#37: 'The Night of the Hunter' (Charles Laughton, 1955)

, door (es)

17
the night of the hunter

Charles Laughton! Wie deze Britse klasbak aan het werk ziet, beseft ineens dat het gros van de hedendaagse acteurs is opgetrokken uit piepschuim.

Quasimodo in de jaren 30-klassieker ‘The Hunchback of Notre Dame’ (‘I never realized till now how ugly I am, because you’re so beautiful’), Captain Bligh in ‘Mutiny on the Bounty’ (1935), de schilder Rembrandt van Rijn in de sombere parel ‘Rembrandt’ van Alexander Korda (1936): machtige vertolkingen die zich een weg door de hartwand boren. Laughton beschikte niet over de ladykillerlooks van Marlon Brando of James Dean (hij droeg in zijn wangen een tonnetje babyvet mee), en zelfhaat vertroebelde zijn ziel (‘Ik heb het gezicht als het achterste van een olifant’), maar hij had dat ‘mysterieuze extra’ zoals Billy Wilder het ooit noemde; een magnetische kracht die maakt dat je je ogen niet van hem kunt afhouden. In zijn drie decennia omspannende carrière regisseerde Laughton welgeteld één film – en het was een meesterwerk.

‘The Night of the Hunter’ blijft één van de merkwaardigste en beste Amerikaanse films aller tijden; een wonderbaarlijke kruising tussen een gotische horrorfilm en een kindersprookje; een magisch kunstwerk dat men eigenlijk best in de wee hours bekijkt, wanneer buiten dwaallichtjes fonkelen en nachtgeesten rondruisen. De nacht is immers het ideale moment om kennis te maken met hoofdfiguur Harry Powell (Robert Mitchum), een knettergekke predikant die door het door de Grote Depressie geteisterde Amerika doolt, op zoek naar weduwes die hij kan verleiden, beroven en vermoorden.

Nu zijn we in de donkere zaal al heel veel memorabele booswichten tegengekomen, van Darth Vader tot Hannibal Lecter, maar predikant Powell – gebaseerd op serial killer Harry Powers – is een klasse apart. Een psychotische godsdienstfanaat, die de woorden love en hate op zijn vingerkneukels heeft laten tatoeëren en hardop tegen de Allerhoogste spreekt: ‘Wat zal het nu zijn, Heer? Nog een weduwe?’ Dat Mitchum, in zijn beste vertolking ooit, zijn personage in sommige scènes een clowneske allure geeft (zie hem over dat hekje springen!) zorgt niet zozeer voor comic relief, maar maakt zijn verschijning des te verontrustender.

Powells nieuwe prooi is Willa Harper (Shelley Winters), wier echtgenoot, een bankovervaller, onlangs werd opgeknoopt. Het wonderlijke is dat Laughton je niet zozeer meetrekt in een kolk van suspense, zoals de synopsis misschien laat vermoeden, maar in een staat van dromerigheid; de hele film lijkt zich af te spelen in een licht surreëel aanvoelend universum. Om te beginnen plant de cineast zijn personages neer in een landschap dat zó archetypisch Amerikaans is dat het onwerkelijk overkomt: kinderen vullen rieten manden met zelfgeplukte appels; tijdens een picknick schenken de grootmoeders geurende chocolademelk uit; kleine jongens wuiven vanop de oever naar de voorbijvarende raderboten; je verwacht bijna dat Huckleberry Finn op z’n vlot gaat passeren. Maar door dit mythische landschap glijdt een donkere demon, en zijn naam is Harry Powell.

Cameraman Stanley Cortez, de licht- en schaduwtovenaar die ook verantwoordelijk was voor de fabuleuze look van Orson Welles’ ‘The Magnificent Ambersons’, speelde bij het creëren van de juiste atmosfeer een bepalende rol: let bijvoorbeeld eens op de grillige schaduwen van de boomtakken op de slaapkamermuur wanneer Willa’s zoontje John een verhaaltje aan zijn zusje vertelt; het lijken wel donkere handen die naar de kinderen klauwen. Het verbijsterend mooie shot van het lijk onder water (‘Kon je het maar zien, Bess, beneden in het diepe; haar haar golfde zachtjes heen en weer, als gras onder laagwater’) had een moment uit een pure horrorfilm kunnen zijn, maar in de toverhanden van Laughton en Cortez groeit het uit tot een bijna poëtisch tableau.

Ook de soundtrack, vol kinderrijmpjes en Amerikaanse traditionals, draagt bij tot de onwerkelijke mood – ‘Hing, heng, hang, de beul in het gevang / Hang, heng, hing, de overvaller hing / Heng, hing, hang, het einde van mijn gezang’. Zeker wanneer de twee kinderen – die weten waar hun opgeknoopte vader de buit heeft verborgen – besluiten te vluchten en de rivier opvaren, glijden we samen met hen een soort droomlandschap binnen; de sterren twinkelen, nachtdieren slaan de kinderen gade vanop de oever, en opnieuw weerklinkt een magisch kinderliedje: ‘Once upon a time there was a pretty fly / he had a pretty wife this pretty fly / but one day she flew away, flew away...’ De waanzinnige gil die de predikant slaakt op het moment dat de boot hem ontglipt, is er trouwens eentje voor de historische audiofiles.

Voor onze medemensen uit 1955 week de film nét iets te hard af van de gezellige feelgoodstuff die men in die tijd meestal kreeg geserveerd: de critici sabelden hem neer, en ‘The Night of the Hunter’ werd, tot ontzetting van Laughton, een gigantische commerciële flop. Vandaag wordt de hypnotiserende kracht van ‘The Night of the Hunter’ wél erkend; onder meer David Lynch, Martin Scorsese en de gebroeders Coen hebben verklaard dat de film een zeer grote impact op hun oeuvre heeft gehad.

De verbitterde Laughton stierf in 1962 aan kanker, maar zijn Nacht duurt voort. Hing, heng, hang, het einde van onze lofzang.

Bekijk de trailer: 

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: