Joost Zwagerman: 'De verdwijning van Rembrandt'

, door (jz)

17

In zijn jonge jaren oogt Rembrandt op zijn zelfportretten vaak onbevangen, verwonderd en vol bravoure. Op zijn oude dag schilderde hij bepaald ándere zelfportretten, zo blijkt eens te meer in de blockbuster ‘Late Rembrandt’, sinds eind vorige week te zien in het Rijksmuseum in Amsterdam. Die late zelfportretten tonen een nu eens gelouterde en onthechte en dan weer gekwelde en uitgebluste man. Maar vroege én late zelfportretten tonen altijd een groot zelfbewustzijn en dito innerlijke kracht.

In vergelijking met alle overige zelfportretten is de schilder op Rembrandts ‘De kunstenaar in zijn atelier’ (1629), uit zijn vroege jaren, een eigenaardig, minuscuul en bijna nietig mensje. Je herkent de schilder zelfs niet, maar algemeen wordt aangenomen dat ‘De kunstenaar in zijn atelier’ eveneens een zelfportret is, al is het dan indirect en verkapt: Rembrandt vormde zichzelf om tot een schriel wezen dat licht geïntimideerd naar het doek tegenover hem staart.

‘De kunstenaar in zijn atelier’ toont een sobere werkomgeving, op het spartaanse af. De ledenpop en het vrijwel lege atelier hebben iets sprookjesachtigs. Het mannetje in het atelier lijkt nog het meest op een marionet wiens touwtjes door de kunstenaar onzichtbaar zijn gemaakt. Alsof het zelfportret uit een prentenboek komt aangewaaid.

Het was in zijn tijd ongewoon en gedurfd dat een kunstenaar zichzelf afbeeldde op de verre achtergrond, als een bescheiden intermediair tussen de grote wereld van buiten en het kleine universum op het schildersdoek. Gewoonlijk plaatste een kunstenaar zichzelf, werkend in zijn atelier, op de voorgrond of anders wel in het hart van het kunstwerk, met schildersdoek en -ezel als decorstukken. En als het eens anders was, zoals bij Rembrandts leerling Gerrit Dou in ‘De kunstenaar aan zijn ezel’ (1630), dan nog behield de kunstenaar zijn ‘gewone’ gestalte en – het was geen minuscuuul wezentje – viel het licht niet op schildersezel en -doek, maar op het gezicht van de kunstenaar.

‘De kunstenaar in zijn atelier’ breekt met die conventies. Zonder zich te bekommeren om logica en perspectief laat Rembrandt het schildersdoek baden in het licht. Het is ook hier het bij uitstek rembrandtieke licht: goudkleurig en enigszins geheimzinnig. Met een beetje fantasie kun je veronderstellen dat het doek dit gouden licht verspreidt. Oog in oog met het canvas vormt de kunstenaar hooguit een voetnoot bij het grote verhaal dat we niet te zien krijgen: de beeltenis op het goudverlichte doek.

Rembrandt-vorser Ernst van de Wetering stelde eens vast dat Rembrandt met ‘De kunstenaar in zijn atelier’ het kunsttheoretische ideaal van de idea verbeeldde. Naar de maatstaf van de idea liet een ware kunstenaar zich niet leiden door het toeval (fortuna) of een door oefening verkregen gewoonte en vakmanschap (usus), maar louter door verbeelding, aangedreven door geestkracht.

Het idee voedt en bepaalt het kunstwerk, en de kunstenaar voert, als ‘instrument’ van die verbeelding, het idee naar beste kunnen uit. Zo bezien is ‘De kunstenaar in zijn atelier’ een even bescheiden als intellectuele plaatsbepaling, de invulling en uitbeelding van een poëtica. Het schilderij belichaamt het verdroomde ideaal van het atelier, een stil Arcadië, gezegend met het gouden licht dat het schildersdoek lijkt uit te stralen.

Bijna driehonderdvijftig jaar na ‘De kunstenaar in zijn atelier’ portretteerde de schilder Constant zichzelf in een overvol atelier. Bij Constant is het in het atelier een gezellige drukte. Tegelijk is die drukte het gevolg van kennelijk mislukte schilderijen. Tussen de schilder en het doek staat een prullenbak, uitpuilend van vernield linnen. De kunstenaar heeft eigen werk vernietigd – altijd een veeg teken. Schuin achter de schilder is een – onvoltooid? – doek van een naakt te zien, terwijl op de voorgrond een tafelblad bijna het doek uit lijkt te kantelen.

De schilder in dit atelier is níét gekrompen, op het merkwaardig kleine hoofd na. Het lichaam blijft lang en groot, het hoofdje lijkt niet meer dan de punt van een omgekeerd uitroepteken. Het kleine hoofd in combinatie met het lijzige lichaam heeft onmiskenbaar iets droevigs. We zien een kunstenaar die worstelt – en faalt.

De wil is er wel, en ook het doorzettingsvermogen, maar de idea, de verbeelding en de geestkracht, laat het in dit schilderij afweten. Het sneue hoofdje is veel te klein voor grote ideeën over kunst. Waar Rembrandt met het atelierportret een ideaalbeeld schetste, schiep Constant een schrikbeeld: deze kunstenaar is niet bij machte om te beantwoorden aan het hooggestemde ideaal van de verbeelding-door-geestkracht. Constants kunstenaar met piepklein hoofd wordt niet aangeraakt door de goden; hem rest hooguit de schouderklop van de nederige ambachtsman.

Constants ‘De schilder in zijn atelier’ is een feestelijke paradox-op-doek: het is een krachtig schilderij dat het falen van de schilder verbeeldt, een wonderwel geslaagd (zelf)portret van een dappere mislukkingskunstenaar.

‘Uiteindelijk verdwijnt iedere kunstenaar in de loop van de tijd in zijn werk,’ schreef Cees Nooteboom. Dat klopt, maar wat bedoelt Nooteboom precies met ‘in de loop van de tijd’? Wijst hij ons op het feit dat een kunstenaar zichzelf met het klimmen der jaren lijkt uit te gummen, ten dienste van zijn oeuvre? Of bedoelt Nooteboom dat iedere (grote) kunstenaar na zijn overlijden alsnog een tweede dood sterft, en wel ín zijn oeuvre, omdat een aantal van zijn kunstwerken de tijd blijkt te trotseren en ‘onsterfelijk’ blijkt te zijn?

Rembrandt is al sinds de 18de eeuw finaal verdwenen in heel zijn oeuvre; in zijn zelfportretten, in ‘De nachtwacht’ en ‘De staalmeesters’, en in talloos veel andere schilderijen. De kunstenaar zélf is schim geworden, een abstract blijvende veronderstelling over een mens van wie wij ons nauwelijks nog kunnen voorstellen dat die ook echt een feitelijk en prozaïsch leven heeft geleefd, inclusief snurken, gapen, schijten, kotsen. Bach, vloekend op de wc met constipatie, wie kan zich dat voorstellen? Goden en iconen laten nooit een wind. Zelfs een biopic tovert zo’n verdwenen kunstenaar nooit tevoorschijn. De kunstenaar blijft in oneindige herhaling in en achter zijn werken verdwijnen.

Misschien wacht in de toekomst ook Constant (1920-2005) deze tweede radicale verdwijning. Voorlopig lijkt hij die ‘tweede dood’ nog niet te zijn gestorven, terwijl zijn oeuvre er onmiskenbaar de kwaliteit voor heeft. De meeste grote kunstenaars moeten na hun overlijden nog geruime tijd wachten op die tweede dood. Postuum geduld is een schone zaak.

Misschien toont Rembrandts ‘De kunstenaar in zijn atelier’ wel een vooruitwijzing naar die zelfverdwijning. Staand tegenover het paneel is Rembrandts petieterige kunstenaar al aan het krimpen geslagen. Nog even en het kereltje verdampt. Ter plekke verdwijnt hij, in dat sobere atelier. Dan rest alleen de schim van de maker, vervluchtigd in dat wonderbaarlijke licht dat van het paneel afstraalt. De schim verricht postuum grootse prestaties. Die schim herschept de wereld.

'Late Rembrandt' loopt nog tot 17 mei in het Rijksmuseum in Amsterdam. Meer info: rijksmuseum.nl

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?