#41: 'Kill Bill: Vol.1' (Quentin Tarantino, 2003)

, door (es)

45
Kill  Bill Vrij

De eerste keer vergeet je nooit, en de eerste keer dat wij ‘Kill Bill: Vol.1’ zagen, was in de Aidikoff Screening Room, een bioscoopzaaltje in de kelder van een kantoorgebouw in Los Angeles.

Het flesje Evian dat we hadden meegebracht, bleef één uur en 46 minuten lang onaangeroerd, compleet gebiologeerd, betoverd en gehypnotiseerd als we waren door het spetterende filmfeestje dat zich op het scherm voltrok. Die aangrijpende openingsclose-up van de bebloede The Bride: ‘Do you find me sadistic?’ Die felle, meesterlijk gechoreografeerde catfight tussen The Bride en Copperhead! Die machtige soundtrack! Dat hitsige geel-zwarte motorpak van Uma Thurman! En we waren niet de enigen in dat zaaltje die zich met heel hun wezen zaten te laven aan Tarantino’s weergaloze kungfuparty: in het stoeltje achter ons zat de knappe Lucy Liu, O-Ren Ishii in de film, de hele tijd hardop te lachen en ‘Wow!’ te roepen en te applaudisseren! Na de laatste scène hadden we het gevoel dat we wakker werden uit een prachtige martial arts-droom. En ook vandaag nog heeft ‘Kill Bill: Vol.1’ op ons het effect van een tranceverwekkende sensatie; een duizelingwekkende toproetsjbaanrit door Tarantino-land.

Nu zijn wij de eersten om te erkennen dat ‘Kill Bill: Vol.1’ veel minder gaaf en veel minder iconisch is dan ‘Pulp Fiction’, de nr. 44 in onze Top 100, en dat ‘Vol.1’ een film met ups en downs is. Maar mijn Heer, die ups zijn als adrenalineshots in het hart! Hoe Tarantino in de hospitaalscène (‘Hé, het is tijd, ik kom eraan, klaar of niet!’) de camera ineens vertraagd naar de vloer laat zakken terwijl hij die muziek van Vince Tempera & Orchestra (uit de seventieshorrorprent ‘Sette note in nero’ – The Big T. kent zijn klassiekers) laat aanzwellen; hoe hij O-Ren in sensuele slowmotion The House of Blue Leaves laat binnenstappen met haar killers in haar kielzog – wow, zo moet Mia Wallace zich hebben gevoeld toen Vincent Vega die naald door haar borstbeen dreef. Yep, van alle filmbacchanalen die Tarantino tot nu heeft georganiseerd, vinden wij ‘Kill Bill: Vol.1’ het opwindendste (en ‘Vol.2’ dan, vraagt u? Vonden we minder uitbundig, minder feestelijk).

Het centrale wraakverhaal – Thurman vertolkt een goudharige krijgster die, na vier jaar in coma, onder het motto ‘Revenge is a dish best served cold’ wraak neemt op de moordenaars die haar bruiloft hebben verpest – vormt voor Tarantino de ideale aanleiding om al zijn hartstochten bot te vieren. Zijn passie voor het martial arts-genre, zijn obsessie met oude exploitationflicks, zijn vuur voor Uma Thurman, zijn liefde voor het medium cinema, zijn zwak voor coole muziek én voor coole voertuigen (de pussy wagon!): Tarantino heeft in ‘Kill Bill: Vol.1’ zijn hart, zijn ziel, zijn álles uitgestort; en wij mogen erin duiken, wij zijn uitgenodigd voor het feestje.

Tarantino neemt ons mee op een onvergetelijke trip door een wonderbaarlijk universum dat wordt bevolkt door een legertje killers met Kato-maskers, pedofiele yakuzabazen, een 17-jarig meisje dat met een middeleeuwse goedendag rondzwaait, en een rijtje moorddadige bitches. Black Mamba, Copperhead, Cottonmouth, California Mountain Snake: Tarantino moet zich bij het bedenken van de codenamen van de Deadly Viper Assassination Squad als een kind geamuseerd hebben.

In het surreële universum van ‘Kill Bill’ mag je je Hattori Hanzo-zwaard zonder problemen als carry-on baggage meenemen aan boord van het vliegtuig; je kunt je zwaard zelfs naast je stoeltje vastklikken in een speciale zwaardhouder. In het universum van Tarantino hoor je ook op de onmogelijkste momenten de onmogelijkste songs losbarsten: wie anders dan Tarantino zou er in hemelsnaam op komen om die fucking panfluitmelodie van James Last onder een scène te zetten? Het mirakel is dat het nog wérkt ook: die panfluit geeft aan het prachtige moment waarop Hanzo zijn pas vervaardigde samoeraizwaard aan The Bride overhandigt (‘If on your journey, you should encounter God, God will be cut’) een extra mooie, bijna ontroerende dimensie. Tarantino wist dat er kracht zat in die muziek, en nu weten wij het ook.

‘Kill Bill: Vol.1’ is ook één van Tarantino’s grappigste films: van de ‘I’m Buck and I like to fuck!’-oneliner tot de hysterische kreetjes waarmee The Crazy 88’s met getrokken zwaarden de trap in The House of Blue Leaves afdenderen – gieren, brullen!

Vooral tijdens het laatste hoofdstuk, ‘Showdown at the House of Blue Leaves’, trekt Tarantino alle registers wagenwijd open. Die magistrale duels waarbij The Bride soms door de lucht lijkt te zweven; de beelden die van kleur naar zwart-wit naar infrablauw en terug naar kleur springen; de opeenvolging van muziekintro’s; dat indrukwekkende trackingshot waarbij de camera op het ritme van die aanstekelijke ‘Woo-hoo-woo-hoo-hoo’s’ van The 5.6.7.8’s (die we nu weer dagenlang niet uit ons hoofd gaan krijgen) in één ononderbroken beweging door het restaurant glijdt: de ongelofelijke precisie, de adembenemende virtuositeit en de perfecte timing die Tarantino hier aan de dag legt, maken van die showdown één vloeiende, bijna poëtische trip.

Kijken naar ‘Kill Bill: Vol.1’ is het equivalent van stagediven: we springen in de film, en de film vangt ons op, waarna we ons met uitgespreide armen door de stroom laten meevoeren – killbillsurfen. En Sofie Fatale kan ons krijgen, met of zonder ledematen.

Bekijk de trailer van 'Kill Bill: Vol. 1':

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: