Auteur Tom Wolfe (87) is overleden: herlees een interview

, door (bv)

9
tom wolfe 1200
© Photonews

't Is de tijd van het jaar dat je in New York met een zonnebril en een sjaal de deur uit moet. Dwars door de nu kale pracht van Central Park steven ik af op een prominente artdecobuilding aan de parkrand. Veertien hoog vraagt Tom Wolfe of het binnenvallende zonlicht me stoort en of zijn bediende de blinden moet sluiten. We zitten beiden strak in het pak - hij als vanouds wit, ik anticiperend constrasterend zwart - in een met antiek volgestouwde salon, één van de twaalf kamers van zijn naar New Yorkse maatstaven immense appartement op de volledige verdieping. Ons gesprek meandert rond 'Terug naar het bloed', de vierde roman in vijfentwintig jaar tijd van mijn intussen 81jarige held. Tevreden hummend noteer ik, voor uw en mijn welbehagen: op vitaliteit, nieuwsgierigheid en verbale powerplay staat géén leeftijd. 

In maart 1999 zat ik hier ook, naar aanleiding van Wolfes roman 'In alles een man'. Flashback en werkelijkheid vallen samen, zonder een déjà vu te worden: de breedgeschouderde portier op de stoep, de met snuisterijen gevulde lobby, het gezoem van de lift uit vervlogen tijden, de LatijnsAmerikaanse bediende in livrei, de salon met van plafond tot vloer boekenwanden met nonfictie, de tot diep wegzakken uitnodigende sofa, de delicaat tegen het kristallen glas tinkelende ijsblokjes, en de gul naar bon mots graaiende schrijver. 

Het enige verschil tussen toen en nu: Wolfe is zichtbaar ouder geworden. Hij loopt gebogen, alsof zijn hoofd mettertijd naar zijn schrijftafel toe gegroeid is. Dat komt, verklaart hij, omdat hij sinds enige jaren met de hand schrijft. Bij gebrek aan wisselstukken voor zijn schrijfmachine, 'ook op eBay', is 'Terug naar het bloed' de eerste roman die  hij helemaal (zevenhonderd bladzijden!) met de hand geschreven heeft: 'Ik heb wel geprobeerd om over te schakelen naar de computer. Drie jaar heb ik ermee geworsteld, maar het wilde niet lukken. Dat lag aan mij, hoor, niet aan die verdomde machine. Mijn kinderen kunnen het wel: hun handpalmen rusten voor het toetsenbord en hun vingers fladderen er als vlinders overheen. Maar als ik ermee aan de slag ging, verscheen er altijd een rijtje van drie of vier k's waar ik er maar eentje nodig had.' 

Hij grijnst, zeker wetend dat het er uiteindelijk niet toe doet: 'In de negentiende eeuw moesten schrijvers het doen met een pen zonder inktreservoir. En zij schreven ook snel.' Wolfe zegt contracten voor zes boeken in de la te hebben. Die passen in een deal met zijn nieuwe uitgever, Little Brown, die voor 'Terug naar het bloed' een voorschot van zeven miljoen dollar overhad - tienduizend dollar per pagina. 

Stoppen met schrijven is dan ook niet aan de orde: 'Schrijven is mijn lust en mijn leven. Je geeft je grootste hobby toch niet zomaar op? Soms doe ik het zelfs 's nachts, om tot rust te komen. Nee, de mooiste dag van mijn leven blijft die waarop me de kans geboden werd om al schrijvende mijn boterham te verdienen.' Het lichaam moet natuurlijk ook meewillen, maar dat doet het sinds een hartoperatie in 1996 blijkbaar graag: 'Ik voel me ronduit fantastisch. Ik ga nog elke dag naar de sportschool, ook al willen om onduidelijke redenen mijn spieren niet meer zo zwellen als vroeger. Daarom heb ik me maar op aerobics gestort. Conditie opbouwen, uithoudingsvermogen trainen.' 

Zijn 81jarige vinger priemend op mijn borst: 'Jij bent natuurlijk nog een jongetje, maar je moet het toch eens overwegen. Souplesse en viriliteit voor alles!' 

MIAMI VICE 

New Yorkers trekken gewoonlijk naar Miami om hun pensioen in het zonnetje uit te zitten, maar dus niet Tom Wolfe: hij ging er heen om het decor van zijn nieuwe roman te verkennen. Naar goede gewoonte dook hij uitvoerig in de research: 'John Timoney, de voormalige politiebaas in Miami, ken ik van in de tijd dat hij adjunctpolitiecommissaris in New York was. Hij heeft allerlei deuren voor me geopend en samen met de vorige burgemeester van Miami, Manny Diaz, een lezing voor me georganiseerd in de Freedom Tower, zodat ik een heleboel mensen kon laten weten wat ik van plan was.' 

Enkele weken na die lezing kreeg Wolfe een brief van exjournalist Oscar Corral, die voorstelde de schrijver door Miami te gidsen, als fixer voor 'm te fungeren en de hele researchperiode te filmen met het oog op een documentaire: 'Oscar was geweldig, hij heeft me oneindig veel leren kennen. Hialeah bijvoorbeeld, een stad aan de noordgrens van Miami. Het echte Kleine Havana, behalve dan dat het niet klein is: er wonen ruim tweehonderdduizend mensen, merendeels Cubanen en de rest LatijnsAmerikanen. Ik wist helemaal niks van Hialeah, ik kende alleen het inmiddels gesloten racecircuit. Je rijdt er binnen onder een boog uit de jaren twintig, duidelijk opgetrokken ter verwelkoming van de bezoekers van het circuit, en meteen zie je de typische lange rijen met identieke huisjes, casitas, met betonnen koertjes. Een fascinerende plaats, ik wist meteen waar het begin van 'Terug naar het bloed' zich zou afspelen.' 

De lezer ontmoet er Wolfes protagonisten met Cubaanse roots, de politieman Nestor en de verpleegster Magdalena. Voor zijn vierde roman trok de schrijver niet toevallig naar de stad waar, wegens meer dan vijftig procent immigranten, de toekomst van Amerika zich het scherpst aftekent. 

Tom Wolfe «Er is bitter weinig over immigratie geschreven. Er is wel wat ophef geweest over de manieren waarop mensen met wisselend succes Amerika proberen binnen te geraken, maar zelden of nooit heb ik gelezen wat er allemaal is gebeurd met zij die het land effectief binnen zijn geraakt. Dat maakte me zo nieuwsgierig dat ik het plan opvatte voor een boek over immigratie.» 

HUMO Wist u meteen dat u daarvoor naar Miami moest?

 Wolfe «Nee. Eerst dacht ik te schrijven over de Vietnamezen die massaal in en rond Los Angeles neergestreken zijn. Ze hebben nu zelfs een krant, de Viet Mercury, naar analogie met de bekende San Jose Mercury. Maar algauw werd ik geconfronteerd met de nadelen van een boek over hen: 't gaat om één nationaliteit, terwijl net het samenleven van verschillende nationaliteiten en culturen boeiend is. Het helpt ook niet dat ik de taal niet spreek en zelfs niet lees. 

»Ik begon dus te twijfelen over de setting van mijn grote immigratieroman, toen ik hoorde over Miami: de enige stad ter wereld die niet via een oorlog maar via de stembus overgenomen is door mensen van een ander land met een andere taal en cultuur. De Cubanen hebben nauwelijks één generatie nodig gehad om dat voor elkaar te krijgen. Nog interessanter was dat er al een Joodse gemeenschap was en dat er na de Cubanen nog veel andere nationaliteiten naar Miami gekomen zijn. Op een gegeven moment was Miami Plan B voor iederéén in Latijns-Amerika. Het houdt ook niet op: voor de voorlopig laatste immigratiegolf zorgen de Russen. Zo krijg je steeds ingewikkelder toestanden.»

HUMO Of zoals de burgemeester in de roman toegeeft: ‘In Miami haat iedereen iedereen. We kunnen de mensen in Miami niet ver- mengen, maar we kunnen wel een veilige plek regelen voor iedere nationaliteit.’

Wolfe «Ik zou Miami dan ook nooit een smeltkroes noemen. ’t Is eerder alsof een stuk of wat ingrediënten in een smeltkroes gegooid zijn en een maand later blijkt dat het er wel ondraaglijk heet is, maar dat niks zich met elkaar heeft vermengd en dat alle ingrediënten nog onveranderd en ongesmolten te zien zijn.» 

HUMO Werkt de smeltkroes wel in New York? 

Wolfe «Zolang de immigranten Europeanen waren wel, al duurde het altijd een hele poos. Zo werden Ieren lang als tweederangswezens beschouwd en hingen er bordjes met 'Geen Ieren toegelaten' aan sommige hoteldeuren. De Italianen verging het niet anders: een hele tijd was het uitkijken geblazen met die arme ritselaars. Maar beide groepen hebben zich uitstekend weten te integreren, en intussen hebben we al Ierse, Italiaanse en Joodse burgemeesters gehad zonder dat iemand daar een punt van heeft gemaakt.

»Maar zodra er andere kleuren in het geding zijn, krijg je een ander verhaal. Zelfs in de legendarische smeltkroes New York is er nooit sprake geweest van een echte versmelting van de verschillende rassen.»

HUMO Nochtans heeft net immi-gratie Amerika groot gemaakt. 

Wolfe «We moeten het nog wat tijd geven, de nieuwe immigranten zijn er nog niet lang. Misschien komt het nog goed.

»Grappig genoeg kun je, net als bij wijn, van oogstjaren spreken. De eerste Cubanen arriveerden in 1959 en dat was een topjaar: ’t was haast een elite van goed geschoolden die perfect begrepen hadden wat Castro van plan was en die maakten dat ze wegkwamen. De oogst van 1960 was nog smaakvol: vooral zakenlui en opgeleide vaklui die het snel goed deden. Gaandeweg werd de kwaliteit almaar minder, met de beruchte Mariel Boatlift in 1980 als eerste dieptepunt. Een stuk of vijf Cubanen die het land uit wilden, ramden in een busje het hek van de Peruviaanse ambassade en vroegen en kregen asiel. Dat maakte Castro woest en in zijn razernij liet hij het hek rond de ambassade weghalen. Maar dat pakte fout uit: binnen de kortste keren bevonden zich tienduizend mensen op de neutrale grond van de ambassade. Daarop stelde Castro de haven van Mariel een tijdlang open voor iedereen die het land uit wilde. Een ware volksverhuizing kwam op gang, alles samen zijn toen 125.000 Cubanen naar Miami gekomen. Castro heeft altijd volgehouden dat ze de deuren van de gekkenhuizen en de gevangenissen hadden opengegooid en dat dus niet bepaald de fine fleur van Cuba in Amerika is beland. Dat was natuurlijk niet waar: de meerderheid bestond uit gewone Cubanen die aan een boot konden geraken en gráág vertrokken.»

HUMO Is de herverkiezing van Obama hoopvol voor de smeltkroes Amerika?

Wolfe «Ik denk het niet, het is gewoon nog te vroeg. Bovendien is door 9/11 veel tijd verloren gegaan.

»Maar de immigranten hebben bij de verkiezingen wel een doorslaggevende rol gespeeld. Obama heeft in de swing state Florida bijvoorbeeld zeventig procent van de stemmen van de Latijns-Amerikanen gekregen, terwijl die vanwege hun anti-Castrogevoelens van oudsher naar rechts en dus naar de Republikeinen neigden.»

'Zelfs in de legendarische smeltkroes New York is er nooit sprake geweet van een echte versmelting van de verschillende rassen'

We hebben de tijd vanmiddag en Wolfe besluit ’m ook te nemen. Hij begint aan een associatieve stroom verhalen over Miami, Castro en de Koude Oorlog. Opa vertelt, elke anekdote aansnijdend met pretlichtjes in de ogen. Over de Federal Reserve Bank in Miami (‘één van de grootste van het land,de drugsjongens moesten ergens hun geld kwijt'), het gebrek aan appartementen met zeezicht en het daardoor imploderende toerisme, de haven ('de omgekeerde wereld: Amerikanen proberen een job bij Cubanen te krijgen'), het werkritme in een Russische vliegtuigfabriek in de jaren zestig ('de ochtenden werden benut om drinkbare alcohol uit vliegtuigbrandstof te destilleren, de namiddagen om dat brouwsel te drinken'), en de grote hoeveelheid voormalige staatshoofden uit LatijnsAmerika in Miami: 'In Amerika schudden de vertrekkende en de nieuwe president elkaar de hand tijdens een ceremonie waarin ze elkaar het beste wensen, hoezeer ze elkaar ook haten. In LatijnsAmerika staat vertrekkende staatshoofden maar één ding te doen: rennen voor hun leven!' (lacht) 

SEKS ALS KUNST 

De problematische smeltkroes die Miami is, verkent Wolfe in 'Terug naar het bloed' via de politieman Nestor, een magneet voor raciale spanningen. De verpleegster Magdalena, zijn vriendinnetje bij het begin van de roman, maakt gedecolleteerd en hoogbenig opgang in Upper Miami. Met haar uitnodigende schoonheid en haar dubieuze nieuwe vrienden, een in seksverslaving gespecialiseerde therapeut en een aangespoelde Russische oligarch, stut Wolfe enkele verhaallijnen met twee van zijn favoriete onderwerpen: seks en kunst. 'Ik ben Charlotte Simmons', de vorige roman van Wolfe, was een aanklacht tegen de 'seksualisering van zo goed als alles'. Door de onschuldige ogen van een meisje uit een bergdorp dat leeft bij gratie van de kerstboombouw, wordt het seksuele en andere vertier van de studentencultuur aan een prestigieuze universiteit geobserveerd. Een liederlijke verbeelding van de morele teloorgang van Amerika. 

't Is veruit Wolfes minste roman, als wereldwijze zeventiger had hij duidelijk moeite zich gezwind te verplaatsen in de leefen denkwereld van een achttienjarige maagd die naïviteit aan argeloosheid koppelt. Maar de boodschap klonk helder: o tempora, o mores! In 'Terug naar het bloed' hamert Wolfe op dezelfde spijker, zij het zeer welluidend. 

Zo is er het hoofdstuk waarin een regatta in een orgie ontaardt, net als dat in een stripclub, op de nodige research gebaseerd. 'Tom Wolfe Gets Back to Blood', de één uur durende documentaire van fixer Oscar Corral, toont Wolfe, vanzelfsprekend in één van zijn veertig witte pakken, in een kleine motorboot tijdens de Columbus Day Regatta. 

Wolfe «Ik had nooit kunnen veronderstellen dat zoiets kon bestaan. 't Is ooit begonnen als een echte race met zeilboten, met een feestje toe. En ook tegenwoordig wordt er nog altijd een regatta georganiseerd, maar het kan niemand wat schelen wie meedoet - laat staan wie wint. Men komt op het feestje af. Door de jaren heen is het een orgie geworden, al is het de voorbije edities wel wat gemilderd. Meer dan duizend boten verzamelen zich rond de niet al te grote Elliot Key. Men bindt een twintigtal boten naast elkaar samen, zodat een zeer lang dek van verschillende niveaus ontstaat. En vervolgens wordt het allemaal steeds wilder, zoals de therapeut in de roman stelt: 'Je krijgt een beeld van de mensheid zonder dat nog regels gelden'.» 

HUMO Je therapeut ventileert velerlei theorieën over seks: 'Uit een onderzoek van de National Institutes of Health bleek dat een verbluffende 65 procent van alle zoekresultaten op het internet pornosites betrof.' Kloppen zijn cijfers? 

Wolfe «'t Zou kunnen dat ik lichtjes overdreven heb, maar bijna de helft van de internethits is wel degelijk pornografisch. Dat is toch verbijsterend? Behoorlijk wat mensen zijn, zoals die Maurice Fleischmann in mijn roman, zo ver heen dat porno hun leven heeft overgenomen: heel hun bestaan wordt één verlangen naar de kramp van het orgasme. Verder is niets meer van tel. Ironisch genoeg durven die mannen - 't zijn bijna uitsluitend mannen - niet thuis te masturberen. Ze vinden er niet de nodige privacy, dus doen ze het op het werk. Ik verzin niks. In bepaalde Federal Government Bureaus in dit land zijn grote schandalen aan het licht gekomen: omdat het thuis niet kon, keken mensen op het werk vier tot zes uur per dag porno. 

»Mijn therapeut heeft allerlei theorieën, maar ik heb zijn bezigheden zo beschreven dat de lezer geleidelijk aan steeds meer gaat twijfelen aan hem: wie is er uiteindelijk het ergst aan toe, zijn patiënten of hijzelf? (lacht) Dat gezegd zijnde, ben ik het wel met 'm eens als het over internetporno gaat: net als een verslaving kan compulsief masturberen iemands leven overnemen, maar het is geen echte verslaving. (Klopt zich op de borst) Dokter Wolfe zegt: voor een echte verslaving is een chemische component noodzakelijk, zoals bij drugs of alcohol. En dat ontbreekt bij pornografie.» 

HUMO Een quote uit ons gesprek in '99: 'Het lijdt geen twijfel dat een land of een maatschappij sterker wordt als er strikte seksuele zeden gelden.' 

Wolfe «Het Es een probleem. Toen Nietzsche in 1880 zei dat God dood was, was dat geen aankondiging van het atheïsme. Het was een waarschuwing. Het resultaat van de dood van God - waarmee hij doelde op het feit dat geschoolde Europeanen niet langer geloofden - was volgens hem dat er binnen een generatie catastrofale oorlogen zouden komen zoals er nooit eerder uitgevochten waren. Als mensen God loslaten, geloven ze immers dat we allemaal dieren zijn en krijg je barbaarse gevechten. Niet alleen de periode van de twee wereldoorlogen heeft hij aardig voorspeld, daarbovenop heeft hij gezegd dat de eenentwintigste eeuw door iets veel ergers dan oorlog getroffen zou worden: de totale eclips van alle waarden, waarmee de mens onmogelijk zou kunnen leven.» 

De schrijver veert op en laat zich meeslepen door zijn betoog over Nietzsche, die volgens hem de mosterd bij Charles Darwin gehaald heeft. Algauw blijkt de bron van zijn enthousiasme: zijn volgende boek, met als werktitel 'The Human Beast', gaat over Darwin en diens competitie met de jongere Alfred Russell Wallace over de uitvinding van de evolutietheorie. Wolfe zegt dertig bladzijden ver te zijn, doet me het hele wonderlijke verhaal, en vraagt nog niet te veel te verklappen. 

't Hoeft geen verbazing te wekken dat Wolfe bij Darwin uitkomt, zijn romans zijn, met het veelvuldige machismoopbod in status en het al te viriele wereldbeeld, bij momenten niet eens impliciete verbeeldingen van de eeuwig woedende survival of the fittest. Maar de schrijver weigert zichzelf darwinist te noemen. 

Wolfe «Wat jij de dog eat dogviriliteit in mijn romans noemt, heeft geen dierlijke component. Onze taal en ons verstand maken een gigantisch verschil. Bovendien hoeft een mens niet sterker te zijn dan een dier om te overleven: gewoon een geweer trekken volstaat. We kunnen nucleaire wapens ontwikkelen. We kunnen de meest diverse theorieën bedenken. We kunnen zelfs tijd overhouden om muziek te maken en ervan te genieten, wat absoluut geen overlevingsnut heeft. We kunnen, als we een beetje samenwerken, in een jaar tijd om het even welk dier volledig uitroeien. We kunnen ons in onze superioriteit zelfs permitteren weekhartig om bedreigde dieren te geven: 'Oh, de arme panda's! We kunnen ze niet laten verdwijnen, laten we een reddingsactie op touw zetten.’ Maar we hadden het over seks, niet?»

HUMO Ik wilde stilaan de overgang naar de kunst maken, middels deze opmerking van Magdalena: ‘Waarom was er zo veel porno in deze zogeheten avant-gardekunst?’ 

Wolfe «Ha! Ik heb me danig laten gaan. Sinds ik me in 1975 in ‘The Painted Word’ voor het eerst over de moderne kunst gebogen heb, ben ik onvermoeibaar blijven herhalen dat het alleen maar om geld gaat. Nu, al mijn geschrijf over kunst heeft exact dit effect gehad: (vormt een volmaakte cirkel met duim en wijsvinger van zijn rechterhand) nul! (lacht) Maar daarom moet ik mijn personages toch niet de mond snoeren als ze één en ander willen aankaarten?»

'Mijn invloed op de literatuur? Nul'

HUMO Mijn favoriet is het besje dat het geheime atelier van een kunstvervalser in een verzorgingstehuis binnenwandelt: 'Als ik zulke schilderijen aan mijn muur had, zou ik ook beginnen te drinken.' 

Wolfe (lacht) «Zelf ben ik nooit met esthetische oordelen bezig geweest, al nam ik één en ander overduidelijk niet ernstig. Het ging me in de eerste plaats om geschiedschrijving. De basis voor de moderne kunst is ontwikkeld in het Frankrijk van de jaren tachtig van de negentiende eeuw: daar is de idee geboren dat kunst die niet te begrijpen is, superieur is aan de kunst die dat wel is. 't Werd een kwestie van status en van geld verdienen. 

»'t Is geen toeval dat de kunstvervalser in de roman aan de slag gaat met het werk van Malevitsj. Die staat bovenaan op de lijst met de meest vervalste kunstenaars ter wereld, omdat zijn werk zo eenvoudig is. Ik dacht dat Mondriaan simpel was, tot ik Malevitsj zag (lacht). Kandinsky is overigens niet veel moeilijker. Malevitsj was ook de eerste met een manifest voor abstracte kunst. Vandaag is zijn werk belachelijk veel waard, een tijd terug werd een schilderij voor zeventien miljoen dollar verkocht. In kunst speelt smaak geen rol, hé, ’t is allemaal zuiver business.» 

HUMO Bezoekt u dan nooit het geweldige MoMa, waar ik deze week nog voor Munch heb staan zwijmelen? U moet amper twintig blokken downtown gaan.

Wolfe «Ik ben geweldig geïnteresseerd, alleen zijn er nooit tentoonstellingen van de kunstenaars van wie ik hou. Nu helpt mijn smaak de zaak ook niet vooruit: voor mij zijn de kunstenaars van het magazine Simplicissimus, van meer dan honderd jaar geleden, nooit overtroffen. Maar met die mening raak ik niet ver, dus doe ik er maar bescheiden het zwijgen toe (glimlacht).»

Dat doet de schrijver natuurlijk niet. Hij wijst me op twee Simplicissimusposters aan weerszijden van een raam dat uitkijkt over Central Park, met de torenspitsen van The Dakota op de achtergrond. De linkse was volgens hem niet makkelijk te krijgen: de bekende cover met de rode buldog, van zijn ketting losgerukt en met de geprononceerde onderste hoektanden tot aanvallen paraat. Wolfe vertelt honderduit over zijn vijf Simplicissimusboeken, hij haalt er zelfs eentje bij: 'Dit was de eerste. Toen ik er toevallig op stootte, kon ik niet eens Duits lezen. Maar de illustraties zorgden voor een ware coup de foudre. Tot vandaag is dat gevoel nooit geëvenaard.' 

Hij prijst de humor van Olaf Gulbransson, Duitser met Noorse roots, noemt Rudolf Wilke zijn favoriet, en acht Bruno Paul veel belangrijker als illustrator dan als architect: 'Maar dat zijn namen die bij niemand een belletje doen rinkelen, vrees ik. Toch probeer ik ze in ere te houden: zo is mijn emailadres een aan Simplicissimus refererend woordspelinkje.' 

VUURWAPEN TAAL 

Het is veel voor één leven: voor hij in 1987 met 'Het vreugdevuur der ijdelheden' tot romanschrijver van belang vervelde, had Tom Wolfe de journalistiek al een nieuw elan geschonken. Hij muntte het New Journalism, waartoe ook Truman Capote, Hunter S. Thompson en zelfs Norman Mailer zich bekenden. Ze hadden lak aan de toenmalige conventies van de dagbladpers: in plaats van droogweg in de verleden tijd verslag te doen van wat gebeurd was, kozen ze resoluut voor de levendigheid door het gebruik van de tegenwoordige tijd, de flyonthewalttechniek en literaire procedés als de associatie. Vanaf dan was ook in de pers taal niet langer een saaie drager van journalistiek verantwoorde informatie, maar een bron van plezier voor zowel journalist als lezer.

Een credo dat Humo nooit onwelgevallig is geweest, zo verklap ik Wolfe, en dat ik meen te zien doorschemeren in de typering van een sterjournalist in wording in 'Terug naar het bloed': 'Jongens zoals deze knaap groeien op met het instinctieve besef dat taal een artefact is, zoals een zwaard of een vuurwapen.'

Wolfe monkelt, zucht dat in de journalistiek niets nog is zoals het was, en wijst illustratief op mijn dictafoontje: 'Die zien er tegenwoordig geweldig uit: klein, geavanceerd, strak. Ik moest vroeger met een gigantische bak op stap, met een aparte microfoon. Ik heb 'm nog, ik wacht geduldig op een bod van een museum.' 

HUMO Zal ik nog een laatste keer uit 'Terug naar het bloed' citeren? De hoofdredacteur van een krant, vanzelfsprekend kwijnend, legt de vinger op de wonde: 'Als er een groot verhaal is, heeft iedereen het al op de radio of televisie gehoord of het online gelezen. Dus zegt iedereen wanneer wij uitkomen: 'Wat is dit? De krant van gisteren?"

Wolfe «De toekomst is aan de tablet. Dat komt mij niet slecht uit: mijn boeken zijn zo zwaar dat niemand ze nog op het vliegtuig wil meenemen (lacht). 

»Bij kranten hebben ze zich de afgelopen jaren het hoofd gebroken over manieren om de mensen te laten betalen om de krant van vandaag online te lezen. Allemaal nutteloos denkwerk: van het moment dat nieuws er is, kan iedereen het grenzeloos en straffeloos hernemen. Mensen zullen dus nooit een site bezoeken waar ze moeten betalen voor het nieuws, omdat ze wel weten dat ze het elders gratis vinden. Dat is een groot probleem: als kranten niet gauw manieren vinden om zelfbedruipend te zijn, komen ze echt in gevaar. Dat niemand tegenwoordig nog wil betalen voor informatie, heeft nochtans niets dan vervelende gevolgen. Als ik iets wil opzoeken op Google, doorkruisen verdomde vogels, buitelende acrobaten of andere zogezegd innovatieve advertenties mijn scherm. Extreem vervelend, niet in het minst omdat het me wanhopig probeert af te houden van wat ik eigenlijk van plan was: lezen. 

»En intussen blijft het aanbod gestaag verarmen. Kranten hebben altijd gewerkt met journalisten die een eigen domein overschouwen, maar dat soort specialisme schiet er online bij in.»

HUMO Zal de blijkbaar niet af te wenden verschraling de monopolievorming niet in de hand werken? 

Wolfe «Ik hoop van niet. Ik weet van mijn eerste job, in Springfield, Massachusetts, dat monopolies niet wenselijk zijn. Je had daar een ochtenden een avondkrant met dezelfde eigenaars. Die waren zo cynisch dat dezelfde journalist de opdracht kreeg het nieuws 's ochtends Republikeins gekleurd op te schrijven, en 's avonds Democratisch. Wat kon het hen schelen? Iedereen was gelukkig, hun boekhouder niet het minst.» 

HUMO Tijd om afrondend terug te blikken. We kunnen het erover eens zijn dat u de journalistiek heeft weten te veranderen. Is het u naar uw aanvoelen ook gelukt met de literatuur? 

Wolfe «Nee. 't Is zoals mijn invloed op de kunst: (opnieuw die volmaakte cirkel) nul. Dat betreur ik ten zeerste en dat heeft heus niet alleen met mijn eigendunk te maken; ik denk dat het een gemiste kans is voor de literatuur. De hoogdagen van de Amerikaanse literatuur begonnen voor mij in 1893, toen Stephen Crane 'Maggie: een meisje van de straat' schreef, de eerste roman waarin de stad als een personage voorkomt en de volledige plot domineert. In de daarop volgende vijftig jaar had je John Steinbeck, Ernest Hemingway, Sinclair Lewis, William Faulkner, Richard Wright, F. Scott Fitzgerald - er komt werkelijk geen eind aan het lijstje grote schrijvers in die periode. In 1942 zei criticus Alfred Kazin: de beste Amerikaanse schrijvers van vandaag zijn erop gespitst de hele ervaring van het leven in Amerika tot het laatste detail op papier te krijgen. Sommigen haten het land, anderen doen er graag cynisch over, maar allemaal zijn ze gek op de details van het Amerikaanse leven. 't Zijn inderdaad dat soort details die - in mijn nederige opvatting - een roman tot leven brengen. Maar tegenwoordig moet je daar niet mee aankomen: iedereen is nu op zoek naar (spuwt het woord uit) psychologische romans. Ik haat het! Welke lezer wil nu in de vuiligheid van een besmeurd psyche duiken, laat staan dat van de schrijver zelf?» 

HUMO Nu we toch bezig zijn, kunnen we net zo goed nog wat verder terugblikken. In zijn bespreking van uw debuut, 'The KandyKolored TangerineFlake Streamline Baby', schreef de grote Kurt Vonnegut: 'Een excellent genie dat er alles aan zal doen om de aandacht op zichzelf te vestigen.' 

Wolfe (lacht) «Ik was gek op die quote, op elk woord ervan. Zal ik zelf maar beginnen over mijn witte pakken en zo? Ik kan niet anders dan schuld bekennen (lacht). Mark Twain zei ooit: 'Ik zal nooit iets doen om de aandacht op mezelf te vestigen, maar ik vind het niet erg om opgemerkt te worden.'

»Ik beken: ik ben een aandachtsjunk. Maar het is belangrijk te weten dat ik gedwongen was het te worden: door het schrijven, zeker van nonfictie. In het begin schreef ik vaak voor het zondagsbijvoegsel van de krant, wat beschouwd werd als het laagste van het laagste. Mensen werpen daar in de gauwte één oog op en gooien het dan weg. Het komt er dus op aan de aandacht te trekken. Dus ging ik taal en typografie gebruiken die schreeuwden: 'Hey, jij daar!' Dat lukte, want mensen vroegen zich af wat dat geroep allemaal was. 't Is niet overdreven te stellen dat ik dat mijn hele leven door ben blijven doen.» 

De duisternis is gevallen, veertien verdiepingen lager is New York getransformeerd in de inventief oplichtende stad die nooit slaapt. We zijn rond, maar pas nadat ik Wolfe geprezen heb om zijn visionaire gaven. Ik citeer uit het Humo-interview uit '99: 'Vorige week nog vroeg ik een effectenmakelaar of een gigantische beurscrash niet erg waarschijnlijk is.' De schrijver, intussen toch een beetje vermoeid geraakt, perst er nog een laatste bon mot uit: 'Heb ik de crisis echt voorspeld? Wat een profeet!' Of die profeet optimistisch is over wat komen gaat, wil ik nog weten. 

Wolfe «Helemaal niet. Uit alles wat ik hoor en lees, concludeer ik dat de situatie zeer precair is. Dit land kan in een vingerknip opnieuw in een depressie verzeilen. Zo is het in de jaren dertig van de vorige eeuw gegaan: in 1937 begonnen de markten te stijgen en dacht iedereen dat de depressie gepasseerd was, maar het jaar erna zakten we lager dan ooit. En toen was er een oorlog nodig om ons uit de depressie te halen.» 

Op zo'n weinig vrolijke noot wil Wolfe nu ook weer niet eindigen. Hij nuanceert gauw, mompelt iets over de veerkracht van Amerika en blikt de toekomst in op een manier die voor een 81jarige overmoedig genoemd mag worden. Het lichtblauw van zijn ogen, minzaam harmoniërend met de kleur van zijn hemdskraag, licht een laatste keer op als hij me ten afscheid de hand schudt: 'We moeten een namiddag als deze gauw eens overdoen.' 

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: