Dossier Jongdementie: onze journaliste ziet hoe haar vader aftakelt en praat met lotgenoten

© Carmen De Vos

, door (sp)

282

'De eenvoudigste dingen ontglipten papa. Hij wist niet meer hoe hij water uit de kraan kreeg, of hoe de koffiezet werkte'

Een paar keer per week ga ik mijn vader bezoeken in het rusthuis. Als de schuifdeuren opengaan, ruik ik telkens dezelfde weeë geur. Een vreemde mengeling van eten en incontinentieluiers. Met de lift ga ik naar de vierde verdieping, de gesloten afdeling. Terwijl de deur achter mij dichtvalt, sloft één van de bewoners voorbij. Een aimabele, altijd rustige man die weleens een grapje maakt, maar ook mindere dagen heeft. ‘Dag Gilbert, hoe gaat het met je vandaag?’ vraag ik. ‘Ha, ken ik u dan?’ murmelt hij.

Ik wandel verder naar de kamer van mijn vader. Naast de deur hangt zijn foto. Ik zie hem zoals hij vroeger was, met leven in zijn ogen en woeste krullen op zijn hoofd. Ik kom de kamer binnen en zie hem scheef en onderuit gezakt in zijn stoel zitten. Zijn blik is leeg. Hij kijkt rond, maar vindt geen focus. Zijn blik glijdt over de televisie, over de maquette die hij ooit zelf maakte, over mij. Als ik vlak bij hem sta, lijkt hij me nog altijd niet te zien. Om dan plots toch oogcontact te maken en guitig te glimlachen. Hij is vader, niet vaderlijk. Hij is de schaduw van wie hij was, maar beseft het gelukkig zelf niet.

Sinds anderhalf jaar woont papa in het woon-zorgcentrum. Zijn wereld bestaat uit een slaapkamer en een gemeenschappelijke leefruimte. De centrale gang rond die leefruimte is cirkelvormig zodat de bewoners eindeloos kunnen dolen zonder op muren te botsen. Ook papa wandelde het eerste jaar door die gang. Mama deed hem toen nog zijn kostuums aan, om hem niet alle waardigheid te ontnemen. Als je hem daar als buitenstaander zag wandelen, schijnbaar met een doel, zag hij er allicht perfect normaal uit. Tot je hem in de ogen keek. Dan zag je wazige afstandelijkheid. Vandaag wandelt hij niet meer. Hij slijt zijn dagen in een soort rolstoel annex ligbed.

Het is stipt vijf uur ’s avonds, tijd om te eten. De verzorger rolt zijn stoel naar de eetruimte, waar de bewoners in groepjes rond gebloemde tafelkleden zitten. Daar zit hij, tussen hoogbejaarde mensen die hem verward vragen of hij toevallig weet waar ze zijn. Hij kijkt amper op. Zelf spreekt hij niet meer. Hij was nooit heel spraakzaam, maar niet lang na de diagnose in 2011, hij was net geen 60, werd hij nog zuiniger met woorden. Ik weet zeker dat hij zo’n gedwongen sociale toestand vroeger vreselijk had gevonden. Hij was een minzame introvert die zijn familie en een select clubje vrienden graag zag. Zijn energie bewaarde hij het liefst voor hen. Nu zit hij elke dag te midden van een absurdistisch theaterstuk. Wanneer één van zijn tafelgenoten een chaotische woordenbrij zijn richting uitspuwt, glimlacht hij traag.

Sleutels in diepvries

Papa was burgerlijk ingenieur-architect. Zijn bureau bouwde hij in de jaren 70 aan de gezinswoning. De laatste vijf jaar voor de stopzetting van de zaak ging het almaar slechter. Klanten klaagden dat hun dossier te traag vooruitging of dat hij bizarre bouwkundige oplossingen voorstelde. Die implosie heeft hij lang verborgen gehouden voor ons. Waarschijnlijk voelde hij wel dat zijn werk, zijn jarenlange expertise, hem ontglipte, maar wist hij niet waarom. Die machteloosheid moet vreselijk zijn geweest. Toen mama hem uiteindelijk voorstelde om even te stoppen met werken, werd hij kwaad: ‘Wie is hier de ingenieur?’ Ondertussen gooiden de dokters ons de ene diagnose na de andere naar het hoofd: depressie, burn-out, slaapapneu... Maar wij vonden ze nooit echt passen, want we zagen papa op een veel te ingrijpende wijze veranderen. Het viel ons op door schijnbaar onschuldige, maar atypische dingen. Zoals zijn radio die plots op de bonkende bassen van MNM stond in plaats van op Klara. Hij werd ook onrustiger, weerspannig en zichtbaar ongelukkig.

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: