Op bezoek bij een volksstam van Vlaamse komaf

, door (hm)

Deel
volksstam 1200
Canvas| Bekijk programma-info »

'Als wij het aftrappen, staat dat bord daar zinloos te staan, niet?'

Bij het licht van een schitterende sterrenhemel kon ik zien dat ik in een boomtop was geland, ongedeerd en nog stevig vastgeklikt in mijn stoel. Hulde aan Boeing, hun zetels kunnen tegen een stootje. Ik begreep dat ik het slachtoffer was geworden van een aeronautische valling, een zeldzaam fenomeen waarbij een passagier om onverklaarbare redenen door de vloer, het ruim en de buikwand van een vliegtuig zakt. Het leek mij onverstandig in duister, onbekend gebied op verkenning te gaan. Ik besloot rustig verder te slapen.

’s Ochtends werd ik gewekt door menselijke stemmen. Aan de voet van mijn boom stond een groepje mannen en vrouwen opgewonden te palaveren, met uitdrukkingen als ‘klimmen’, ‘nooit meegemaakt’ en ‘aardappels zijn gaar’. Deze volksstam sprak een soort Nederlands.

De volksstam had goede manieren. Toen ik de begane grond bereikte, kwam iedereen mij beleefd een hand geven. Ze bleken allemaal Van Damme, Heylen of Bauwens te heten.

‘Waar ben ik?’ vroeg ik aan iemand die de leider van de groep scheen te zijn.

‘Op het eiland Hier. We gaan nu naar onze hoofdstad Niweklo.’

Na een tocht langs keurige aardappelvelden kwamen we aan bij een paar verzorgde hutten en een kerkje. Aan de ingang van het dorp stond een bord: ‘Welkom in Niweklo’.

‘Over dat bord is jarenlang gediscussieerd,’ sprak een zekere Gustave Bauwens. ‘Want heeft het wel zin zo’n bord te plaatsen als ge nooit bezoek van buitenaf krijgt? Gelukkig hebben de ja-stemmers het gehaald. Welkom in Niweklo, trouwens.’

‘Zwijg toch, Gust!’ riep Irma Bauwens. ‘Door ‘Welkom in Niweklo’ te zeggen, toont ge hoe overbodig dat bord is.’

Zo ging de discussie nog even voort. Ondertussen begon het mij te dagen dat de naam van het dorp een verbastering van Nieuw-Eeklo was.

‘Hoe zijn jullie hier geraakt?’ vroeg ik.

‘Wie dat nog kan navertellen, is dood,’ zei Gust Bauwens.

‘Flauwekul, Gust!’ riep Irma. ‘Wie dood is, kan niks navertellen. Ge bedoelt: al wie het had kunnen navertellen, is dood.’

‘Ga aardappelen schillen, Irma!’ gromde Gust.

Daar schrok ik even van. Hier valt nog vrouwvriendelijk beschavingswerk te verrichten, dacht ik. Maar ik vergiste mij. De aardappel is op het eiland Hier het hoogste goed. Het schillen van de aardappelen is een eervolle taak die men toewijst aan de meest respectabele leden van de stam. Enfin, Gust vertelde mij dat een schip met Eeklose migranten vlak voor de kust van dit eiland was vergaan.

De toenmalige oudste was met een zak aardappelen naar het strand gezwommen. Daar aangekomen sprak hij de legendarische woorden: ‘We gaan die patatten niet opvreten, we gaan ze hier planten.’ Sindsdien werd het eiland Hier genoemd.

Ik vatte sympathie op voor deze simpele, hardwerkende mensen. Omdat ze elkaar niks te vertellen hadden, want iedereen wist alles van elkaar, werden de avonden opgevrolijkt met kaartspel en het drinken van aardappeljenever. Eens per week maakten ze ruzie over de zin of onzin van dat bord ‘Welkom in Niweklo’, maar verder ging het er vredig aan toe.

Al gauw was ik verzoend met de gedachte dat ik hier de rest van mijn leven zou slijten. Ik maakte lange wandelingen op Hier, dat voor de helft uit moeilijk doordringbaar regenwoud bestaat. De Niweklonezen kwamen daar nooit, ‘want daar groeien geen patatten’. Zo ontdekte ik op een dag een boom waaraan buitenboordmotoren groeiden. Midden in het woud. Mijn verbazing was minstens even groot als die van u, lezer. Kan dat wel, vraagt u zich misschien af. Ja, dat kan! Het ultieme bewijs is dat u mijn relaas kunt lezen.

De motoren bleken uitstekend te draaien op de palmolie waarin de aardappelen op zon- en feestdagen werden gebakken. Een vlot was gauw gemaakt. De eilandbewoners schonken mij ten afscheid kruiken jenever en ingemaakte puree als proviand. Niemand wilde met mij meereizen. ‘Want als wij het hier allemaal aftrappen, dan staat dat bord daar een beetje zinloos te staan, niet? Het zou onbeschoft zijn om iemand welkom te heten in een verlaten dorp, half overwoekerd door verwilderde aardappelplanten. En doe ze de groeten in Eeklo.’

Dat beloofde ik. Drie dagen later kwam ik aan in Jakarta. Enigszins bezopen, want mijn drinkwater was na een halve dag al op. Nog eens drie dagen later was ik weer in mijn vaderland.

Ik ben een man van mijn woord. Daarom overwoog ik naar Eeklo te reizen en in de cafés iedereen de groeten over te maken van de families Bauwens, Heylen en Van Damme. Maar dat leek mij wat omslachtig. Vandaar dit verslag. U heeft bij dezen dus de hartelijke groeten van bovenstaande families.

Humo 4060/25 van 26 juni 2018

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 26 juni

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: