In de ebolakliniek: het dagboek van verpleegster Jolien Colpaert

, door (nc)

5
EbolaVrij
© Belga Image

Herlees hier het dagboek dat ze voor Humo bijhield: ‘Een meisje van 2 sterft in mijn armen. Ik onderdruk mijn tranen, heb zelfs geen tijd om te treuren, want de andere kinderen moeten dringend drinken. Elke keuze die ik hier moet maken, is een klotekeuze. Dit is zo oneerlijk.’

'Waar ebola heerst, is elke menselijke aanraking taboe. Zélfs om te troosten'

Vrijdag 12 september – zondag 14 september Bewondering & medelijden

We vertrekken met z’n tienen naar de kliniek in Sierra Leone. Vlak voor we het vliegtuig opstappen, geven we elkaar nog een laatste groepsknuffel. Op onze bestemming zullen we geconfronteerd worden met ebola, het meest dodelijke virus dat er is. Eenmaal daar zal dus één gouden regel gelden: géén lichamelijk contact.

Dit wordt de kortste missie die ik al gedaan heb voor Artsen Zonder Grenzen. Dat is een bewuste keuze: we zullen erg lange dagen maken, de stress zal groot zijn en we mogen vooral geen fouten maken. Ook niet door vermoeidheid.

Zodra we in Freetown, de hoofdstad van Sierra Leone, geland zijn, ben ik me meteen hyperbewust van iedereen rondom mij. Hou afstand, raak niets of niemand aan als het niet moet: ik blijf het in mijn hoofd herhalen. Zelf gezond blijven is essentieel op deze missie. Dit worden zes weken waarin ik mij ongelooflijk bewust zal zijn van alles wat ik doe. Ebola kan in elk verborgen hoekje schuilen, dus ik dénk er niet aan om risico’s te nemen.

Die eerste avond kijk ik naar de lokale vissers, de spelende kinderen op het strand, de werkende jongeren, de mama’s met hun baby’s. Ik voel tegelijk bewondering en medelijden. Wat als dit mijn thuis zou zijn? Wat als ik voortdurend met de angst zou moeten leven dat het noodlot elk moment kan toeslaan?

Ik weet het zeker: dit is de missie die ik wil doen. Ja, ik ben bang, maar de overtuiging dat ik hiermee het verschil kan maken weegt zwaarder door. Misschien is het maar een klein verschil, maar kun je het redden van een mensenleven, ook al is het er maar één, klein noemen?

Twee dagen reizen later zijn we in de ebolakliniek in Kailahun, het eindpunt. Links zie ik een parking, een keuken, het ‘risicovrije’ hotel. Rechts: de tenten waar ebolapatiënten worden opgevangen. Daar heeft iedereen een groen of blauw pak en laarzen aan. De kliniek lijkt op een gewoon ziekenhuis, met dit essentiële verschil: de patiënten zitten strikt afgescheiden. Je kunt hen enkel bereiken als je een beschermend veiligheidspak hebt aangetrokken.

Maandag 15 september Vogel voor de kat

De eerste dag stromen er maar liefst 28 nieuwe patiënten toe. Ze hebben al een rit van meer dan twee dagen in de ambulance achter de rug; drie van hen hebben dat niet overleefd. De opname verloopt erg chaotisch: hoe moeten we dit organiseren?

De eerste patiënt, een oudere man, strompelt uit de ambulance, verliest bijna zijn evenwicht en kan zich nog net aan de omheining vastgrijpen. Ik begrijp van de lokale medische ploeg dat hij bijna niet meer kan zien en erg verward is. De man probeert zijn stoel te bereiken, grijpt ernaast en valt op de grond. In een reflex wil ik over de dubbele omheining kruipen en hem te hulp snellen, maar met een schok besef ik weer: ‘Dit is ebola. Te gevaarlijk als je je pak niet draagt’, en ik blijf waar ik ben. Het beeld van de man op de grond zal door mijn hoofd blijven spoken.

Daarna volgen een 40-jarige kloeke man en een jongen van 14 die voor zich uit staart, wankelend op zijn benen. Een meisje van 6 zoekt in paniek naar haar mama. Als ik een halfnaakte jonge vrouw zie zwalpen, haar ogen rood en haar mond vol bloed, schiet een opmerking van iemand in Brussel door mijn hoofd: ‘Na een tijdje herken je ebolapatiënten aan hun blik.’ De lokale verpleegkundigen deinzen terug als ze de vrouw zien. Ze zit in de laatste fase. Hier baat nog weinig hulp. De gedachte is cru, heel cru, maar hier is het de keiharde realiteit. Als er plots 28 patiënten tegelijk aankomen, weet je dat enkel de sterksten het zullen halen. Er is geen tijd om deze vrouw non-stop tot eten en drinken te dwingen. Ze is een vogel voor de kat.

Wat mij zo mogelijk nóg harder raakt, zijn de kinderen: zes kindjes van ongeveer 10 jaar, en één baby’tje van 5 maanden. Enkelen begeleid door hun ouders, anderen helemaal alleen. Soms moesten de ouders thuisblijven omdat ze (nog) geen symptomen hadden, soms zijn ze zelf al opgenomen, soms zijn ze dood. Ebola rukt hele gezinnen uit elkaar. Hoe groot is de kans dat zo’n gezin weer herenigd wordt? Iedereen hier kent het antwoord.

Hoe chaotisch de opname ook verloopt, het lukt ons toch om elke patiënt een uniek nummer te geven. Patiënten van wie duidelijk is dat ze ebola hebben, worden meteen naar de zone voor de ‘waarschijnlijke’ gevallen gebracht; de anderen gaan naar de ‘verdachte’ zone. Om halftien sluiten we af. Ik vraag me bang af hoeveel patiënten de ochtend zullen halen.

Dinsdag 16 september In de hoogrisicozone

Het is zover, ik moet voor het eerst mijn beschermende pak aan. Twee mensen mogen vandaag vertrekken, één patiënt wordt opgenomen. Ik kleed me rustig om. Alles aantrekken duurt tien minuten, zo strikt zijn de regels. De dingen moeten in de juiste volgorde gebeuren, de lintjes moeten aan elkaar geknoopt worden, er mag geen millimeter huid onbedekt blijven. Boven mijn groene verpleegpak met witte laarzen moet nog een extra paar blauwe handschoenen, een gele overall, een eendenbekmasker, een hoofddoek met extra masker, een plastic schort, nog een paar handschoenen en ten slotte de fameuze duikbril.

Timing is belangrijk. Als je binnengaat met je buddy, moet je ervoor zorgen dat je samen klaar bent, anders staat de ander vijf minuten langer te zweten. En geloof me, vijf minuten langer in zo’n pak is écht lang.

Daar ga ik, samen met twee collega’s. De ene is de zogeheten ‘dirty’ verpleegkundige, die rechtstreeks met de patiënten en met besmet materiaal in aanraking komt, de andere de ‘cleane’. Ik beweeg me traag in deze hoogrisicozone. Ik moet opletten dat ik in niemands weg loop, maar alles toch goed kan volgen. We hebben twee plastic zakken vol propere kleren bij. De ‘dirty’ verpleegster vraagt een man om zich in het douchehok uit te kleden. Hij mag vandaag vertrekken. Drie ingepakte gele mummies kijken nauwgezet toe of hij zich wel goed wast. Daarna krijgt hij een handdoek toegeworpen, slippers, een onderbroek, een T-shirt en een broek. Ondertussen worden al z’n andere bezittingen besproeid met een chlooroplossing. Alles wordt weggegooid en zal uiteindelijk verbrand worden.

Na tien minuten druppelt het zweet al langs mijn rug. Mijn bril raakt bedampt, het masker benauwt me, ik moet me concentreren om rustig te blijven in- en uitademen.

De man is klaar. Het hek wordt geopend, hij is weer vrij. Al riskeert hij voor die vrijheid een zware prijs te moeten betalen: in sommige dorpen worden patiënten bij hun terugkeer verstoten. Daarom begeleiden gezondheidsmedewerkers de meeste ontslagen patiënten weer naar hun dorp. Daar leggen ze uit dat die ex-patiënten geen gevaar meer vormen. Geregeld is dat tevergeefs.

Ik blijf hooguit een uur in de hoogrisicozone, maar ik ben ontzettend blij wanneer ik me weer mag uitkleden. Veel langer dan een uur, anderhalf uur kún je er gewoon niet binnen blijven, het is te uitputtend. Ik moet me omkleden en concentreer me op het advies uit Brussel: kleed je rustig uit, denk aan het trage ritme van het stripteaseliedje ‘You Can Leave Your Hat On’. En vooral: geen contact met de blote huid! Eerst worden mijn handen besproeid, daarna word ik – met de armen en benen gespreid – van boven tot onder, van voren naar achteren met chloor besproeid. Ik volg de orders zo nauwgezet mogelijk, dit vind ik het moeilijkste deel. ‘Handschoenen uit. Handen wassen. Schort uit. Handen wassen. Veiligheidsbril af. Handen wassen. Masker af. Handen wassen. Nog eens handen wassen. Volgend masker af. Handen wassen. Tweede paar handschoenen uit.’

Nu mag ik even mijn handen niet wassen, ik moet eerst de ‘grens’ oversteken van de hoog- naar de laagrisicozone. Mijn laarzen worden eerst zijdelings besproeid. Ik draai me om, ga op één been staan. De eerste zool wordt gereinigd, ik mag overstappen op mijn andere been, de volgende zool wordt afgespoeld. En dan sta ik – eindelijk – aan de veilige kant. Nu nog enkel mijn handen wassen met chloorwater. Mijn verpleegpak is doorweekt, ik snak naar een droog verpleegpak en mijn liter rehydratatie-oplossing.

Dinsdag 16 september, later op de dag Stilletjes sterven

Ik ga opnieuw de hoogrisicozone in om de allerkleinsten melk en elektrolytenwater te geven. Die kleintjes liggen hier vaak moederziel alleen in hun bed. Zonder ouders, zonder verzorger. Het derde patiëntje is een meisje van 2, ze is hier gisteren aangekomen. Haar papa is hier ook, maar verblijft in de ‘verdachte’ zone – zijn ebolatest was nog niet positief. Het meisje is onmiddellijk van haar vader gescheiden. Hoe hard ook, het moest. Haar viruswaarden waren veel te hoog.

De peuter ligt in een houten box om te vermijden dat ze zou gaan rondkruipen. Hoeveel uur ze hier al alleen ligt, weet ik niet. Hoelang het geleden is dat ze gegeten of gedronken heeft? Geen idee. Ik zie alleen dat ze dringend gewassen moet worden, maar daar is geen tijd voor. Ik heb misschien anderhalf uur, niet langer. Als ik te lang bij haar blijf, komen de andere kinderen die ook nog melk moeten krijgen in de problemen.

Ik til het meisje voorzichtig uit de houten kribbe en neem haar bij me op schoot. Ik weet dat je hier beter niet gaat zitten, maar ik heb een stoel met chloor besproeid. Het meisje stribbelt wat tegen. Lepel per lepel geven we haar melk, maar ze slikt moeilijk. Haar ademhaling is snel en onregelmatig.

Terwijl ik haar verder probeer te voeden, merk ik dat haar oogjes beginnen weg te draaien. Haar pols wordt zwakker. Ik blijf proberen, maar na een poosje sluit ze haar ogen. Ik voel geen polsslag meer. Het meisje sterft in mijn armen.

Met tranen in mijn ogen leg ik haar terug in haar box. Ik wil nog even bij haar blijven, vind het vreselijk om haar alleen te laten, maar ik moet wel. Er is geen tijd om te treuren, de andere kindjes moeten drinken. Op automatische piloot werk ik de melkronde verder af, ik probeer mijn tranen te verbijten. Als ik, eenmaal buiten, rapporteer aan Jane, de hoofdverpleegkundige, krijgt ook zij tranen in haar ogen, maar ze troost me. ‘Ze is tenminste niet alleen gestorven.’

Vrijdag 19 september Vader met virus

Vandaag bezoek ik de patiënten samen met Gloria, de teamleidster van onze lokale, Sierra Leoonse medische ploeg. Als we wat tijd over hebben, vraagt ze plots of het goed is dat ze haar vader even bezoekt. Ik schrik. Heb ik dat nu goed begrepen? Bevindt haar vader zich hier in één van onze tenten? Ze knikt. Uiteraard sta ik haar toe om even met haar vader te praten. Zij in haar veiligheidspak, hij overgeleverd aan het virus.

Zondag 21 september Een riskante bevalling

Vanmorgen moet ik toezien op de hygiëne en controleren waar alle patiënten zich bevinden. Als ik net in de zone met ebolapatiënten ben, roept iemand me. Of ik een overlijden kan komen vaststellen? Ze hebben een man gevonden die onbeweeglijk op zijn stoel zit, zijn hoofd naar achteren gekanteld, zijn ogen en mond opengesperd. Als ik bij de man kom, zie ik mijn vrees bevestigd. Het is de vader van Gloria. Hij is dood.

Weer buiten de hoogrisicozone neem ik Gloria even apart. Ik vraag of ze nood heeft aan enkele dagen vrijaf, of ze misschien naar huis wil. Ze schudt het hoofd. Heel haar familie staat onder quarantaine in haar dorp, ze heeft hen al enkele weken niet meer gezien. Ze kán zelfs niet naar hen toe. Ze is hier helemaal alleen in Kailahun.

‘Ik wist dat mijn vader waarschijnlijk zou sterven,’ zegt ze. ‘Straks zal ik mijn familie bellen om het hen te vertellen, maar eerlijk? Daarna zou ik liever weer aan het werk gaan.’ Ik weet even niet hoe ik moet reageren. Dit antwoord had ik niet verwacht. Ik zou haar graag even omhelzen, maar ik weet dat ik haar geen knuffel mag geven. Waar ebola heerst, is elke menselijke aanraking taboe. Zélfs om te troosten. Ik voel me onwennig, vind uiteindelijk toch de juiste woorden. Gloria gaat meteen weer aan de slag. Ongelooflijk wat deze mensen meemaken en hoe ze daarmee omgaan.

Ebola maakt erg veel slachtoffers, maar bij zwangere vrouwen is de dodentol zo mogelijk nóg hoger. Als zij besmet raken met het virus overlijden ze zo goed als altijd. In ons ebolacentrum verblijven twee zwangere vrouwen. Eén zwangerschap is voldragen, de andere vrouw is zeven maanden ver. De eerste vrouw is enkele dagen geleden toch genezen verklaard, maar was erg verzwakt.

Nu ze de voorbije dagen wat op krachten is gekomen, besluit de vroedvrouw dat ze klaar is om te bevallen. Maar ook al is ze aangesterkt, de bevalling blijft erg riskant. En ook al is de vrouw ebolanegatief, haar foetus is zeker wél besmet. Het kindje is enkele dagen geleden al gestorven in haar buik.

Vanwege die risico’s zullen de vroedvrouw, de dokter en enkele verpleegkundigen de medicatie nauwgezet monitoren en de hartslag van de moeder permanent controleren. Verder kunnen ze niet anders dan toekijken hoe deze zwangere vrouw alleen bevalt. Hoe hard en eenzaam moet het zijn om je doodgeboren kind ter wereld te laten komen, omringd door vreemde gele mummiemannetjes?

Ook al is het kindje overleden, toch is dit positief nieuws: het is de eerste keer dat een zwangere vrouw in Sierra Leone ebola én ook de bevalling overleeft. Dankzij de geweldige begeleiding van onze vroedvrouw Ruth en haar team hebben we de mama kunnen redden en haar kunnen herenigen met haar andere kinderen. Iets wat onmogelijk leek, is toch gelukt! Aan die kleine lichtpuntjes trek ik me op.

Maandag 22 september Volgestouwde ambulances

De namiddagshift is kalm tot om 18 uur plots twee volgestouwde ambulances arriveren: achttien patiënten in één klap. Het moet een helse rit geweest zijn: elf mensen op elkaar gepakt in een verduisterde, niet-geventileerde jeep. Uren- en urenlang zonder water, zonder eten. Eén patiënt is onderweg gestorven en als een beest in een hoekje gegooid.

Telkens als de deuren van ambulances opengegooid worden, is het bang afwachten: wat gaan we te zien krijgen? In welke toestand bevinden de patiënten zich? Hoeveel mensen hebben het niet eens tot hier gehaald?

Dinsdag 23 september Machteloos

Wat een drukte! Ik moet voor het eerst bloed prikken. Door de toevloed van gisteren moet zeker bij dertig mensen bloed afgenomen worden, maar ik hou het voorlopig bij zes patiënten en geef niet toe aan de druk om er meer te doen. De risico’s zijn echt te groot.

Dit is op zich leuk werk: mijn zes patiënten zijn blij, ze zijn bijna genezen. Ze weten dat dit misschien weleens de dag van hun vertrek zou kunnen zijn. Met de bloedafname willen we checken of ze al ebolanegatief zijn.

Mijn eerste bloedafname mislukt. Ik moet opnieuw prikken. Vreemd genoeg ben ik niet nerveus. Het is lastig met die dubbele handschoenen. Het risico om jezelf te prikken is groot. Oef, de tweede prik lukt wel. Na afname worden mijn handen meteen besproeid met chloor. Daarna behandelt mijn collega het bloedbuisje, de binnenkant van het labozakje, de buitenkant en de stoel van de patiënt.

Bij de laatste twee patiënten, kinderen van bijna 12 jaar, spelen de zenuwen me wel parten. Oké, rustig in- en uitademen. Gelukt, ik krijg mijn tubes gevuld bij de eerste poging. Ik sta er zelf van versteld hoe rustig ik blijf bij deze riskante techniek.

Ook al zou ik nog meer kunnen én willen doen, ik besluit mijn energie te sparen en trek mijn pak weer uit. Het is soms zo frustrerend hoe weinig je binnen maar kunt doen, terwijl de nood zo hoog is. Gelukkig kan ik even bekomen, want tijdens deze shift moet ik nog twee keer naar binnen. Eerst voor een ronde met melk en hydratatieoplossing. We willen beter controleren of iedereen – zeker de kinderen zonder ouders – genoeg vocht binnenkrijgt.

De melkronde verloopt moeizaam. Een jongetje van 6 weigert te drinken. Terwijl ik ga zitten om hem veilig te kunnen vasthouden, probeert mijn buddy de melk intussen beetje bij beetje in zijn mond te gieten. Maar het jongetje blijft het vocht uitspuwen. Hij slikt hooguit enkele geutjes in. Na tien minuten moeten we de knoop doorhakken: dit gaat niet lukken. De keuzes hier zijn hartverscheurend, maar we moeten onze tijd voor de volgende vijf kinderen gebruiken.? Ik ga naar een peutertje van 1,5. Het meisje ligt te gloeien onder haar dekens. Ik trek alle beddengoed weg, neem haar veilig vast en probeer haar slok voor slok te laten drinken. Ook zij spuwt het steeds weer uit. Ik voel haar huid branden door mijn dubbele laag handschoenen heen. Gelukkig komen de artsen straks met paracetamol, maar hoe kan ik haar nu al helpen? We spoelen haar laken met koud water en wikkelen het rond haar gloeiend hete lijfje. Hopelijk biedt dat haar al wat afkoeling. Helaas is het ons niet gelukt haar te laten drinken, maar we hebben toch iets kunnen doen.

De volgende patiënt, een meisje van 10, slaapt. Ik maak haar wakker en ben opgelucht als ze haar ogen opent. Oef, deze meid is beter. Ze drinkt het grootste deel van haar melk zelfs met smaak. Enkele minuten later slaat mijn hoop weer om: het volgende meisje heeft hoge koorts en slikt met moeite een derde van de vloeistof door. Ik voel me machteloos: gisteren dronk ze nog zo goed en vandaag is het een strijd.

De tijd dringt. Nog twee patiënten te gaan. Eén kind vinden we niet, hij ligt niet in zijn bed. Meestal is dat een goed teken, maar we zien hem ook niet in de omgeving van zijn tent. We kunnen niet anders dan de melk voor hem achterlaten op tafel. Ook het laatste jongetje weigert aanvankelijk te drinken. Eén geluk: zijn mama is er. Ze weet hoe ze met hem moet omgaan, uiteindelijk drinkt hij toch alles op.

Het is vreselijk heet in dit pak. Het zweet staat in mijn duikbril, mijn masker voelt wak aan, de zon brandt boven ons. Het is tijd om eruit te stappen. Dit is zo frustrerend: ik voel dat ik op mijn eigen fysieke grenzen bots, terwijl ik zo graag langer zou willen proberen om die kinderen te laten drinken. Ik weet wat de prognose is als ze blijven weigeren. Dan vertrekken ze binnenkort in een witte bodybag met hun naam erop.

Tijd om te rusten is er niet. Gelukkig doet het elektrolytendrankje hier wonderen, na een uurtje voel ik me weer wat opgeladen. Er zijn veel nieuwkomers, we moeten snel bloed bij hen afnemen. We vermoeden dat ze ebolanegatief zijn. Hoe korter ze dan in het centrum verblijven, hoe kleiner het risico dat ze besmet raken door andere patiënten.

Het is even schrikken als ik de eerste patiënte zie. Het is mijn collega van het lokale team. Ze heeft koorts, voelt zich niet lekker. Toen ze aan het begin van haar shift haar temperatuur liet controleren, is ze meteen op standby gezet. Later is ze in de verdachte zone ingedeeld. Een week geleden werkte ze nog mee aan onze ‘veilige’ kant, nu zit ze aan de andere kant van de afscheiding.

Dit is ebola. Het maakt geen onderscheid in geslacht, ras, leeftijd, godsdienst – iedereen kan ermee besmet raken. De kans dat ze ebola heeft, is klein, waarschijnlijk is het eerder malaria. Maar ebola laat geen vergissingen toe. Je moet 100 procent zeker zijn.

Zondag 28 september Het team bodymanagement

Sinds kort krijgen we hulp van een meisje van 7, Kadiatu. Ze mag naar huis, want enkele dagen geleden is ze genezen verklaard. Maar Kadiatu verkoos in het centrum te blijven om voor haar kleine zusje, de 10 maanden oude Elizabeth, te zorgen. Zo lief.

Het gebeurt vaak dat patiënten liever hier blijven tot de andere familieleden ook genezen zijn. Voor ons kan dat: zeker bij kleine kinderen is het goed als er een bekende in de buurt blijft. Ze zijn hier al te vaak alleen. Kadiatu helpt haar zusje met drinken en roept ons als haar luier verschoond moet worden.

Vandaag staat Kadiatu ook bij het hek. De psychologe heeft haar geroepen: Elizabeth is gestorven. Kadiatu aanhoort het met een droevig gezicht, maar ze blijft kalm. Alsof ze aanvaardt dat ze sterk moet zijn, moet doen wat van haar gevraagd wordt. Waarom moet een 7-jarig kind het overlijden van haar broertje of zusje al aanvaarden?

Elizabeths lijkje wordt vrijwel meteen behandeld door het team bodymanagement. Het zal worden besproeid en verplaatst in een veel te grote witte plastic zak, waarin het kleine lijfje erg broos lijkt.

Iets later wandelt Kadiatu de hoogrisicozone uit. Alleen. Ik zie haar onwennig naar een bankje stappen. Hier moet ze wachten op de andere ontslagen patiënten van de dag. Straks wordt ze herenigd met andere familieleden. Niet haar ouders, maar een tante die ebola overleefd heeft. Ik ga naar haar toe en geef haar een stevige knuffel. Gelukkig mogen we overlevende patiënten wél aanraken. Een magere troost.

Vandaag ontmoet ik ook Warrah. Het kleine meisje testte vanmorgen positief op ebola en moet samen met enkele anderen overgebracht worden naar de zone met bevestigde gevallen. Gekleed in mijn veiligheidspak draag ik Warrah in mijn armen, maar de transfers verlopen traag. Na vijftien minuten sta ik nog steeds te wachten, het meisje begint echt door te wegen. Ik voel mijn arm verstrammen. Ik heb zin om haar op de grond te zetten, maar weet dat dat niet kan, want dan is elk oppervlak dat ze aanraakt in deze zone besmet. Dus hou ik dit prutske vast terwijl ik het zweet langs mijn rug voel lopen. Eindelijk, de colonne komt in beweging. Als ik in de risicozone enkele kinderen vraag of ze weten waar de familie van dit kleintje is, brengen ze me naar twee spelende broertjes. Hun gezichtjes beginnen te stralen als ze hun zusje herkennen. Samen brengen we Warrah naar hun papa die op zijn bed zit. Ze zijn zo blij weer bij elkaar te zijn dat ook ik moet glimlachen.

Dinsdag 30 september Dood in de douche

Vandaag neem ik een nieuw aangekomen verpleegkundige onder mijn hoede. Twee weken geleden was ik nog het groentje hier, nu lijk ik al ervaren. Het wordt druk vandaag. Er is een ambulance onderweg met veertien patiënten.

Vlak voor ik binnenga, hoor ik dat er een man gestorven is in de douches bij de tent. Of ik wil nagaan of het klopt?

Ik moet eerst melk uitdelen. Het blijft moeilijk om in te schatten hoeveel patiënten je te drinken zult kunnen geven. Nog erger is het als je moet selecteren. Wie help je eerst? Neem je de patiënten die er het ergst aan toe zijn, maar waarschijnlijk toch zullen sterven, of neem je de patiënten die het vrij goed stellen en dus meer kans hebben om te overleven? De keuzes die je maakt bij ebola zijn klotekeuzes. Ethisch is er altijd wel iets dat geen steek houdt.

Als ik klaar ben, ga ik de man zoeken in de douches. In deze zone ben ik nog nooit geweest. Daar ligt hij: zijn ledematen verstijfd, zijn borstkas roerloos, zijn mond en ogen opengesperd. Ik herken hem meteen: het is de papa van Warrah en haar broertjes.

Ik zie het hartverwarmende moment van zondag weer voor me. En dan word ik kwaad. Zo kwaad. Hoe kan het toch dat zo’n ieniemienievirus hele families kapotmaakt? Dat kinderen hun ouders verliezen, hun zusjes en broertjes? Dit is zo oneerlijk.

Bewerking: Nathalie Carpentier

Humo 3867 14/10/2014

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 14 oktober 2014

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd:

De Persgroep Publishing heeft haar Privacy– en cookieverklaring aangepast.
Wij gebruiken jouw persoonsgegevens vanaf nu ook om de Diensten van MEDIALAAN Groep/De Persgroep Publishing te optimaliseren en deze waarvoor jij kiest te personaliseren.
Door op “verdergaan” te klikken of door verder te surfen, erken je deze aangepaste Privacy– en cookieverklaring gelezen te hebben.

Verdergaan