een dichtbewoonde wijk, dus ik vraag me af hoe hoog de verwarmingskosten daar zijn en of de auto’s daar meer startproble-men hebben dan elders. Ik kan in elk geval zeggen: als ze in Ukkel min 7 voorspellen voor Midden-Bel-gië, dan zou een thermometerhut in Bruineput zo’n min 12 optekenen en dan zal het aan de grond min 20 zijn.»

HUMO Vanwaar die fascinatie voor kou en sneeuw?

HOLVOET «Ik heb dat van kinds af. Ik hou van die diepe stilte als het gesneeuwd heeft. Ik loop ook graag te zwoegen door zo’n dik tapijt. Helemaal alleen in de Venen, zonder gsm, gps of zaklamp, gewoon om te zien of ik me kan redden in zo’n extreme omgeving. Ik vind de winter ook een kracht, ’t is nog altijd een seizoen dat respect afdwingt: alle verkeer, iedereen moet zich aan-passen en gehoorzamen aan dat natuurelement. Nu is er wat dooi, maar ik hoop dat het van heel korte duur zal zijn.»

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234