De wonderjaren van de voetbalgoden: van de straat naar de top

, door (jh)

Deel
voetballers

'Ik ben nog altijd dat kind van het grasveldje. Ik wil niet doordacht voetballen, ik wil spélen'

Als kind heb ik úren gevoetbald met mijn broer en een zwartwitte plastic Telstar-bal. We speelden ’s zomers op de oprit van de garage en ’s winters ín de garage. Het ene doelkader was een gat tussen de verwarmingsketel en een bezemkast, het andere een wasmand verdoken achter de wasmachine. Het speelveld was 4 op 2,5 meter en onze wedstrijdjes ontaardden vaak in een hate game of zelfs een handgemeen (goal afgekeurd als de bal niet in de mand bleef maar eruit botste!). Mijn voetbalcarrière is niet verder geraakt dan die garage, de schoolspeelplaats en het ruige veld van Rapid Deurne, maar de fascinatie voor het spel is gebleven. In portretten van topvoetballers is mijn favoriete passage die over hun prille jeugd. Bijna altijd komt een vader/moeder/oom/buurman dan vertellen hoe de wereldster-in-wording als kind op álles wilde trappen wat voorhanden was: een blokje hout, een colablik, een bal van aluminiumfolie. De ongeschreven regel is dat de ‘sokkenbal’ dé basis is. Wie daarmee begint, is op de wereld gezet om het letterlijk en figuurlijk vér te schoppen.

Plastic zakken

Cristiano Ronaldo (Juventus) en Ronaldinho (ex-Barcelona) hebben in hun vroege jeugd met sokkenballen gespeeld. Ronaldo hield het niet bij sokken, in zijn biografie is ook sprake van ballen ‘gemaakt van gebundelde plastic zakjes’. Geen wonder dat er van Ronaldo een hele stoet filmpjes bestaat waarin hij appelsienen, golfballen, plastic waterflesjes, of zelfs enkel de dop ervan, hooghoudt.

Het gaat allemaal terug naar de sokkenbal uit de kindertijd. Een bal die stroef stuitert, vereist immers meer behendigheid en traptechniek, en die handigheid krijgen die kinderen spelenderwijs in hun voeten. De vader van David Beckham moet het geweten hebben, want toen David 4 jaar was, maakte zijn vader voor hem ‘een zachte, kleine bal van opgerolde sokken’. En toen Lionel Messi in 1991 nog niet boven de tafelrand uitkwam, en al bezeten was door het spelletje, kon het toch nog gebeuren dat de Vlo ergens zonder bal viel. Volgens zijn broer Matias vond hij dat ondraaglijk en ging hij dan ‘gauw een bal maken van samengedraaide sokken of plastic zakken’.

In veel Zuid-Amerikaanse krottenwijken spelen kinderen nog steeds met bijeengebonden vodden of plastic zakken. Ook in Afrika, waar armoede vaak de eerste sparringpartner is, staan kinderen dikwijls te trappen op een zelfgemaakte bal. Op stoffige veldjes spelen ze er met textiel dat op alle mogelijke manieren tot een bal is gebundeld: met visnet, een appelsienennet, tape, elastiek of een cadeaulint. Als er niks anders voorhanden is, spelen ze met een conservenblik of met een harde, onrijpe mango.

In de tijd voor plastic, toen er alleen maar lederen voetballen waren, konden arme ouders die luxe onmogelijk betalen. Daarom speelden de Braziliaanse wereldster Pelé en zijn vriendjes in de jaren 40 met een namaakbal, een sok ‘die ze opvulden met papier en die ze met touwen tot een ronde vorm kneedden’. Ook de begenadigde Hongaarse wereldster Ferenc Puskás (1927-2006) en de beroemde Portugese international Eusebio (1942-2014) zijn hun carrière begonnen met een ‘voddenbal’. Nu nog zouden Alvaro Morata (Chelsea) en Marcelo (Real Madrid) een sokkenbundeltje hooghouden ‘als verstrooiing op hun hotelkamer’.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: