#38: 'Paths of Glory' (Stanley Kubrick, 1957)

, door (es)

31
paths of glory

Kubrick was nog maar 28 jaar oud toen hij zijn eerste topfilm draaide. 28! Wij hadden op die leeftijd niet eens een rijbewijs; vandaag (we naderen de 90; na het schrijven van deze tekst gaan we samen met Dolf, Joseph en Maria een bloemstukje in elkaar steken) nog steeds niet trouwens.

In 1957 was Stanley Kubrick nog niet ‘Stanley Kubrick’; zijn naam had in de filmwereld nog lang niet die indrukwekkende resonantie, hij was een meestercineast-in-wording. Over zijn regiedebuut ‘Fear and Desire’ uit 1953 was hij zelf niet te spreken (‘Het werk van een amateur, met de waarde van een kleutertekening op een koelkast’), maar opvolgers ‘Killer’s Kiss’ (1955) en ‘The Killing’ (1956) – twee knappe stijloefeningen in het film noir-genre – hadden hem voldoende zelfvertrouwen gegeven om zich op een ambitieuzer project te richten: de verfilming van ‘Paths of Glory’ van Humphrey Cobb, een op ware feiten gebaseerde oorlogsroman die hij had gelezen toen hij veertien was en nooit meer uit zijn hoofd had gekregen (herkenbaar: wij lazen Jommeke op die leeftijd en zijn ‘De Koningin van Onderland’ ook nooit meer vergeten). Kubrick stapte met het project naar Kirk Douglas, die onmiddellijk toehapte; het was de eerste keer dat Kubrick met een zogeheten A-list star werkte.

Het verhaal (en pas op: hierna volgen enkele motherfuckers van spoilers) speelt zich deels af in de Franse loopgraven, waar de soldaten zich als ratten in het slijk ophouden, deels in de Franse kastelen waar de hoge, met medailles behangen officieren tussen Lodewijk XV-meubelen – of is het Lodewijk XVI? – cognac staan te drinken en zachtgekookte eitjes zitten te verorberen, en tussendoor de meest absurde bevelen uitvaardigen.

Zo krijgt generaal Mireau (George Macready) van het oppercommando de opdracht om de Mierenhoop te veroveren, een sleutelpositie die de Duitsers al een jaar in bezit houden. De generaal steekt niet weg dat veel mannen daarbij zullen sneuvelen: ‘Ze vangen de kogels op, en maken de weg vrij voor de rest.’ In een sterke, erg knap gefotografeerde scène roept Mireau patriottisme in als de voornaamste drijfveer voor de aanval, waarop Kolonel Dax (Douglas), die het sprekend geweten vormt van de film, een geweldig, boven uw bed te hangen citaat van Samuel Johnson uit zijn legerjas schudt: ‘Patriottisme is de laatste toevlucht van een schoft’ (de reactie van Mireau: ‘U bent moe, Dax, heel moe’).

De bestorming van de Mierenhoop draait uiteraard uit op een fiasco, waarna de furieuze Mireau (die zelf de slag vanop veilige afstand heeft gadegeslagen) het hele regiment van lafheid beschuldigt en drie lukraak gekozen soldaten voor de krijgsraad laat slepen; kwestie van een verschrikkelijk voorbeeld te stellen. U zal het zien: de hoge heren wassen hun handen altijd in onschuld, en de gewone man is hoe dan ook altijd gekloot. Dax, die heel goed inziet dat er van lafheid geen sprake is en dat het van meet af aan een absurde zaak was om die Mierenhoop te willen veroveren, doet er alles aan om zijn mannen van het vuurpeleton te redden (zijn ‘Toon genade’-monoloog krijgt ons altijd weer bladstil), maar er helpt geen lievemoederen aan; het is alsof er een trein is vertrokken die niet langer valt te stoppen – de trein naar de hel.

Telkens wij ‘Paths of Glory’ zien, gaat de meeleefthermometer hoog in het rood: je wilt letterlijk ín het scherm springen om die drie mannen uit hun dodencel te bevrijden; je wilt je vóór de kogels gooien; maar Kubrick weigert om u uw Hollywood ending te geven: het enige wat je kan doen, is ziek van machteloosheid, in een staat van shellshock bijna, toekijken. ‘Zie je die kakkerlak?’ zo horen we Paris (Ralph Meeker) zeggen. ‘Morgenochtend zijn wij dood en leeft hij nog. Hij zal meer contact hebben met m’n vrouw en kind dan ik. Ik zal niks zijn, en hij zal leven.’ Na dat zinnetje heb je alleen nog maar zin om heel stil in een donker hoekje te kruipen. Dat cinema (want per slot van rekening blijft het alleen maar cinema) een mens zo kan aangrijpen: het blijft een wonder.

In Frankrijk konden ze in ieder geval niet lachen met de manier waarop Kubrick het Franse militaire apparaat te kakken zette: daar werd ‘Paths of Glory’ onmiddellijk verboden; en in België werd de film voorafgegaan door een pancarte die meldde dat ‘Paths of Glory’ ‘over een geïsoleerd incident gaat dat in totaal contrast staat met de historische dapperheid van het Franse leger’. Yep, het aantal zere tenen waarop Stanley had getrapt, viel niet te tellen.

Vanuit puur technisch oogpunt zien we in ‘Paths of Glory’ de eerste glimpen van de allergrootste Kubrick: de adembenemende tracking shots door de loopgraven vormen een voorafschaduwing van de lange steadycam shots uit ‘The Shining’; het lang uitgerokken executietafereel is, met dat door merg en been gaande tromgeroffel dat de drie mannen naar hun laatste standplaats begeleidt, een meesterstukje van cinematografie; en verder hebben we uit ‘Paths of Glory’ geleerd dat een hoofdwonde meer pijn doet dan een schot in de kont.

En dan, mijn Heer, die laatste vijf minuten. In wat de aangrijpendste scène moet zijn die Kubrick ooit heeft gedraaid, beginnen de Franse soldaten in een herberg met betraande wangen één voor één mee te zingen met een Duits meisje; alsof Kubrick – hij die meestal wordt afgeschilderd als een volbloed pessimist – ons op de valreep wil meegeven dat er misschien toch nog hoop bestaat in onze wrede wereld. ‘Paths of Glory’: een pril meesterwerk van één van de allergrootsten.

Bekijk de trailer:

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: