Zomer van de spannende broek Beeld Getty Images/EyeEm
Zomer van de spannende broekBeeld Getty Images/EyeEm

zomer van de spannende broekherman brusselmans

‘Ze holde naar de slaap­kamer, rukte haar blouse en haar kletsnatte Sloggi van haar lijf, en we begonnen eraan’

Als de weergoden niet thuis geven, zorgt Humo wel voor een hete zomer. En wel met een zomers experiment van even geleden: kan een verhaal, door Eros bevrucht, zo goed geschreven zijn dat zelfs uw broek wil meelezen? Probeer het eens met Herman Brusselmans.

(Verschenen in Humo in juli 2013)

Vind maar ‘ns een wijf zonder tattoos. Ik haat tattoos. Man­nen met tattoos zijn per definitie achterlijke idioten en vrou­wen met tattoos zijn halve mannen, behalve als het tattoo­gedoe zich bij een mokkel beperkt tot een miniem roosje, een piepklein kikkervisje of een bijna niet op te merken jan­-van­-gentje op de linkerschouder. Het is vanzelfsprekend dat ik met vrouwen die andere en grotere tattoos vertonen geen seks wil. Zou Saskia De Coster tattoos hebben? Het zou me niet verwonderen als ze op haar onderbuik een preut heeft laten tatoeëren. Die eventuele verdomde ingekleurde preut zou ik niet willen likken, maar de echte preut van Saskia De Coster ondanks alles wél. Ik moet eerlijk toegeven dat ik nog nooit seks heb gehad met een professionele schrijfster. Maar als we voor het gemak even aannemen dat Saskia De Cos­ter geen enkele tattoo heeft, nou, dan zie ik mijzelve met haar gerust van jetje geven. Er gaan geruchten dat De Cos­ter lesbisch zou zijn, maar weet je, al die lesbische tuttebel­len, die doen het alleen maar met andere troela’s omdat ze nog nooit een vent tegen het lijf zijn gelopen die hen diets kon maken wat ware, normale, boeiende, fysiek zowel als psychologisch bevredigende seksualiteit inhoudt. Je zou ze eens de kost moeten geven, de lesbo’s die tijdens het zuigen aan de clitoris van hun vriendin in hun fantasie een forse erectie voor zich zien die ze diep in hun lijf zouden willen voelen op en neder wippen. Dusdoende zou ik me met De Coster niet inhouden. Ik zou haar de kleren van het lijf pel­len, haar op het dekbed gooien en zeggen met die befaamde stem van mij: ‘Kom, De Coster, spreid jij die benen van jou maar eens, en snel wat!’ Het is toch waar zeker? Het is niet omdat een vrouw haar leven invult met misplaatst intellec­tualisme en overbodige romans op het onwetende publiek afvuurt, dat ze haar corebusiness moet vergeten, en die core­business bestaat erin dat ze aan m’n leuter moet beginnen te sabbelen als Herman Brusselmans dat van haar eist. We moeten met vrouwen niet te veel compassie hebben, zeker niet als je hun, zoals ik het vermag, onpeilbaar genot kunt schenken, al is het maar door op de mij kenschetsende wijs drie van m’n vingers in de kut van De Coster te rammen, en zodanig het vingeren beheers dat die hele De Coster op den duur van pure exaltatie niet eens meer de titel van haar laatst gepubliceerde flutroman zou kunnen noemen.

Naast vrouwelijke schrijvers heb je natuurlijk ook schrij­versvrouwen. Eigenlijk is het een geheim, maar oké dan, voor één keer zal ik het onthullen: ik heb al seks gehad met twee schrijversvrouwen – die van Christophe Vekeman en die van Roderik Six. Hoe de vrouw van Six heet ben ik he­laas vergeten, maar ‘t is wel een heet geval. Ik had op het internet gelezen dat Roderik Six, in z’n functie van criti­cus/recensent/romancier, een literair debat moest leiden in boekhandel Walry op de Zwijnaardsesteenweg. Daar zou hij het, geflankeerd door Peter Terrin, Yves Petry en Joost Vandecasteele, uitvoerig hebben over de huidige stand van zaken in de Vlaamse literatuur, en dat soort debatten duurt toch meestal algauw tot diep in de nacht. Ik begaf me dus om kwart over acht naar het huis van Six, belde aan, en ja hoor, z’n naaimachien deed open. Het is een niet al te groot, niet al te mager geil diertje, en ze leek niet alleen verrast, maar ook verrukt dat het uitgerekend ik was die bij haar had aan­gebeld. ‘Welja,’ zei ik, ‘ik passeerde hier en ik dacht: ik ga even gedag zeggen bij de Sixen.’ ‘Roderik is niet thuis,’ zei ze met een bevend stemmetje, en uiteraard wist ik waarin die beving haar oorsprong vond: die griet was zo geil op mij dat haar vagina ondertussen waarschijnlijk al drijvend door haar onderbroek laveerde. Ze zei: ‘Wil je wat drinken, Her­man? Een cola?’ ‘Ach, steek die cola in je dik gat,’ zei ik, ‘en loop mij voor naar de slaapkamer.’ Ze holde naar die slaap­kamer, rukte haar blouse, haar rok en haar kletsnatte Sloggi van haar lijf, en we begonnen eraan. Ik befte, likte, muilde, rimde, poepte en soixante­neufte haar, en na haar negen or­gasmes stamelde ze, zo weg van de wereld als een geklutst ei, dat ze in de vorige jaren de indruk had opgedaan dat schrij­vers geen goeie minnaars zijn, maar dat ze nu met overtui­ging haar mening herzag. Ik negeerde dat gebazel, en zei: ‘Geef mij nu maar die cola, baby.’

Een andere keer las ik op het internet dat één onzer meest veelbelovende auteurs, Christophe Vekeman, in de Melk­weg in Amsterdam een lezing zou geven over de functie van het bijwoord in het oeuvre van Louis Couperus. Als Veke­man, overigens een goeie vriend van mij, naar Amsterdam gaat, weet ik dat hij daar minstens een paar dagen verblijft om wat cultuur op te snuiven, in Artis te gaan kijken naar de dwergbonobo’s (zijn lievelingsdieren), te struinen op de Walletjes en – als z’n portefeuille het toelaat – bij één van de temeiers binnen te stappen om z’n lul tot gort te laten ruk­ken. Dus liep ik, terwijl Vekeman in Amsterdam werk en verzet combineerde, naar z’n huis in de Machariusstraat, en ik belde aan. De deur werd opengedaan door Mieke, de reeds langdurige bijslaap van Vekeman. ‘Welja,’ zei ik, ‘ik passeer­de hier en ik dacht: ik ga even gedag zeggen bij de Vekeman­nen.’ ‘Christophe is niet thuis,’ zei Mieke met haar frêle stem. ‘Dat meen je niet,’ zei ik, ‘is die gozer dan nooit thuis? Maar goed, nu ik hier toch ben wil ik gerust een cola degusteren.’ Mieke schonk mij er eentje uit, en ondertussen keken we met glanzende ogen naar elkaar. Ik ken Mieke al lang en al even lang heb ik goesting in seks met haar. Eens lekker een rosse foef uitlepelen met je tong, daar gaat toch niks boven? Het probleem met Mieke is dat ze een nogal trouw en mono­gaam type genoemd kan worden. Maar als je je daar een lor van zou aantrekken, dan zou je niet waard zijn dat je Herman Brusselmans heet. Zodoende vroeg ik op den duur aan Mieke, nadat we een kwartiertje gebabbeld hadden over de functie van het bijwoord in het oeuvre van Vekeman, of het niet tijd werd dat ze haar beha uittrok en, als ze dan toch bezig was, ook de rest van haar kleren. Blozend besloot ze aan m’n eis te voldoen en daar stond ze dan, naakt voor m’n neus. Ik zette die neus meteen aan het werk en ramde hem in de flamoes van Mieke, en wel op zo’n manier dat heel haar vaginale sap-pensysteem direct in hoge mate in werking trad. Even later verving ik m’n neus door m’n tong, en nog wat later verving ik m’n tong door m’n sjarel, en verdomd als het niet waar is: Mieke werd zodanig uitzinnig dat ze hele plukken haar uit m’n kop trok. Nu hoeft dat niet meteen een probleem te vormen, omdat ik zeer dik haar heb, maar ik vroeg haar toch om in het vervolg haar eigen haren uit te trekken in plaats van de mijne. Blozend verontschuldigde ze zich, waarna ik haar als toemaatje nog ‘ns befte, nu zo traag en tergend dat Mieke smeekte om verlossing, die ik haar ten slotte schonk door haar twaalfde orgasme tot ontbranding te brengen. Nog diezelfde nacht zei ik tegen haar: ‘Salut Mieke, en de groeten aan Vekeman als hij ooit uit Amsterdam terugkeert.’

Er zijn nog meer schrijversvrouwen die op m’n lijstje staan – die van Tommy Wieringa, Ernest van der Kwast en Marnix Peeters – maar net zo goed staan er een paar ex-schrijvers-vrouwen op dat lijstje, met in koppositie Nathalie De Clercq, de ex van Dimitri Verhulst, die dat arme mens zo wreedaardig heeft laten stikken, in het kader van de promotie rond z’n recente roman, waarvan het hoofdpersonage ook z’n vrouw laat stikken. Verhulst is één van die letterkundige dombo’s die veronderstellen dat je feit en fictie moet verwarren: als bijvoorbeeld z’n personage een schaap zou beffen, dan zou Verhulst dat ook doen, wat bewijst dat hij de finesses van de romantechniek zelfs na twaalf jaar schrijven nog altijd niet onder de knie heeft. Ik zou nooit een schaap beffen, maar een Nathalie beffen, daar zie ik geenszins graten in. Er is slechts één probleem: ik heb horen zeggen dat Nathalie een behoor-lijk grote tattoo op haar rug heeft, met name de afbeelding van een gigantische zomersandaal. Het is trouwens Dimitri Verhulst zelf die me dat verteld heeft, toen ik ‘ns met hem in café De Charlatan op de Vlasmarkt zat. Na twee glazen rode wijn had hij een zodanig stuk in z’n kloten, dat hij me allerlei intieme details over z’n leven begon te verklappen. Zo vertelde hij dat hij nooit vijf zatte nonkels heeft gehad, dat hij ook al de rest uit ‘De helaasheid der dingen’ uit z’n duim heeft gezogen, dat hij graag eens een roman zou schrijven die ‘Het gebefte schaap’ heet en dat hij z’n oorring had verwijderd nadat ik in het programma ‘De wereld draait door’ had gezegd dat schrijvers met oorringen totale losers zijn. Op den duur zei hij dat Nathalie die rare tattoo op haar rug had, en tja, omdat ik nu eenmaal geen intimiteit wil met zwaar getatoeëerde vrouwen, zal de door mij nochtans gewenste seks met Nathalie jammer genoeg geen doorgang kunnen vinden.

Weet je met wie je soms ook goeie seks kunt hebben? Met stomme wijven. Wijven zo dom als een amoebe met leerachterstand. Wijven met een IQ dat maar net iets hoger ligt dan hun aantal schaamlippen. Wijven zo achterlijk dat je ze op 1 april naar de kruidenier kunt sturen met een kruiwagen om vijf centimeter gedroogde schuifkaas te halen. Wijven die denken dat Mahatma Gandhi een ontwerper was van handtassen, die vinden dat het oogpotlood een belangrijkere uitvinding is dan om het even welke aidsremmer en die je kan wijsmaken dat de eerste man op de maan in de voetsporen van z’n voorganger is getreden. Ik ken redelijk wat van dat soort wijven, en ik amuseer mij daar kostelijk mee. Eergis-teren was het ook weer prijs. Vanwege dolle eenzaamheid was ik een cola gaan drinken in café de Minor Swing op de Ottogracht en in dat piepkleine knijpje stond ik algauw te-gen een grietje aangedrukt dat naar stront rook. Noem het een afwijking van mij, maar een ongeveer 23-jarige trut die naar stront ruikt, daar kan ik weleens opgewonden van worden. Op de koop toe herkende ze mij, althans op het eerste gezicht, en ze vroeg: ‘Hé! Ben jij niet die bassist van dEUS?’ ‘Nee,’ zei ik, ‘dat is m’n broer.’ ‘Wie ben jij dan?’ vroeg ze. ‘De bassist van Hooverphonic,’ zei ik. ‘Twéé bassisten in één familie!’ riep ze. ‘Wat een toeval!’ ‘En dan moet je m’n zuster nog meerekenen, die is bassist bij zowel Daan als bij The Happy,’ zei ik.’ ‘Víér bassisten in één familie!’ riep ze. ‘Het is bijna niet te geloven. Maar wie is Daan?’ ‘Ach,’ zei ik, ‘een of andere chansonnier die denkt dat hij de muziek zodanig op haar kop heeft gezet dat ze naar z’n hoofd is gestegen. Je kan hem herkennen aan z’n zonnebril bij donker weer, aan z’n in een vervuilde rivier gewassen wit kostuum en aan z’n neiging om zodanig de popster uit te hangen dat Joe Harris zich omkeert in z’n graf.’ ‘Jij praat een beetje raar,’ zei ze, ‘maar je ruikt wel lekker. Heb je in je broek gekakt?’ ‘Ik wou net hetzelfde aan jou vragen,’ zei ik, en zo ontstond er op korte tijd een band tussen ons. Dus wij naar m’n loftje, ik zo rechtop als een dukdalf en zij wankelend als een jeneverstruik bij westenwind, want dat mokkel was zo zat als een apin die een fles ontsmettingsmiddel achterover heeft geslagen. In m’n loftje zei ze: ‘O, wat een grote loft. Die heeft zeker veel geld gekost?’ ‘800.000 euro,’ zei ik, want ik had inmiddels wel door dat je haar zo ongeveer alles kon wijsmaken.

‘Dat valt nog mee,’ zei ze, ‘dat is maar de helft van het buitenhuis van m’n ouders in Waarschoot.’ Ik schonk haar een bel cognac in en zelf nam ik een ver-frissende cola. ‘Hoe heet je, Wendy?’ vroeg ik. ‘Niet Wendy, maar Cindy,’ zei ze. Ik heb Cindy altijd een geile naam gevonden. Echt waar, een Cindy die naar stront ruikt kan bij mij niet stuk. M’n grote, steeds wederkerende fantasie is dan ook dat ik Cindy Crawford tegen het lijf loop terwijl ze een bruine streep in haar onderbroek heeft. ‘Cindy,’ zei ik, ‘ik merk dat je ongelooflijk kachel bent, maar ben je nog in staat om een vent de pijpbeurt van z’n leven te geven?’ ‘Natuurlijk,’ zei ze, ‘over welke vent heb je het?’ ‘Over m’n grootvader,’ zei ik, ‘maar omdat die overleden is in 1967 zal ik in zijn plaats de honneurs waarnemen en mag je mij pijpen.’ ‘Wat zijn honneurs?’ vroeg ze. ‘Kleine spinnetjes,’ zei ik, ‘die in m’n bed zitten.’ ‘Oei,’ zei ze, ‘ik ben bang voor spinnetjes. Zal ik je dan, in plaats van in je bed, hier in de woonkamer pijpen?’ ‘Prima,’ zei ik, ‘op het Perzische tapijt.’ We kleedden ons uit (Cindy had geen tattoos) en we gin-gen van start. Tjonge, ze pijpte mij alsof ze een halve liter van m’n beenmerg nodig had om haar mond te spoelen. Dat verdiende een beloning en omdat m’n specialiteit de befferij is en blijft, befte ik haar tot ze niet eens meer de titel van de laatste kutroman van Saskia De Coster had kunnen noemen. Daarna gingen we over tot simpel neuken, hoewel het ook niet zó simpel was, want zij verloor het bewustzijn en ik viel flauw. Toen we weer bijkwamen lagen we gezellig in elkaars armen.

Ik wil maar zeggen: er zijn veel mogelijke vrouwen om seks mee te hebben, en zolang ze geen kanjers van tattoos op hun lijf hebben, mogen ze allemaal bij me aanbellen. Ten slotte wil ik het nog hebben over zo’n mogelijke vrouw, die inderdaad bij me aanbelde. Ze was in die zin uitzonderlijk dat ze van het donkere ras was. Ik liet deze zwarte parel binnen, en vroeg: ‘Wie ben je, buitenlandse snoeshaan, en wat kom je doen in deze vroege nacht?’ Soms praat ik nogal literair, iets wat ik heb opgestoken van Cees Nooteboom. Hoe zou het zijn met Cees? Zou het waar zijn dat hij ‘m niet meer overeind kan krijgen? En dat hij hulp nodig heeft bij het afvegen van z’n kont? En dat hij steeds slechtere boeken schrijft? Je weet het nooit met die gozer. Maar goed, er stond dus een gitzwarte vrouw in m’n loftje, en ze zei: ‘M’n naam is Babila. Ik kom van het hemelsverre Afrikaanse vasteland en ben hierheen gekomen om voor vuilnisman te studeren.’ Die praatte ook redelijk literair, vond ik. Zou ze Cees Nooteboom kennen? En waarom zei ze vuilnisman in plaats van vuilnisvrouw? Was ze misschien een transseksueel? Dan kon ze van mij gerust een schop tegen haar kloten krijgen, want hoewel ik niks heb tegen transseksuelen (behalve dat het me niet be-valt dat ze van geslacht zijn veranderd) heb ik ze bij voorkeur toch liever niet in m’n huis. ‘Welkom, Babila,’ zei ik, ‘verkies je niet eerder dat ik je Cindy noem?’ ‘Nee,’ zei ze, ‘noem me maar Bobbejaan.’ Dit sterkte me in m’n overtuiging dat ze effectief een transseksueel was (vele transseksuelen laten zich nu eenmaal Bobbejaan noemen), en ik zei: ‘Toon mij je spleet of ik sla je in elkaar.’ Ze trok haar Congolese jurk uit, waaronder ze naakt was (geen tattoos), en gelukkig: ze had geen lul maar wel degelijk een kut. En nog een paar pronte tietjes op de koop toe. Om er definitief zeker van te zijn dat ze één en al vrouwelijkheid was vroeg ik haar ten eerste om de namen van de vier Beatles op te sommen, ten tweede om mij te vertellen wie de Tweede Wereldoorlog had gewonnen en ten derde wat de vierkantswortel van 169 was. Op al deze vragen moest ze het antwoord schuldig blijven, dus ja, ze was dom en onwetend genoeg om tot in de toppen van haar tenen 100 procent vrouwelijk te zijn. ‘Waarom heb je bij mij aangebeld?’ vroeg ik. ‘Omdat in Gent het gerucht waait dat jij seksueel erg goed bent,’ zei ze. ‘Nou nou,’ zei ik, ‘met dat Gentse gewaai moet je uitkijken, maar in dit geval schuilt er een grond van waarheid in.’ Ik kleedde me uit en stootte m’n rechtopstaande pisseloe in haar inktzwarte doos met roze randjes. Ik heb al veel gegil meegemaakt (ik stam uit de veehandel en heb vaak weerloze dieren zien slachten), maar het gegil van Bobbejaan sloeg waarlijk alles. ‘Wat in Gent waait, waait goed,’ stamelde ze. Ik vroeg haar, hongerig als ik was, om naar de nachtwinkel in het Patershol te spurten en daar een portie maniok en gedroogd rendiervlees te halen, opdat ze vervolgens voor mij een uitstekende, aan haar afkomst gerelateerde maaltijd zou kunnen klaarmaken. Ze volgde m’n bevel op, en een uurtje later zat ik te schransen tot ik nagenoeg barstte. Ik vind het erg leuk om met andere culturen in contact te komen. Om elf uur gooide ik Bobbejaan aan de deur.

Hoezeer ik ook andere culturen annex zwarte vrouwen op prijs ben gaan stellen, dit betekent uiteraard niet dat ik blanke vrouwen misprijs, en ik wil bij dezen nog ‘ns beklemtonen dat ongeveer iedere blanke vrouw bij mij mag aanbellen. Zonder tattoos, tenzij een miniem roosje, een piepklein kikkervisje of een bijna niet op te merken jan-van-gentje.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234