De mailbox van Arnon Grunberg: 'George Soros, bent u mijn vriend?'

, door (arnon grunberg)

Deel
xl

Waarde George Soros,

In een artikel in het magazine van The New York Times beschrijft Michael Steinberger u als een charmante persoonlijkheid met een droog gevoel voor humor. Uw toespraken daarentegen schijnen stijf te zijn, maar wat kun je verwachten van een 87-jarige? Mijn moeder gaf op haar 87ste helemaal geen toespraken meer, zij stierf op haar 87ste.

In dat stuk van Steinberger staat verder dat u, gezien uw vijanden, wel iets goeds moet hebben gedaan. Ik noem ze nog even op: Orbán is uw grootste vijand, Netanyahu behoort ook tot uw vijanden, de voorstanders van de brexit zijn uw vijanden, Trump uiteraard. Mijn vijanden zijn uw vijanden. Ja, iets moet u goed hebben gedaan.

Ik heb weliswaar van het bestrijden van die vijanden geen fulltime bezigheid gemaakt, anders gaan zij je leven bepalen en dat moet je niet hebben. Alles met mate, ook vijandschap. Maar zijn de vijanden van mijn vijanden toevallig mijn vrienden? In dit tijdsgewricht is dat misschien de belangrijkste vraag die een burger zich kan stellen. Vergeleken daarbij zijn vragen over monogamie en voortplanting kinderspel.

Interessant overigens dat Orbán met een stipendium van uw Open Society Foundations (OSF) kon studeren in Oxford. Ook gaf u geld aan Fidesz, een studentenorganisatie die Orbán heeft opgericht, nu ook de naam van Orbáns partij.

De hand bijten waarmee men gevoed is, blijft een populaire tijdsbesteding. Maar het is meer dan dat. De Joodse zakenman (speculant!) die het kosmopolitisme, het liberalisme en de open samenleving verdedigt, is een heerlijke vijand om te hebben. In Hongarije maar ook elders weet een deel van de bevolking dat te waarderen. Dat deel dat ook de vreemdeling graag buiten de deur houdt om vrouwen- en homorechten te waarborgen. Men doet zich graag verlicht voor, de haat is verlichting, de guillotine is beschaving en de hoofden die in de mand vallen, brengen het paradijs naderbij. Men hoort zo weinig over Robespierre dezer dagen.

De tijd van fakkeloptochten en laarzen is hoe dan ook voorbij. Wat ergens jammer is, want zo waren ze makkelijk te herkennen.

Graag brengt men altijd in herinnering hoe uw hefboomfonds Quantum tegen het Britse pond speculeerde, en hoe op 16 september 1992 de Bank of England de strijd opgaf. Soros won. Toen nog minder een verdediger van de open samenleving, toen vooral een wereldberoemd speculant. Ook heeft uw hefboomfonds tegen de Thaise munt gespeculeerd, met onaangename gevolgen voor de Thaise economie. Engeland kan meer hebben dan Thailand.

U neemt met de ene, u geeft met de andere hand. Dat doen wij allen, zij het dikwijls op bescheiden schaal.

Er zijn natuurlijk ook mensen die niets nemen en die daarom ook weinig geven. Iedereen geeft zo’n definitie van fatsoen dat hij zijn eigen leven vervolgens fatsoenlijk kan noemen. Misschien zouden we ons moeten concentreren op het waarlijk onfatsoenlijke en de rest laten voor wat het is. Pick your battles.

Hoe kan een speculant de democratie bevorderen? Dat vragen lieden aan de uiterste zijden van het politieke spectrum zich af. Zij verachten het centrum waartoe u behoort.

Nu moeten we democratie niet alleen zien als ‘wil van het volk’, dat is een wat vulgaire definitie. Het volk is dikwijls een goedaardige tante die opendoet voor de scharenslijper, al haar scharen en messen aan de slijper meegeeft en zich vervolgens ook nog door hem laat beroven.

We kunnen sympathie voor de scharenslijper hebben, we kunnen hem proberen te doorgronden, we kunnen hem zielig vinden, maar hem toejuichen gaat me te ver.

‘Er was eens een muzikant die Meyn heette en hij kon prachtig trompet spelen,’ schrijft Günter Grass in ‘Die Blechtrommel’. Grass voegt eraan toe dat Meyn dronk van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, maar dat het ongeluk hem uiteindelijk ontnuchterde. Een prachtige zin.

Er was eens een Joodse jongen uit Hongarije die de nazi’s overleefde en een wereldberoemd speculant werd. Hij dwong het Britse pond op de knieën, maar een deel van dat Britse volk, het oudere deel, nam wraak door een kleine vijfentwintig jaar later voor de brexit te stemmen.

Nu betwijfel ik of ze dat echt deden om wraak te nemen op u, maar wraak speelt een rol, een grote rol zelfs.

Patrick van IJzendoorn schreef eerder dit jaar in de Volkskrant met lichte ironie: ‘Hoewel hij [Soros] geen Brits staatsburger is, koestert hij een speciale liefde voor het eiland.’

Er was eens een zakenman uit New York die meende dat het leven strijd was en dat het ene volk tegen het andere moest strijden. Hij had hotels, casino’s en een trouwe advocaat, maar hij besloot politicus te worden.

Er was eens een filantroop die verloor van Orbán, die verloor van Trump, die verloor van het Britse volk en die in het magazine van The New York Times zei: ‘Ik zou willen dat ik meer vrienden had.’

Ja, waar zijn de vrienden als je ze nodig hebt?

Nog steeds wil het volk geen vaderlandsloze gezellen. Het wil een vijand en een gemeenschap, het wil een monster en een verleider.

Het ongeluk zal ons allen ontnuchteren. En mocht het onverhoopt niet komen, dan zetten wij de roes voort.

Gezien uw vijanden moeten wij wel vrienden zijn.

Hartelijke groet,

Arnon »

Humo 4065/31 van 31 juli 2018

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 31 juli 2018

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: