Dagboek uit Oslo: Noorwegen na de terreur

, door (ab)

Deel
22984_eilandNW.jpg

Wat is er gebeurd? Een overval? Ik hoor sirenes van naderende politiewagens. En dan rukt die hysterische foxterriër zich los en rent weg, tegen het verkeer in, in de richting vanwaar de knal kwam. Ik spurt hem achterna, zigzaggend tussen de aanstormende auto's en bussen, en word twee keer bijna overreden. Uit de tegenovergestelde richting komt een massa mensen aangelopen. Mensen met bange, bloedende gezichten, schreeuwend. Het begint me te dagen: dit was geen overval, dit was iets anders.'

Thomas Grødal (32) was alleen maar op vakantie in Noorwegen, zijn thuisland dat hij drie jaar geleden had geruild voor België. De Noorse fotograaf, schilder en conceptuele kunstenaar verhuisde naar Antwerpen om er bij te studeren aan de Academie (Artesis) en tentoonstellingen te organiseren. Maar 's zomers keerde hij altijd terug naar Oslo om er zijn vrienden te bezoeken. Daar bevond hij zich op 22 juli, de dag die in het collectieve geheugen van Noorwegen gebrand zal blijven als een tweede 9/11, maar dan anders. Het toeval maakte van Thomas een getuige die rakelings langs het drama scheerde. Vrijdagnamiddag om 15.22 uur stond hij net om de hoek van de Grubbegata, in het centrum van Oslo, toen daar voor het ambtsgebouw van de Noorse premier Stoltenberg een 500 kilo zware bom ontplofte die acht mensen doodde.

 De 33-jarige kunstenaar was net teruggekeerd van een week vakantie aan de Tyrifjorden, waar het idyllische eiland Utøya ligt. Het eiland dat diezelfde avond zou veranderen in een dodenakker, het jachtterrein van een moordende maniak die 76 jongeren in koelen bloede afmaakte. Het raam van de kamer waar Thomas logeerde, keek uit op het water waar een dag later lijkenboten af en aan zouden varen. Thomas was één van de 4,5 miljoen Noren die op zaterdag 23 juli wakker werden in een ander land. Dit is zijn dagboek.


Vrijdag 22 juli: 'Een grote blonde man'
De ochtend begint lui. Ik maak ontbijt voor Sebastiaan, mijn beste vriend uit Antwerpen, die hier op vakantie was en vandaag naar huis vertrekt. We hebben negen dagen met elkaar opgetrokken, en ik heb hem de meest idyllische landschappen van Noorwegen laten zien. Hij is overweldigd door de schoonheid van de natuur. 'Alles is hier zo mooi, zo rustig en zo zorgeloos,' herhaalde hij steeds weer.

 Ik zet Sebastiaan om 11 uur op de bus naar de luchthaven en spreek af met een vriend uit Oslo, Henrik Olai, om een koffie te gaan drinken. Het regent al de hele dag, het is geen weer om buiten te zitten. We nemen Monty mee, de foxterriër van vrienden waar ik op moet babysitten. Niet dat ik daar zelf om gevraagd heb, want Monty kan behoorlijk vervelend zijn: altijd gestresseerd, schrikt van het minste, loopt als een ongeleid projectiel en pist tegen ongeveer elke paal die we tegenkomen.

We lopen in de richting van Youngstorge, een hip pleintje met cafés, vlak bij het regeringskwartier in het centrum van Oslo. Onderweg haal ik geld af. Ik steek mijn kaart in de geldautomaat, en plots is er die enorme báááng. De knal is zo hevig dat Henrik en ik omhoogwippen. Alle ramen in de straat springen kapot. We kijken rond: wat was dat? We lachen en maken grappen over het einde van de wereld. 'Oe-oe-oe, terrorisme!' lacht Henrik. Andere mensen op straat lachen ook en vragen zich hardop af wat er gebeurd zou zijn. Op de hoek van de straat is er een juwelenwinkel: alle etalageruiten liggen aan scherven. 'Een overval!' roep ik, maar eigenlijk is dat niet logisch, want ook de etalages van de andere winkels liggen aan diggelen.

We zijn helemaal in de war, maar ook een beetje opgewonden. Eindelijk een beetje actie in deze saaie stad! Spanning! Drama! Er komen steeds meer politiewagens voorbij, maar ze stoppen niet aan de juwelenwinkel, ze rijden verder, naar de buurt van de regeringsgebouwen. En plots rukt Monty zich los en rent de politiewagens achterna. 'Monty, stomme hond! Kom terug!' Ik spurt hem achterna, zigzaggend tussen de aanstormende verkeer, en merk eerst niet dat er steeds meer mensen op straat komen en dat er iets ergs aan de hand is. Ik klamp mensen aan: 'Hebt u een kleine hond gezien?'

Ik draai de hoek om en bevind me plots in oorlogsgebied. De straten zijn bezaaid met glasscherven, puin, documenten. Mensen komen in dichte drommen mijn richting uitgelopen, schreeuwend, in paniek. Sommige zitten onder het bloed. Een vrouw loopt jammerend voorbij met hout in haar hoofd. Rond het ambtsgebouw van de eerste minister hangen rookwolken, in een ander gebouw is brand uitgebroken. Ik ruik plots de sterke zwavelgeur die overal hangt. Henrik belt me. 'Waar zit je?'

 Er is een bom ontploft, misschien zelfs twee, vertelt Henrik. Hij heeft zijn moeder even aan de lijn gehad. Het nieuws van de explosie is al op televisie. Er is sprake van een terreuraanslag op premier Stoltenberg. Op straat is iedereen aan het bellen - naar huis, naar vrienden - om te weten wat er aan de hand is. Er zijn overal geruchten: 'Het was Al Qaeda' - 'Er zijn twee bommen ontploft.' Een bedelaar maant ons aan om ons uit de voeten te maken. 'Er gaan nog twee bommen ontploffen,' beweert hij.

'We moeten hier weg,' zegt Henrik. Ik kan niet helder nadenken, ik moet steeds aan die hond denken. Ik bel de vrienden op voor wie ik aan het dogsitten ben en schreeuw in de hoorn: 'Er was een ontploffing en ik ben Monty kwijt!' We lopen door, op zoek naar een foxterriër, maar de politie begint de straten af te sluiten. Dranghekken worden geplaatst. Gebouwen geëvacueerd. We zien steeds meer politie op straat, en ambulances. Mensen die op straat verzorgd worden. De hele wijk rond het regeringskwartier in Grubbegata is nu afgesloten. Iemand heeft Monty aan de kathedraal gezien, waar hij een straat inliep die door de politie is afgesloten. Misschien doolt hij daar nu rond, in de verboden zone.

Rond 17 uur neemt Henrik de tram naar huis. Zijn moeder is ongerust. Ik wandel naar huis langs de weg waarlangs we gekomen zijn en zoek op alle plekken waar Monty geplast heeft - en dat zijn er véél. Geen hond te zien. Thuis zet ik de televisie aan. Het is inmiddels bevestigd dat het een terreuraanslag geweest is.

De gsm gaat: mijn vriend Øystein. Hij heeft een huis aan de rand van het meer, de Tyrifjorden, op veertig kilometer van Oslo. Ik heb er samen met Sebastiaan een week gelogeerd, tot gisteren. Øystein vraagt me of ik oké ben, en zegt dan iets vreemds: 'Ik dacht dat ik hier aan de fjord wel veilig en rustig zou zitten, ver weg van de terreur in Oslo, maar er is hier een moordpartij aan de gang, juist buiten mijn deur!' Ik geloof hem niet: 'Waarom zeg je zulke stomme dingen, Øystein, er is niks van op televisie.' 'Het is waar,' zegt Øystein. 'Er is iemand aan het schieten op het eiland, ik kan de schoten nog altijd horen.' Tien minuten later is het op het nieuws: een schutter is een bloedbad aan het aanrichten op het eiland Utøya, waar jongeren van AUF, de jeugdbeweging van de socialistische Arbeiderspartij, op zomerkamp zijn. De moordenaar jaagt de kinderen op het eiland overal op en schiet ze één voor één neer. Tientallen jongeren zijn in paniek in het ijskoude water gesprongen en zwemmen voor hun leven.

Het nieuws dringt niet echt tot me door, ik ben ik de war door Monty. Ik zet de televisie af en ga terug naar buiten, op zoek naar die rothond. De straten zijn leeg, op de agenten na die overal patrouilleren. De mensen hebben de raad gekregen om binnen te blijven. Iedereen zit thuis voor de televisie. Tot twee uur 's ochtends zwerf ik doelloos rond in de straten van Oslo. Dan ga ik uitgeput naar huis, en ik zet de televisie aan. Het nieuws meldt dat er vandaag in Noorwegen bijna honderd mensen zijn vermoord. Acht in de bomaanslag in Oslo, en meer dan tachtig in het bloedbad op het eiland. Half slapend verneem ik dat ze de dader te pakken hebben. Eén of andere maniak. Een grote blonde man. Een Noor.

Lees het volledige artikel in Humo 3700 van dinsdag 2 augustus.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: