Goudkoorts in Sotsji: Bart Swings

, door (svb)

9

Maandag 20 januari 2014, elf uur in de ochtend. Nog achttien dagen voor zijn eerste wedstrijd in Sotsji, en Bart Swings zit wat aan zijn tenen te prutsen. Iets beters heeft hij niet te doen. Letterlijk. De schaatser doet wat een schaatser móét doen: hij wrijft hard met de palm van zijn hand over de knokige wreef van zijn blote voet, over het eelt op zijn zool, en kruipt met een vinger tussen al zijn tenen. Elk pluisje, elk kleverig restje zweet moet ervantussen. Eerst de linkervoet, dan de rechter. Droge, propere voeten moet hij hebben, want ze gaan zonder sokken in het witte leer van zijn op maat gemaakte schaatsschoenen. Ook een schaatser wil geen blaren. Het is wringen, zelfs voor een dunne sok is er geen plaats, maar toch zal Bart Swings geen koude voeten hebben. Door de dikke blauwe aders die erover lopen, stroomt straks genoeg bloed.

Swings heeft zich ook al opgewarmd: gestretcht, gelopen en met een meterslange zwarte band om zijn middel trainer Jelle Spruyt voortgetrokken, helemaal scheef, zoals­ schippers­ ­­vroeger hun boten langs het jaagpad sleurden, en John Massis – maar dan met zijn tanden – treinstellen trok. Terwijl Bart Swings trok, liep en stretchte, klonk er muziek. The Scorpions. Foreigner. Bon Jovi. This must be Germany.

Swings zit in Beieren, in de Alpen, op een metalen bankje naast een ijsbaan en bindt zijn veters. Hij hoort nu ­Bryan Adams: ‘Summer of ’69’. De muziek hangt zijn oren en keel uit: Bart Swings rockt niet, Bart Swings swingt. Jay-Z, Kanye West, Justin Timberlake: díé zitten in zijn mp3-speler, niet die ouwe koeien uit de eighties die de conciërge van de schaatshal – hij heeft een nekmatje en een snor – nu al dagen na elkaar op endless repeat zet. Die schaatshal is geen doordeweekse ijsbaan: het is de legendarische Max Aicher Arena in Inzell, voor schaatsers een hemel. Als Bart Swings om zich heen kijkt, ziet hij overal sterren. Vóór hem: de grote beer Sven Kramer, die op de Spelen van 2010 onsterfelijk werd op de 5.000 meter en doodging op de 10.000 meter, toen zijn coach hem de verkeerde baan instuurde. Hij fietst zich in het zweet, op de rollen, hoog in de tribunes. Achter Swings: de schitterende Ireen Wüst, gold-getter buiten categorie, twee keer Olympisch kampioen en dertien keer wereldkampioen. Ze ligt op de grond en plooit haar rechteronderbeen tot tegen haar heup. En links en rechts: toppers uit Rusland, China en Duitsland, die zich net als Swings klaarmaken voor de training. Vedetten die wij niet eens herkennen omdat we Belgen zijn en geen zak van schaatsen kennen. De Noord-Amerikanen, Scandinaven en Koreanen ontbreken, maar voor de rest is de halve wereldtop hier.

Dus ook Bart Swings. Een Belg, begot. Al jaren één van de beste inlineskaters ter wereld en vorig jaar, in zijn tweede seizoen op het ijs, al goed voor brons op het WK Allround Schaatsen. Maar dat was toen.

Processie van Echternach

Nu glimlacht Bart Swings naar de mooie Irene Schouten, een leeftijdgenoot en collega op de skeelers, een meisje met tulpenprint op de schaatsbroek en net geen ticket voor Sotsji op zak. Ze glimlacht terug. Ze zit al een tijdje naast hem op de bank, maar toen was hij nog te veel met zijn tenen bezig. Of was het pudeur? Want daarnet zat Irene nog in haar onderbroekje en hij ook. Samen schaatskleren aantrekken op het middenplein van de Max Aicher Arena: je hebt fantasie als je er iets romantisch of prikkelends in ziet, of je luistert te veel naar muziek.

Susanna Hoffs, het godinnengezicht van The Bangles, zingt over an eternal flame en over de twijfels die haar als mieren bekruipen. ‘Klopt het wel wat ze voelt,’ wil ze weten? ‘Is het wel echt?’ Vijfentwintig jaar lang is het een liefdeslied geweest, maar vandaag zingt Hoffs voor Swings en alle andere schaatsers die met hem naar de Spelen gaan. ‘Allemaal twijfelen ze,’ zegt Bart Veldkamp, de Nederlander die in 1998 als genaturaliseerde Belg brons won op de spelen van Nagano en Swings leert schaatsen op het scherpst van de snede. ‘Allemaal, van de eerste tot de laatste. Ook Sven Kramer, ook Ireen Wüst. Daarom zijn ze hier, daarom gaan ze elke dag opnieuw dat ijs op: om bevestiging te vinden.’ Net als Susanna Hoffs­ verlangen de schaatsers naar een eeuwige vlam. Die van hen brandt in Sotsji, en op de televisiebeelden zal ze op de achtergrond flikkeren terwijl brons, zilver en goud worden uitgereikt.

De twijfels van Bart Swings zijn helder omlijnd: na een mooie skeelerzomer de draad van het schaatsen weer oppikken, bleek niet evident. Wie twee sporten combineert, stapt mee in een processie van Echternach en moet leren leven met de twee passen achteruit die voorafgaan aan de drie passen vooruit. Wat eind vorige winter nog vanzelf ging op het ijs, was plots werken. Het ‘gevoel’ – zoals schaatsers het noemen – was er niet meer. Dat moet je geduldig heropbouwen. ‘Je moet weer leren, voor je aan presteren denkt,’ zegt Bart Veldkamp. Maar Bart Swings is een competitiebeest. Altijd beter doen dan wat hij tot nu toe heeft gedaan: dát is zijn eerste doel. Niet: even goed doen. En dan is er nog dat tweede doel: beter doen dan de anderen. Winnen. Dus ging hij forceren.

Het was de dag voor de wereldbekerwedstrijd in Calgary, november 2013. Bart Veldkamp zei tegen Bart Swings: ‘Je moet zachtjesaan weer wat meer voorwaartse beweging in je slag stoppen.’ ‘Onschuldig advies,’ zo dacht Veldkamp. ‘Daar kan hij de dag na de wedstrijd meteen mee aan de slag.’ Veldkamp had zich vergist: zijn schaatser schaatste de dag erna meteen zó hard vooruit, dat hij al na 700 meter met een smak tegen het ijs kletste. Te gretig. Die tik is nu al lang verwerkt, en veel van wat hij in de zomer was kwijtgespeeld, heeft hij teruggevonden. Zelfs het gevoel en de grote vorm komen eraan – daar beginnen ook zijn tijden op te wijzen – maar béter doen dan vorig seizoen, laat staan winnen, dat is er nog niet van gekomen. Daar zit de twijfel, en die moet hij nu proberen weg te werken.

Skeelerplaatjes

Het hightechpak van rubber en latex spant als het vel van een worst om Swings’ lijf. Schaatsen is voor 30 procent aerodynamica, maar daar veegt hij vandaag zijn voeten aan. Hij zet een gebreide muts op en doet een zwart kraagsjaaltje van fleece om. Hij is de enige man op de piste die zo’n sjaaltje draagt. Stoer is het niet, misschien vinden de echte schaatsbinken het zelfs wat gay, maar dat kan hem niet schelen. Kou is kou, en een inlineskater houdt van warmte. Avondritten in de zwoele Zuid-Amerikaanse lucht van Cali, Colombia, en meisjes met minirokken in het publiek: dáár gaat zijn hart van springen – niet van koude toertjes aan de voet van een mistige Beierse alp en mannen met mutsen die toekijken.

Bart Swings schaatst met de besten mee, maar is nog altijd een fanatieke inlineskater. Nooit zal hij – de man met twaalf gouden WK-medailles – de wieltjes vaarwel zeggen. Het rijden in een nerveus krioelend peloton, het duwen en het wringen, het tactische spel, de camaraderie die bij de subcultuur van het skeeleren hoort: het is hem allemaal op het lijf geschreven. In tegenstelling tot het eenzame vechten tegen de tijd en de afstandelijkheid van de geïnstitutionaliseerde topsport. Schaatsen doet hij omdat er iets aan te verdienen valt. Geen geld, maar eer. Was inlineskaten erkend door het Internationaal Olympisch Comité, dan had Bart Swings hier nooit gestaan, in deze Max Aicher­ Arena waar het wemelt van de sterren. Dat zegt hij zelf. Bart Veldkamp: ‘Elke dag zitten hij en zijn vrienden op het internet skeelerplaatjes te bekijken. Wieltjes. Onderstellen. Skaters. Nooit zie ik eens een schaatser voorbijkomen.’ Veldkamp begrijpt het amper.

‘Ik denk niet dat Bart na zijn carrière ooit nog voor zijn plezier zal gaan schaatsen,’ zegt zijn andere trainer, Jelle Spruyt. Hij begrijpt Swings wél, want hij is zelf een gewezen skeelerkampioen en begeleidt Swings al sinds zijn achtste.

‘En toch hou ik steeds meer van het ijs,’ zegt Bart Swings. ‘Van het gevecht tegen mezelf, van het pure tijdrijden, van de eerlijkheid van die sport. Ik heb skeelerwedstrijden gewonnen waarin ik niet de beste was. In het schaatsen is dat uitgesloten. Ik weet nu al: als ik in Sotsji niet mijn beste 1.500 meter van het seizoen rijd, mag ik het podium vergeten.’

Luciferbeentjes

Bart Swings staat op van zijn metalen bankje. Hij ziet er niet uit als een schaatser, zelfs niet als een atleet, met dat schriele bovenlijf van hem. De carrure van één van zijn concurrenten op de 1.500 meter, de Hollandse macho Koen Verweij: daar kan een verdedigend middenvelder in het voetbal nog mee aan de slag. En in het lichaam van Sven Kramer zou een forward in het basketbal zich snel thuis voelen. Maar het frame van Bart Swings? Daar kun je alleen een klimmertje uit een wielerploeg voor beloften een plezier mee doen.

In zijn schaatspak oogt hij nog brozer. Het is blauw van kleur, maar een blauw zó licht dat het bijna wit wordt. Wit als bevroren lucht, blauw als bevroren water. Bart Veldkamp heeft de kleur gekozen: de trainer die ook teammanager is, heeft oog voor bijna alles, ook voor stijl. Straks, als Swings met brede halen over het ijs glijdt, zal het lijken alsof hij één is met de baan, een geest van vrieskristallen die uit het gladde oppervlak opdoemt – maar nu lijkt hij toch vooral op een jongen in een babypakje.

Echt groot is Bart Swings ook al niet, met zijn 1,78 meter. Op zich niet zo vreemd voor een schaatser, maar meestal zijn de kleinere exemplaren sprinters. Dikbillen. Mannen en vrouwen met konten waarop je een tafeltje voor één kunt dekken. De musculus glutaeus maximus in al zijn glorie, de grootste spier in het mensenlichaam, de pneumatische hamer waarmee ­Johan Museeuw kasseien tot stof stampte, de springveer die Serena Williams naar het net slingert. Bart Swings heeft met moeite een poep en zijn dijen meten 59 centimeter links en 58 centimeter rechts. Lucifers.

En toch gaat hij hard. Raadselachtig, als je niks van schaatsen kent. Als je wél iets van schaatsen kent, en je bent ook nog eens een concurrent van Bart Swings, dan wordt het angstaanjagend. Want dan besef je dat het die techniek van hem is – nu al abnormaal zuiver voor iemand die pas op zijn twintigste op het ijs is beland – en weet je dat die de komende maanden en jaren alleen maar zuiverder kan worden. Dan snap je dat het die longen van hem zijn, die maar niet stuk willen, en die bedrieglijk dunne spieren die tjokvol power zitten. Als Bart Swings de 1.500 meter rijdt, verzuren zijn bovenbenen amper, terwijl die van zijn tegenstanders op ontploffen staan. Op de 5.000 en de 10.000 meter worden ook zijn bovenbenen beton en krijgt hij met moeite de ene voet voor de andere gezet. Dan kijkt hij met opzet naar het grote scorebord om toch maar één fractie van een seconde niet aan de pijn te denken, ook al betekent die kin omhoog een fractie van een seconde tijdverlies.

Schaatsen is pijn, zegt iedereen die het kan weten, maar op de 1.500 meter voelt Bart Swings dus helemaal niks. Nog niks, want ooit moeten zijn billen en dijen op die afstand wél vollopen met melkzuur. Dat weten ook zijn concurrenten. Ze weten zelfs wanneer het zal gebeuren: als die Swings nog harder gaat rijden dan nu.

Ze weten veel, de concurrenten, maar hoopgevend is het allemaal niet. Zo weten ze bijvoorbeeld ook dat er een hoofd op Bart Swings staat. Een winnaarskop. Daar zijn ze zelfs zeker van. Onder die kop, op de schouders van zijn pak, staat in grote letters ‘Stressless’ en dat woord staat er niet voor niks, beseffen zijn tegenstanders. Ja, het heeft de Noors-Nederlandse meubelfabrikant meer dan 100.000 euro aan sponsorgeld gekost, maar dát bedoelen ze niet. Dat Bart Swings van ijs is: dáár verwijzen ze naar. Van het soort dat beter rijdt als de druk toeneemt. Het type atleet dat nooit dichtklapt van de stress, dat nooit opgeeft. Bart Swings weet dat ook van zichzelf. Hij houdt van stoom op de ketel. Hij houdt van aandacht. Hij houdt van competitie. Hij houdt van dat nijdige baasje in zichzelf dat het haat om te verliezen.

Toen hij nog een kind was, werd hij koleirig als hij verloor. Eén keer gooide hij zelfs zijn helm naar een scheidsrechter. Dat lijkt veranderd – Swings reageert nooit meer kinderachtig als hij verliest – maar diep vanbinnen is hij datzelfde jongetje gebleven. Hij wordt nog altijd ziek van verliezen.

Pinguïn

Bart Swings haalt de beschermhoezen van de messen en stapt de arena in. Pat Benatar heeft het over een battlefield. Schaatsen doet hij nog niet meteen, hij glijdt eerst rondjes op de binnenbaan, helemaal rechtop, en nog altijd ziet hij er niet uit als een schaatser. Een schaatser die zich met gestrekte benen en rechte rug over het ijs laat schuiven, wuift als een rietstengel in een zacht briesje, je merkt amper dat hij af en toe zijn lichaamsgewicht verplaatst, maar bij Swings heeft het iets schokkerigs.

Als hij achteromkijkt, ziet hij zijn twee ploegmaten van Team Stressless in de snelle baan. Maarten Swings – zijn twee jaar oudere broer, top in het skeeleren, niet in het schaatsen – en Mathias Vosté, een negentienjarige shorttracker en inlineskater uit Brugge die dit seizoen zijn eerste, beloftevolle stappen op de lange baan zet. De derde man in het treintje is de Franse sprinter Ewen Fernandez. Ook hij traint in Inzell met de Belgen mee. Bart Swings ziet het trio naderen en maakt zich klaar om aan te sluiten. Hij buigt licht zijn rug en duwt af met één been. Hij zwaait met zijn armen. Hij zakt in hurkzit en buigt zijn rug in een hoek van negentig graden. Het heeft één seconde geduurd, maar nu is Bart Swings helemaal een schaatser.

En wat zijn schaatsers mooi. Ze gaan hard – tot 52 kilometer per uur op de 1.500 meter – maar alles wat ze doen, ziet eruit als slow motion. Ze zien af, maar niks van wat ze doen lijkt inspanning te vergen. Ze glijden en zwaaien, en weinigen glijden en zwaaien zo mooi als de schaatser Bart Swings. De schaatser van wie concurrenten volgens Bart Veldkamp zeggen: ‘Hoe doet hij dat toch?’ De schaatser die Veldkamp zelf voor het eerst aan het werk zag in 2011. Hij was toen nog coach bij het Nederlandse topteam TVM, de ploeg van Kramer en Wüst, en tikte meteen zijn collega-trainers op de schouder: ‘Let maar op. Dat wordt een hele goeie.’ Voor het ijs geboren. Stijlvast, snel, sierlijk, sterk.

Eigenlijk heeft hij alles, behalve ervaring. ‘Als je puur naar zijn schaatskilometers kijkt, zit ik echt met een tiener opgescheept,’ zegt Bart Veldkamp. ‘Een prille tiener, zelfs. Dat zo iemand aan de Spelen meedoet, is op zich al redelijk uniek. Maar dat hij ook medaillekandidaat is, is helemaal uitzonderlijk. Logisch zou zijn dat hij pas over vier jaar voor het podium strijdt. Dat was ook het plan toen ik met hem begon te werken. Maar dat is nou net het mooie aan de Spelen: die zijn niet altijd logisch. Altijd zie je er exceptionele dingen. En als iemand in staat is tot exceptionele dingen, dan is het Bart wel. Al kan-ie net zo goed tiende eindigen. Want dat mogen we niet vergeten: Bart is een topatleet, maar aan de top van zijn kunnen zit hij nog lang niet. Kan ook niet: hij is nog maar tweeëntwintig. En als schaatser niet eens vijftien.’

Dat is wat Bart Veldkamp zegt.

En dit is wat Bart Swings zegt: ‘Ik ga niet naar Sotsji om top tien te rijden. Ik ga voor een medaille. Voor minder doe ik het niet. Of me dat lukt, weet ik niet, en misschien zal ik achteraf ook wel vrede kunnen nemen met een vierde of een vijfde plaats, maar nu tellen alleen plaats één tot drie.’

Niet denken, maar knallen

Bart Swings schaatst nu aan de kop van zijn kleine ploeg, dat als een kort lint achter hem aan zweeft. Voor hem uit rijden de mannen van TVM. Kramer, Verweij, Bob de Jong ook, al jaren een held op de 10.000 meter. De Jong laat een stevig nekmatje groeien. Niet als eerbetoon aan de conciërge van de Max Aicher Arena, maar om de knik op te vullen die tussen zijn achterhoofd en bovenrug gaapt wanneer hij de schaatshouding aanneemt. Die knik is niet aerodynamisch en kost je op 10 kilometer seconden. De leegte opvullen met karton of stof, zoals vroeger weleens gebeurde, mag niet meer. Zelfs extentionszijn door het reglement verboden, alleen eigen haar mag. Dus kweekt De Jong een tapijtje.

Swings volgt zijn voorbeeld niet. Er zijn grenzen, ook voor superambitieuze topsporters. Hij kijkt vooral naar Sven Kramer en – in het groepje van de Russen – Denis­ Joeskov, twee specialisten op het vlak van bochtenwerk. Wie in Inzell niet steelt met zijn ogen is een dwaas. Gratis masterclass. Twee dagen duurt ze nu en Swings zegt dat het al iets oplevert. ‘Bart (Veldkamp) legt het perfect uit, maar de perfectie met eigen ogen zien, daar leer je nog altijd het meeste van.’

Bart Swings heeft nu genoeg rondjes gereden om helemaal in zijn ritme te zitten en begint aan de individuele training. Vier keer starten en vijf keer 200 meter sprinten met vliegende start. De eerste twee sprints zien er geweldig uit. Je hoort bijna hoe hij de lucht snijdt. In de bochten lijkt hij weer aan die lange zwarte band te hangen waar hij tijdens de opwarming aan sleurde. Er gaat kracht vanuit, en snelheid. Zegt de leek. Maar de chrono zegt iets anders. Slechte tijden. Deze Bart Swings is niet klaar voor Sotsji.

Bart Veldkamp gaat naast Swings glijden en praat op hem in. Hij weet wat er scheelt. ‘Eén van Barts sterkste punten is dat hij heel lang cognitief kan schaatsen: hoe hard hij ook afziet, hij kan blijven nadenken, blijven focussen op zijn techniek, uitvoering, dosering. Maar soms is dat ook zijn zwakte. Zeker in de sprint moet je op een gegeven moment stoppen met denken en je lichaam en je instinct het werk laten doen. Sprinten gaat zó hard dat je centrale zenuwstelsel die cognitieve aansturing niet meer kan volgen. Het remt je gewoon af.’

Tegen Swings zegt hij: ‘Je wil het te mooi doen, te netjes. Ga nou gewoon ’ns heel lelijk schaatsen. Maakt niet uit of het technisch goed is: niet denken, alleen maar rammen!’ Ze komen bij Jelle Spruyt gegleden. ‘Gewoon knallen, Bart,’ zegt hij, ‘zoals in een massasprint bij het inlineskaten.’ Dat is een goeie zet. Haal de skeelers erbij! Bart Swings pikt er meteen op in. ‘Zoals die keer op het EK Marathon in Nederland.’ Nu is het Bart Veldkamp die meteen reageert. ‘Ja, doe maar, haal dát moment maar boven als je rijdt.’ Het is niet de eerste keer dat Bart en zijn coaches dit gesprek voeren. Na het EK Allround in Hamar, nog geen twee weken geleden, ging het ook al over rammen en knallen. Swings is normaal een snelle leerling, maar deze les gaat er net iets moeilijker in. Hij weet waarom. ‘Omdat ik me op het ijs nog altijd niet 100 procent op mijn gemak voel. Skeeleren doe ik zonder nadenken, daar durf ik me wel te gooien.’

Zoals je van een student burgerlijk ingenieur uit een familie van burgerlijk ingenieurs (vader, broer, zus) zou kunnen verwachten, houdt Swings van wikken en wegen, van cijferen en rekenen. Bedachtzaam zou zijn tweede naam kunnen zijn. En net daarom houdt hij ook zo van skeeleren, die arena waarin hij zich wild kan smijten en alleen maar zijn gevoel durft te volgen, die momenten waarop hij niks tegenhoudt en de emotie vrij door zijn lijf laat stromen. Hij voelt zich niet gevangen in die voorzichtigheid, zegt hij, maar het doet wel deugd om er af en toe uit te breken. ‘Maar bij het schaatsen lukt me dat maar zelden. Ik denk voortdurend aan mijn houding, aan hoe ik mijn voeten moet zetten, aan van alles en nog wat eigenlijk.’

Bart Veldkamp zegt dat er meer aan de hand is. ‘Bart is een perfectionist. Hij weet dat je het hardst gaat als je techniek zuiver is. En hij wil die techniek niet voor 80, maar voor 99 procent zuiver hebben. Maar dat zal hem niet lukken. Kan gewoon niet. Niet dit jaar, wellicht ook niet volgend jaar. We zijn op een punt gekomen dat Bart het moet doen met wat hij hééft. Als het niet gaat zoals het moet, dan moet het maar zoals het gaat.’

The Final Countdown

Bart Swings trekt zich opnieuw op gang op de ijsbaan van de Max Aicher Arena. ‘Here I go again on my own,’ zingt David Coverdale, de opperpoedel van Whitesnake. Maar Swings is niet alleen. Hij zit in een peloton van inlineskaters en samen gaan ze de laatste ronde van een marathon in. Nu moet hij ze afmaken, die concurrenten. ‘Dit is jouw bocht,’ roept Veldkamp , ‘neem hem!’ Zijn kreet echoot door in het hoofd van Bart Swings. ‘Neem hem, hij is van jou!’ Swings denkt niet aan zijn techniek, nu, hij denkt niet eens aan schaatsen. Aanvallen doet hij. Wow, die bocht ging snel. Zijn ogen kleven nu aan de meet. Hij hoort niks meer. De wind die in zijn oren suist, de metalen klak van de klapschaats, zijn eigen ademhaling: alle geluid is verstomd. Hij klieft over de meet. Bolt uit, neemt de hand van Bart Veldkamp om af te remmen. ‘Het voelde wel snel,’ zegt hij. Het wás snel. ‘Doe het zo meteen nog een keer zo,’ zegt Veldkamp. Even later doet Swings exact wat Bart Veldkamp heeft gevraagd. Deze Bart Swings is wel klaar voor Sotsji.

‘Agressie,’ zegt hij. ‘Die heb ik nodig. Je zou het van mij misschien niet verwachten, maar zo is het wel.’ Hij glimlacht erbij, de brave student, de ideale schoonzoon. ‘Ik snap de ongerustheid van Bart, maar zelf maak ik me minder zorgen. Als ik geen wedstrijd rijd, moet ik heel hard mijn best doen om die agressie op te wekken. Maar tijdens de competitie komt ze vanzelf. Zo is het altijd al geweest en zo zal het in Sotsji ook zijn.’

Want Bart Swings, de bescheiden Bart Swings, die wil maar één ding. ‘De beste zijn. Beter dan mezelf, beter dan de rest. Ik weet nu al dat ik na mijn sportcarrière ook als ingenieur een topcarrière zal nastreven. Zo zit ik gewoon in elkaar. Sommige atleten zijn zo omdat ze revanche willen nemen op het leven. Bij mij is het net andersom. Ik heb zo’n goed leven gekregen, dat ik me bijna verplicht voel om er het maximum uit te halen en iedereen te bedanken die me dat leven heeft bezorgd. Mijn ouders hebben me nooit gepusht, niet in mijn studies, niet in mijn sport, ik heb een prachtige broer en zus die me altijd hebben geholpen en gesteund: die mensen verdienen het gewoon dat ik hen blij maak. En dat ik mezelf blij maak.’

De schaatsers stappen van het ijs. De conciërge rijdt zijn ijsdweilmobiel de Max Aicher Arena op. Hij glimlacht. Bart Swings ook. It was a good day at the office. Volgens Europe is ‘The Final Countdown’ begonnen.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De Persgroep Publishing heeft haar Privacy– en cookieverklaring aangepast.
Wij gebruiken jouw persoonsgegevens vanaf nu ook om de Diensten van MEDIALAAN Groep/De Persgroep Publishing te optimaliseren en deze waarvoor jij kiest te personaliseren.
Door op “verdergaan” te klikken of door verder te surfen, erken je deze aangepaste Privacy– en cookieverklaring gelezen te hebben.

Verdergaan