Onze man bij de vluchtelingen op Lesbos

, door (jm)

17

'Ik ga mee het water in, roep luid dat baby's en kinderen éérst aan land moeten, en meteen wordt me een klein meisje in de armen gedrukt'

Meer dan 200.000 vluchtelingen – Syriërs, maar ook Irakezen, Afghanen, Pakistanen, Somaliërs en Eritreeërs – maakten al de oversteek van Turkije naar Lesbos. Daar nemen ze de ferry naar Athene, om vervolgens verder te reizen naar een onzekere toekomst in Europa. Het veranderde Lesbos, een eiland van zo’n 100.000 inwoners, in een plaats waar leven en dood een massaspektakel opvoeren, en waar euforie door wanhoop wordt afgelost.

Landing op Lesbos

Zondag, zes uur – de zon heeft nog veel te veroveren op de nacht. Nauwelijks heb ik aan de luchthaven van Mytilini de taxichauffeur uitgelegd dat ik voor een reportage over de vluchtelingenstroom kom, of hij vertraagt al ter hoogte van een donker stukje kuststrook: ‘Look there.’ De koplampen van een politiecombi onthullen een veertigtal vluchtelingen in een kloeke roeiboot, peddelend richting strand. In de motoriek van de agenten lees ik dat dit business as usual is – met verveelde ernst helpen ze de vluchtelingen uit het bootje, als vissers die plichtsgetrouw hun goudbrasem en zwaardvis uit de netten schudden.

In de haven van Mytilini heb ik afgesproken met Martine Dumoulin, een Vlaamse van 57 die lang verpleegster was, en nu een bed and breakfast runt in Zuid-Afrika. In september was ze hier twee weken als vrijwilliger, nu keert ze voor enkele dagen terug om opnieuw wonden te stelpen en gezichten aan een lach te helpen. ‘Ik was nog nooit op Lesbos geweest, maar ik hoorde de verschrikkelijke verhalen over de toestroom van al die vluchtelingen, en ik wilde iets betekenen voor hen. Mijn ervaring als verpleegster leek me nuttig. Ik sloot me niet aan bij één van de ngo’s die hier actief zijn, of bij een vrijwilligerscollectief – liever deed ik het in mijn eentje. Ik werkte vooral in de haven, waar de vluchtelingen de ferry naar Athene nemen.’

We stappen in een huurauto en rijden door de haven, en overal zie ik mannen, vrouwen en kinderen op straat slapen. Families houden onder een deken de blote hemel zo ver mogelijk weg, hier en daar zijn vuurtjes gestookt, sommigen hebben een tent opgezet. ‘In september was het nog veel erger,’ zegt Martine als ze mijn beduusde blik ziet. ‘Toen was er echt geen doorkomen aan. Elke dag deed ik meermaals mijn ronde. Vluchtelingen aanspreken, medische zorg verlenen waar nodig. En vooral: mensen een hart onder de riem steken.’

We rijden langs de kustlijn naar het noorden van het eiland, waar de meeste boten aankomen. De stranden zijn bezaaid met treurige afvalbergen: lekke bootjes, duizenden oranje reddingsvesten, door zout zeewater aangevreten kleren, speelgoed, stencils met basiszinnetjes Engels.

Voortdurend kruisen we groepjes vluchtelingen die te voet de tocht van het noorden naar Mytilini maken: afhankelijk van waar ze precies aan land gekomen zijn vijftig, zestig of zeventig kilometer door de ruwe bergen van Lesbos. ‘In principe zijn er bussen, maar het is vaak onduidelijk of en wanneer die komen.’

Hoe dieper noordwaarts, hoe meer vluchtelingen bij wie het zeewater uit de kleren drupt – dat betekent dus dat ze net aangekomen zijn. ‘Dit wordt een drukke dag,’ fluistert Martine. Ik zie een oude vrouw met bedeesde passen haar weg bergop zoeken met een klein meisje op haar rug. Dan ben je dus 70 geworden, hoop je dat het leven je nog een milde epiloog gunt, en zie je jezelf vervolgens honderden kilometers van huis met je kleinkind op je krakende rug over nieuwe grond kreunen.

Het is kwart voor negen als we op zee een bootje spotten. De auto gaat bruusk aan de kant, we schuiven een hellinkje naar het strand af en wuiven naar de naderende vluchtelingen. Er stopt een auto met Spaanse lifeguards, even later arriveert een bestelwagen van de Nederlandse Stichting Bootvluchteling: het wordt meteen duidelijk dat de vrijwilligers en hulporganisaties hier, over de taalgrenzen heen, de kunst van het efficiënt sms’en beheersen. Het bootje wijkt intussen stevig van zijn koers af, we moeten terug naar de auto en jakkeren over de onverharde weg, enkele honderden meters verder. De vrijwilligers gaan kniehoog het water in, roepen dat de vluchtelingen de motor moeten afzetten, en dan gaat het razendsnel: in vijf minuten is het veertigtal geëvacueerd. Baby’s worden doorgegeven, vrouwen ondersteund, mannen bij de arm gepakt. Ik spot euforie: jonge mannen juichen, er worden selfies gemaakt, kinderen krijgen een tedere omhelzing.

Dit artikel volledig gratis lezen?

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: