Heleen Debruyne: 'Tieten, heupen, hoofd'

, door (hd)

Deel
xl
© Belga Image

Zijn glimmend gepoetste zwarte veterschoenen zakken weg in het witte zand. Alsof het vrolijk groen-wit gestreepte Scheveningse strandtentje van waarachter hij komt opgedoken, een tot nu over het hoofd gezien portaal van de hel was. Achter hem sjokt zijn familie, wel in strandkledij. Slungelige pubers, schichtig kijkende schoonzoon, dochter met een eindeloos verveelde blik. Hij wijst met brede armgebaren naar een tafeltje, met parasol. Daar gaan ze zitten, daar en nergens anders. De zee ruist, de meeuwen jammeren, de zon schroeit, de schoonzoon schudt een kussentje voor hem op. Nog is hij niet tevreden. De kraaloogjes bewegen onrustig heen en weer, hij oreert verbeten tegen zijn zwijgende publiek. We kunnen niet ophouden met kijken, de man die naast en aan me zit en ik. We leggen onze boeken er even voor neer. Zelden zijn onuitgesproken familiale verhoudingen zo leesbaar. Hij is de baas. Of hij zijn positie handhaaft met overtuigingskracht of met terreur, kunnen we alleen maar vermoeden.

De baas recht plots zijn hoofd. Hij zwijgt. Hij staart. Zijn mond zakt traag open. We volgen zijn blik. De korenblonde serveerster. Ze balanceert met een dienblad vol frisdrank, haar gebruinde dijen steken uit een korte, rafelige jeansshort. Hij knipoogt naar haar, gluurt ongegeneerd in haar decolleté, de mond nog steeds openhangend. Ze doet alsof ze niets merkt. We kijken elkaar aan, lachen. Dit is een personage uit een tekenfilm, geen mens. Alleen de druppel kwijl ontbreekt. Het tableau is onweerstaanbaar, we blijven staren. De dochter kijkt weg van de zee en haar vader. We voelen vooral mee met de schoonzoon, menen ergernis, lafheid, wanhoop in zijn gebaren te lezen.

Ik sta op om naar de strandbar te lopen. Ik weet, vóór ik het merk, dat hij in deze volgorde naar me kijkt: tieten (kort), heupen (lang), hoofd (kort). Wanneer mijn gezel zich even bukt, ziet hij zijn kans. Hij tilt zijn arm traag op en zwaait naar me. Zijn gebaar is geen gewoon wuifje: hij houdt zijn hand stil, beweegt alleen z’n vingers traag op en neer, ik voel hoe die witte vingers mijn rug willen aaien en ril.

Ik ben verstijfd, weet niets te zeggen, kan alleen maar verbaasd en ongemakkelijk grinniken.

‘Ah, die Frauen!’ zegt hij wanneer de man naast me zich weer opricht, niet eens verontschuldigend. Ook hij weet niets te zeggen.

Hoe bestaat het, lachen we, wanneer we van de strandtent wegwandelen. Hoe kan zo’n karikatuur echt zijn? Hoe leef je, als je zo’n cliché bent? Ik zou hem niet als personage durven te bedenken, wegens een beetje overdreven. Terug thuis weet ik het. Dit is een man die nooit wordt tegengesproken. Ik voel me een slappeling: zo worden mensen die nooit weerstand ondervinden. Ik had kwaad moeten worden, íéts moeten zeggen, vind ik. Misschien leert hij er iets uit. Die man is te oud om nog te verbeteren, vindt hij. We hadden het toch moeten doen, besluiten we. Al was het maar voor de schoonzoon.

Humo 4069/35 van 28 augustus 2018

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 28 augustus 2018

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: