'Overlever van de Bende van Nijvel': David Van de Steen ontmoet de man die hem redde

, door (ab)

14

'Ik liep je eerst voorbij omdat ik dacht dat je dood was. Maar toen hoorde ik je kreunen'

Drie weken na de overval. Voor de deur van mijn ziekenhuiskamer is het altijd een grote drukte. Ik ben een studieobject voor de dokters, die naar een oplossing zoeken om mijn been te redden. Het is een gemene wonde. Bij het laatste schot, dat de gangster van dichtbij op me loste, heeft de hagel zich langs alle kanten verspreid. De stukjes lood zijn diep in het vlees geslagen. Hagelbollen hebben een enorme vernieling aangericht. De heupkop is weggeschoten. De slagader en de spieren zijn doormidden gesneden. Eigenlijk hangt alles alleen nog met wat huid aan de onderkant van mijn bil aan elkaar. Mijn jeansbroek heeft het been op zijn plaats gehouden, maar op de operatietafel is het uit elkaar gevallen. Dokters hebben er chromen pinnen ingestoken, die ervoor moeten zorgen dat het verhakkelde boeltje weer aan elkaar groeit. Elke dag moet de wonde uitgewassen worden, en dat doet zo’n pijn dat mijn hoofd bijna ontploft.

Mijn grootvader, Albert Van den Abiel, is mijn grootste houvast. ’s Morgens lig ik in bed al vroeg op hem te roepen. Hij staat er elke dag, en blijft bij mij tijdens alle behandelingen, verzorgingen en operaties. Het moet ontzettend moeilijk voor hem zijn om zich staande te houden, maar hij doet het voor mij.

Elke dag komt ook zuster Bénédicta langs, de directrice van het ziekenhuis, een vinnig klein dametje. Onder haar nonnenkap zitten twee arendsogen die alles scherp in de gaten houden. Als het bed niet perfect is opgemaakt, als ik geen water meer heb, of niet op tijd verzorgd ben, dan krijgen de verpleegsters ervan langs. De directrice loopt zich de benen van het lijf om het mijn familie zo comfortabel mogelijk te maken. Soms vergezelt ze mijn grootvader en mij naar de operatiezaal. Mijn grootvader beschouwt zuster Bénédicta als een heilige. Haar bezorgdheid staat in schril contrast met de onverschilligheid van het gerecht waarmee mijn familie elke dag een beetje meer te maken krijgt. Niemand van onze familie heeft tot nu toe iemand van het gerecht of de politie op bezoek gekregen. Niemand van onze familie is officieel op de hoogte gebracht dat mijn pa, mijn ma en mijn zus zijn vermoord. Op de avond van de aanslag zijn tantes en nonkels zelf naar ons gaan zoeken, anders hadden ze een dag later nog niks geweten.

'Ik ben een studieobject voor de dokters, die naar een oplossing zoeken om mijn been te redden.' (Van links naar rechts: Metje, David, koningin Fabiola, Petje.)'

De verpleegsters vertellen dat in de nacht dat ik werd binnengebracht, iemand van het gerecht urenlang voor de deur van de operatiezaal heeft zitten wachten. Om de kogels te recupereren die de dokters uit mijn been haalden. Een paar dagen later heeft een verpleegster voor mijn grootvader een grote witte zak bij, die één van de speurders haar heeft meegegeven. ‘De zak stinkt verschrikkelijk naar bloed,’ waarschuwt ze hem. Het zijn de kleren die ik op de fatale avond droeg, doordrenkt van bloed en doorzeefd met kogelgaten. De jeansbroek die ik droeg, en de nieuwe Kickers die ik daags voordien had gekregen bij Schoenen Muys in Ninove.

In mijn anorak was een kogel de rechterzak binnengedrongen en er aan de voorkant weer uitgevlogen. ‘Je hebt nog veel geluk gehad,’ vertelt mijn grootvader achteraf. In de zak heeft hij mijn muts teruggevonden: er zitten twee kogelgaten in, net onder de pompon.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: