Laatste loodjes: 'een vleugje snobisme'

, door (rv)

Deel
xl
© GETTY

Schrijven is in mijn geval nu ook weer niet zó prettig: het ontaardt altijd weer in arbeid. Ik schrijf dan ook niet voor mijn plezier maar voor de kost. Ik ben een professional: als het niet moet, dan schrijf ik lekker niet. Lezen kan ik dan weer níét laten. Op een winterdag in een goeddeels uitgewist jaar nam mijn vader me na de zondagsmis mee naar de dorpsbibliotheek. Onderweg telde ik de geteerde telefoonpalen: tellen kon ik al eerder, lezen nog maar pas. Al na mijn eerste uitlening ontstond er iets dat, hoewel alle moois spoorloos voorbijgaat, tot op heden onveranderd is gebleven: leeslust. Lezen mag dan hersenwerk zijn, maar evengoed is het als eten en drinken. Als je genoeg te eten en te drinken hebt, mag je niet zeuren. Lezen is bij uitstek het gezelschapsspel van de eenling, en die eenling is, als alles meezit, een vanzelfsprekende lezer. En een vanzelfsprekende lezer vindt lezen zo gewoon dat hij er vooral niet dik over doet.

Ik lees op het chaotische af onsystematisch, van de hak op de tak, en vorder meestal, zonder onderscheid van literaire rang of stand, in drie boeken tegelijk: heden in ‘Aangeschoten’ van Kenneth Cook, ‘De correspondent’ van Pieter Waterdrinker en de biografie van Adèle Bloemendaal door Henk van Gelder. Als lezer koester ik mijn eigenaardigheden: ik sla leesadvies in de wind en geheide bestsellers lees ik pas als niemand het er nog over heeft. Een vleugje snobisme siert de mens. Een kennis die me ooit toevertrouwde dat ze ‘graag haar gedachten op papier gooit’, vraagt me sinds 2013 telkens als we elkaar even voor de voeten lopen ‘of ik ‘Oorlog en terpentijn’ nu al heb gelezen?’ Als vanzelfsprekende lezer beleef ik dan een zeker genoegen aan het antwoord ‘neen’.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: