#30: 'La grande bouffe' (Marco Ferreri, 1973)

, door (es)

229
la grande bouffe

O, wat waren we er graag bij geweest toen in 1973 de storm losbrak rond ‘La grande bouffe’, Marco Ferreri’s chef-d’oeuvre over vier mannen die zich opsluiten in een villa teneinde zichzelf dood te vreten.

Bij het bestijgen van de trappen van het festivalpaleis in Cannes, waar de film in wereldpremière ging, werden de hoofdacteurs bespuwd en uitgekafferd. Actrice Andréa Ferréol, onvergetelijk in de rol van de onderwijzeres die de heren op haar manier een handje komt toesteken, werd in de maanden na de première de toegang geweigerd tot diverse Parijse restaurants. En ook de critici wisten geen blijf met hun verontwaardiging: ‘Obsceen!’ ‘Om te kotsen!’ ‘De acteurs zouden zich moeten schamen!’ De storm trof zelfs de Trioscoop in ons geboortegehucht Hasselt, waar – aldus één van onze voorouders – de geschokte toeschouwers in dichte drommen naar de exit marcheerden.

Yep, ‘La grande bouffe’ was een onversneden schandaalfilm: je moest hem gezien hebben, je wilde erover meepraten, je was voor of tegen. En hoewel de grote schranspartij vandaag veeleer grappig dan schokkend overkomt, blijft de walgfactor van ‘La grande bouffe’ behoorlijk hoog liggen: ‘Ik vond het geweldig, maar ik zal nooit meer naar Michel Piccoli kunnen kijken zonder aan een plas diarree te moeten denken. Of andersom.’ Zo luidde de conclusie van iemand aan wie we de dvd hadden uitgeleend (van de honderd films in deze countdown is ‘La grande bouffe’ degene die we het vaakst uitlenen).

Al bij al geeft ‘La grande bouffe’ je maar twee opties: óf je wordt achteraf levenslang vegetariër, óf levenslang filmfan. We zijn nog geen tien minuten ver of we zien Piccoli al in de keuken met een gracieus gebaartje een stuk bloedworst op een vork prikken (‘Iemand een stukje bloedworst? Wie wil mijn bloedworst? Niemand wil mijn bloedworst?’), gevolgd door een smakelijke close-up van de Franse veteraan die zijn tanden in zijn worst zet; een onvoorstelbaar grappige scène, maar leg maar eens uit waarom.

‘La fête commençe!’ roept Marcello (Marcello Mastroianni) met suïcidale vastberadenheid in zijn ogen, en aldus begint een ellenlang schrokbacchanaal waarvan het menu bestaat uit de meest exquise gerechten, zoals niertjes in Bourgondische saus, oesters met champagne (u mag gerust weten dat wij ooit Marcello’s ‘oestereindspurt’ hebben nagespeeld), crêpe suzette, gemarineerd wild zwijn, parelhoen en – hmmmmmm! – kwartels. In het begin gedragen de mannen zich nog tamelijk gedistingeerd (‘Heren, we zijn hier niet voor een ordinaire orgie!’), maar het laatste laagje beschavingsvernis vliegt eraf wanneer ze op initiatief van Marcello enkele hoeren laten komen: ‘Oké, we hebben afgesproken dat we ons hier opsluiten, maar we hebben de gelofte van kuisheid niet afgelegd!’

Om de heren vervolgens steeds meer te zien degenereren vormt één van de heerlijkste cinemaspektakels ooit op pellicule vastgelegd – u wilt echt niet weten wat Marcello in de garage uithaalt met die ene lichtekooi en die collector van die Bugatti-auto. En schokkend of niet, geef toe dat ook ú over de vloer rolt van het lachen op het moment dat Michel last begint te krijgen van een verhevigde vorm van flatulentie: in ieder van ons schuilt immers een op scatologische humor kickende kleuter die zich graag in goeie ouderwetse kaka- en pipihumor wentelt; en die kleuter wordt in ‘La grande bouffe’ op z’n wenken bediend.
Wat die formidabele scheetscène overigens áf maakt, is niet zozeer de verbijsterende kracht die Michel achter zijn veesten weet te zetten, maar het feit dat Ugo (Ugo Tognazzi) net op dát moment de kamer komt binnenwandelen met alweer een gigantische berg puree – want geconstipeerd of niet, er moet worden doorgegeten.

Absoluut hoogtepunt is natuurlijk de scène die we gemakshalve de wc-ontploffing zullen noemen: ‘Merde alors!’ horen we de strontovergoten Marcello volledig terecht roepen, waarop Michel: ‘C’est la catastrophe! C’est l’horreur! C’est monstrueux!’ Noem ons ziekelijk, maar terwijl we dit opschrijven, zitten we alweer te hikken van het lachen.

Het grootste genoegen zit ’m natuurlijk in de fantastische vertolkingen: wat een plezier is het toch om vier van de allerbeste acteurs uit de filmgeschiedenis – we hebben Philippe Noiret nog niet genoemd – zich met volle overgave, maar altijd met een ongelofelijke precisie te zien smijten: de Vier Ruiters van de Schransapocalyps. Ook goed getroffen: het merkwaardige sfeertje in en rond de villa, in het midden van het zestiende arrondissement van Parijs, maar tegelijk helemaal afgesneden van de metropool. Een vergeten, met prachtige brocantemeubeltjes volgestouwde oase waar pure decadentie en herfstige weemoed in elkaar overvloeien.

Het strafste is nog dat deze film, waarover in 1973 terecht werd gezegd dat het om een meedogenloze frontale aanval op de excessen van de westerse consumptiemaatschappij ging, vandaag meer dan ooit raak schiet. Nu de foodierage feller woedt dan ooit, met chefkoks die als halfgoden worden vereerd en met kranten die heelder bijlagen wijden aan de opening van hippe restaurants, klinkt dat ene zinnetje van Michel – uitgesproken tussen twee winden door – venijniger dan ooit: ‘Buiten het eten lijkt alles een bijverschijnsel.’

Misschien is dát wel de reden waarom al die mensen in 1973 de zaal buitenstormden, en waarom ‘La grande bouffe’ ons ook vandaag nog lichtjes ongemakkelijk maakt: omdat we in die vier heren onszelf herkennen.

Bekijk de trailer:

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: