Dwarskijker over 'Dancing with the Stars' en 'Die huis': 'Een geluid ter attentie van niemand in het bijzonder'

, door (rv)

27
dancing 1200

Dancing with the stars

VIER – 9 november – 445.032 kijkers

Als neuroot droom ik doorgaans onprettig, maar een enkele keer word ik in een opperbeste stemming wakker, nadat ik in Buenos Aires meeslepend de tango heb gedanst met een plaatselijke schone die in mijn droom Constanza von Ribbentrop heet. Er was een tijd dat Duitsers maar al te graag de wijk namen naar Argentinië. Maar waar ik eigenlijk heen wilde: ik bewonder mensen die iets kunnen wat ik niet kan, mooi en hartstochtelijk dansen. Ik kijk graag naar mensen die lijf en leden elegant beheersen en daardoor de zwaartekracht te vlug af lijken te zijn op muziek. Daar komt nog bij dat ik op vrijdagavond zozeer uitgezongen ben dat ik alleen nog licht amusement verdraag. Ik maak dan ook geen bezwaar tegen ‘Dancing with the Stars’, tenzij dan tegen die nodeloos Engelse programmatitel. God weet dat ik niet veel opheb met schnabbelende BV’s, maar ik waardeer in dit programma hun lef, of anders hun in branie omgezette paniek. Als kunstliefhebber heb ik altijd al oog gehad voor de benen van de meisjes van het showballet, maar dat esthetische genoegen mag jammer genoeg niet doorwegen in een hoe dan ook ernstig bedoelde bespreking van een televisieprogramma.

De potentiële handicap van de beroepsdansers die in dit programma aan het licht treden, is altijd weer de Bekende Vlaming die hun als danspartner toegewezen is. Ik had te doen met Laura Jottay die het beste had moeten maken van Peter Van Asbroeck. Toen hij de wedstrijd moest verlaten, deed zij geen enkele moeite om haar teleurstelling weg te moffelen, wat ik op prijs stel in de schijnwereld van de showbizz.

Sien Eggers, die in dit programma voor vreemde eend moest spelen, werd als eerste terug naar huis gestuurd, uit dank voor bewezen danspassen. Dat ze er niet meer bij is, is jammer voor mijn amusement. Sien Eggers zette zoals vaker een ietwat verwarde vrouw van een zekere leeftijd neer, die dit keer het spoor bijster was op de dansvloer en zich daar met komisch oogmerk niets van aantrok.

Voortaan zal ik voor enigerlei humor mogelijk een beroep moeten doen op het jurylid Joanna Leunis, voor wie ik intussen een zekere belangstelling heb ontwikkeld, zij het in alle eer en deugd, en veeleer populairwetenschappelijk. Zij is een danseres van middelbare leeftijd die soms de onbedwingbare neiging heeft om iets voor te dansen op de jurydesk. Hoewel in Luik geboren, spreekt ze Nederlands met een veeleer Slavische tongval, als een actrice die in een boulevardstuk ten tijde van de vorige Koude Oorlog gestalte moest geven aan Natascha, een doortrapte Russische spionne, maar dan om te lachen. In de jury van dit soort dansprogramma’s duikt er, ter wille van het sérieux, vaker iemand met een accent uit het voormalige Oostblok op. Ik denk aan Euvgenia Parakhina in ‘So You Think You Can Dance’ op VTM. Iemand uit Aalst is, hoe je hem ook wendt of keert, jurylid Michel Froget, die zich woordenreeksen laat ontvallen als ‘een bepaalde broosheid die ik kan sensen.’ Dat klinkt deskundig genoeg voor de leek, sens ik. Wars van een bepaalde broosheid ‘Dood aan de Nederengelse kromtaal!’ roepen helpt niet, maar het lucht wel op.

Ach, wat de juryleden ook mogen sensen, hun kennerschap doet er nauwelijks toe, want er is televoting in het spel, een misplaatste vorm van democratie die elke danswedstrijd tot een populariteitspoll versmalt. Dit keer draaide ‘Dancing with the Stars’ meer om de particuliere emootsies van de deelnemers dan om hun dansprestaties. De opdracht was: autobiografisch dansen, geïnspireerd door een levensfeit of een gebeurtenis die ze, voor alzheimer toeslaat, niet licht zullen vergeten. Een paar weken geleden had James Cooke, een opvarende van de Evanna, ter nagedachtenis van een vermoorde vriendin gedanst, waarna hij zijn ontroering niet meer meester was en zijn tranen dan ook de vrije loop liet. Dit keer zou Ian Thomas al dansend herinneringen oprakelen aan de barre tijd dat hij zo te horen vreselijk gepest werd op school, wat natuurlijk ook op tranen uitliep. Ik bagatelliseer het verdriet van die BV’s niet, noch durf ik aan de afgrondelijke diepte van hun gemoed te twijfelen, maar die eeuwige brokken in de keel en dat publieke grienen lijken me, hoe welgemeend ook, altijd gratuit in amusementsprogramma’s. Alsmede gênant. Karen Damen, die een keertje een plaat heeft gemaakt, heeft niet eens een vage aanleiding nodig om te huilebalken: haar onderlip trilt aan één stuk door, alsof ze ver van het controlecentrum een eigen leven leidt. Toen de aftiteling liep, zag ik Karen Damen met een tragisch behuild gezicht tussen de deelnemers staan, alsof ze zopas achter de doodskist van een naaste had gelopen. Ze mocht door naar de volgende ronde: meer was er niet aan de hand.

Jani Kazaltzis speelt in dit programma een gezellige, altijd allesbegrijpende tante bij wie iedereen naar hartenlust mag uithuilen. Jani is meer in zijn element als hij openlijk van andermans plunje mag griezelen dan als copresentator van dit programma, vind ik. In ieder geval vestigt hij ongewild de aandacht op het professionalisme van Gert Verhulst, de bootsman van de Evanna. En zo heeft alles een doel in de dolle wereld.

'Stefaan Degand werd in dit programma nadrukkelijk met zijn verlies geconfronteerd, en er vloeide zo te zien ook aldoor wijn, maar hij hield zich haaks'

Die huis

Eén – 13 november – 963.795 kijkers

De acteur Stefaan Degand, die zich van de grote hoop onderscheidt door geen rijbewijs te hebben, mocht met technische hulp van Eric Goens met de tractor naar ‘Die huis’ tuffen, een door vergezichten ingesloten woonpaleis in Zuid-Afrika – het soort kast van een huis waar bewoners haast te veel aan zijn. Daar stelde Stefaan Degand, die zich van de grote hoop onderscheidt door volop te zijn wie hij is, zich in op onbekrompen eten en drinken en voor de rest vooral ‘geen sport, geen gedoe.’ Een sigaret op z’n tijd, dat dan weer wel. ‘Honey, I’m home!’ schalde hij als binnenkomer. Er was niemand thuis.

Uit de vakpers hebben we een tijd geleden vernomen dat Stefaan Degand een nieuwe liefde koestert, maar toen hij in ‘Die huis’ neerstreek, was hij nog in een noodlotsdrama buiten het theater verwikkeld: Julie, zijn vrouw, de moeder van zijn dochtertje, was hem in luttele uren ontvallen ten gevolge van een bacteriële hersenvliesontsteking. ‘De liefde van mijn leven is weg,’ zei hij, ‘we waren gek op elkaar. We hebben er in die twaalf jaar alles uitgehaald wat er inzat.’ Nadat hij op verzoek van Eric Goens enig doodlopend leven in een schuiftrombone had geblazen, een instrument dat hij lang geleden al had opgegeven, kwam de interviewer snel weer ter zake: ‘Je bent Julie echt in een paar uur kwijtgeraakt, hè?’ Stefaan Degand bracht vervolgens op nuchtere toon verslag uit van de noodlottige dag waarop zijn vrouw stierf. Hij ging stap voor stap haar weg naar het einde na, die ook zijn weg naar een onverwacht nieuw begin als alleenstaande vader was. Hij twijfelde er toen nog aan of hij wel voor zijn kind zou kunnen zorgen. Dat hij op nuchtere toon over zijn leed sprak, ‘geen gedoe’, waardig en zonder erbij vol te schieten, zonder theater, maakte zijn relaas des te hartroerender. Hij zag dit programma als een ode aan zijn vrouw, zou hij aan het eind van ‘Die huis’ zeggen.

Stefaan Degand werd in dit programma nadrukkelijk met zijn verlies geconfronteerd, en er vloeide zo te zien ook aldoor wijn, maar hij hield zich haaks, evenwel zonder het pijnlijke onderwerp uit de weg te gaan: ‘Ik zing een tweestemmig lied. De tweede stem is verdriet. Daar moet ik mee leven.’ ‘Mooie vrouw, hè?’ zei hij bij het zien van haar foto. ‘Ongelofelijk. Ze was mijn vertrekpunt.’ ‘’t Is een afschuwelijk gemis,’ stelde Eric Goens ten overvloede vast: zout in de wonde wrijven is een gebruikelijke interviewtechniek en fijngevoeligheid is veeleer een nadeel in de interviewerij.

De makers van ‘Die huis’ lieten geen kans onbenut om Stefaan Degand als eenzame man af te schilderen: er zaten veel beelden in waarin hij in gedachten was, of in z’n eentje in de verte of in een glas wijn staarde. Of iets in zichzelf mompelde. Of een non-descript geluid uitstiet ter attentie van niemand in het bijzonder. Op een bepaald moment zei hij dat hij ernaar verlangde om de vraag ‘Hoe gaat het met je?’ te kunnen beantwoorden met: ‘Goed. Ik ben verliefd.’ Fijn voor deze markante en ontroerende man dat het intussen zover is.

‘Heb je je al afgevraagd of je misschien een afwijking had?’ wilde Eric Goens tot slot van Stefaan Degand weten. Dat vroeg Eric Goens zich kennelijk zelf af na waarneming van de acteur. ‘Neen,’ luidde het antwoord. Voor authenticiteit moet je niet naar de dokter. Leve de karakteracteurs!

Rudy Vandendaele

Humo 4081/47 20 november 2018

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 20 november

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: