Dwarskijker over 'Hoe Zal ik het Zeggen?' en 'Dance as One': 'Een waarmerk van deskundigheid'

, door (rv)

8
a1

Hoe zal ik het zeggen?

VTM – 19 november – 707.088 kijkers

Voor de derde keer sleepte het productiehuis Shelter een Emmy Award in de wacht, nu voor ‘Hoe zal ik het zeggen?’, een programma dat mij minder aanspreekt dan ‘Wat als?’ en ‘Benidorm Bastards’. Niettemin: hartelijk gefeliciteerd, Shelter. Een Emmy is wel de Ha! van Humo niet, maar het is het gebaar dat telt.

Toen die Emmy nog enkele uren onbestemd in de lucht hing, nam vorige week het tweede seizoen van ‘Hoe zal ik het zeggen?’ een aanvang. Presentator en aanstichter Jens Dendoncker, een stand-upcomedian die zich in het open veld waagt, doet nog steeds alsof hij thuis is: hij ijvert zoals alle West-Vlamingen voor de wereldoverheersing van de West-Vlaamse tongval, want gewoon Nederlands is op de televisie een klein gebrek dat aan nieuwslezers is voorbehouden. Toch is Jens Dendoncker me veeleer sympathiek, hij lijkt me het soort kwajongen dat op woensdagmiddag braafjes sigaretten rolt voor zijn bedlegerige en aldoor afgrondelijk hoestende grootmoeder: ‘’t Is toch zwáre shag hè, Jensje?’

‘Hoe zal ik het zeggen?’ bevat nog steeds lichte zedenlesjes met de verborgen camera als getuige, en tegelijk is het een goedgevoelprogramma voor mensen die nog het liefst aardig zijn in deze barre en boze wereld. Ik ben steeds meer voor ze te vinden.

Ward, een jongen van 15, liet nooit zijn hond Miel uit, een huisdier waar hij ooit eindeloos om had gezeurd. In de ban van smartphone en tablet vertikte hij het om zich ook maar eventjes met die hond bezig te houden, wat zijn ouders ertoe aanzette om ‘Hoe zal ik het zeggen?’ in te schakelen – gewoon opvoeden leek niet meer te lukken. Terwijl dat ouderpaar zich verdekt had opgesteld, zagen we hoe Ward thuiskwam en in de woonkamer een namens de gefrustreerde hond Miel door het productieteam aangerichte ravage aantrof. Ook toevallig: te midden van die janboel dook een hondenpsycholoog op die de lichaamstaal van Miel door middel van geavanceerde spraaktechnologie in mensentaal met een West-Vlaams accent kon omzetten. Weldra voerde Ward in alle ernst een gesprek met Miel, tot die hond met de lichtjes vervormde stem van Jens Dendoncker zei: ‘Vind je het zelf niet raar dat je een gesprek met een hond aan het voeren bent?’ Het benieuwt me hoe lang zijn klasgenoten, ook etters van 15, zich vrolijk zullen maken over die keer dat Ward nietsvermoedend met zijn hond converseerde.

En dan was er ook nog een student die het volgens zijn zogenaamde vrienden niet nauw nam met de persoonlijke hygiëne en dienovereenkomstig uit zijn poriën meurde. Je kunt dat probleem discreet aanpakken, maar die student op de televisie als bunzing afschilderen, ten aanschouwen van honderdduizenden mensen die hem nog niet hebben geroken, is mogelijk efficiënter. Dat dan weer wel.

Mogelijk ben ik weekhartiger dan in de beste jaren van mijn leven – ik moet tegenwoordig al wat wegslikken als ik onder het rommelen in een ladekast op een kindertekening van één van mijn nu volwassen kinderen stuit. In ‘Hoe zal ik het zeggen?’ bleef ik niet onbewogen bij een scène waarmee het autistische meisje Laurence met de hulp van ‘Hoe zal ik het zeggen?’ te kennen wilde geven dat ze haar zusje Sandrine, haar steun en toeverlaat, dankbaarder was dan ze door haar autisme kon laten merken: ‘dankjewel’ zeggen was onbegonnen werk. Vervolgens zagen we Sandrine met een vriendin genoeglijk in een café zitten. Daar begon een zonderlinge man, een engerd van het type acteur-die-een-engerd-speelt, ineens een ander meisje toe te zingen, dat hij in zijn lied Sandrine noemde. Dat lied had de melodie van ‘Total Eclipse of the Heart’, toevallig het lievelingsnummer van het zusje van Laurence. Het toegezongen meisje zei dat zij niet Sandrine was, en de echte Sandrine, die zich intussen verward afvroeg wat er in godsnaam gaande was, zei beduusd dat zíj vermoedelijk de Sandrine in kwestie was. Waarna de overige klanten van het café één voor één en ten slotte allemaal samen, als in de finale van een musical, haar namens haar zusje meerstemmig een danklied toezongen. De ontroering sloeg zowel bij Sandrine als bij mij in toen zij besefte wie achter het danklied zat: anderhalve seconde van volkomen weerloosheid, één tel voor ze Laurence in de armen kon vallen, die tegen haar stoornis in ‘dankjewel’ kwam zeggen.

De vrouw en de dochter van Alex Agnew vonden dat de gevierde komiek een dusdanig slechte verliezer was dat ze die nare trek liever op de televisie wereldkundig maakten dan dat ze er in huiselijke kring iets aan probeerden te doen. De vrouw van Alex Agnew gaf met plezier een paar tekenende voorbeelden: toen hij een partijtje biljart verloren had, en zijn collega Thomas Smith hem dat grinnikend inwreef, ramde hij in het toilet van de biljartzaal zijn vuist tot bloedens toe tegen de muur. Toen zijn dochtertje hem inmaakte bij het ganzenborden, zou hij ook zorgwekkend gedrag hebben vertoond. Nu ja, een persoon die geen heerserstype is, wil nooit het Sportpaleis toebrullen en het hoofd bieden aan af- en aanwaaiende lachorkanen. Zijn echtgenote en dochter leverden Alex Agnew met enige voorpret over aan ‘Hoe zal ik het zeggen?’, een programma dat een prangende situatie voor hem had bedacht: er werd hem gemeld dat er iets misgelopen was met zijn dochter op school. Of hij even wilde langskomen. Ter bestemming vernam hij dat zijn oogappel door het lint was gegaan omdat ze een spelletje verloren had: ‘Het zit in de familie,’ zei hij met het grijnsje van iemand die trots is op familietrekken, maar toen hij zag dat zijn dochter het klaslokaal zowat had vernield, viel hij in een ernstiger plooi. Hij kreeg ook te horen dat zijn dochter zich in de wc had opgesloten, waarna hij merkwaardig beheerst, en tegen zijn podiumpersoonlijkheid in, op haar in ging praten. De deur van de wc ging open en bracht – je zult het in dit programma altijd zien – Jens Dendoncker aan het licht. Alex Agnew deed wat alle dupes van verborgencameraprogramma’s doen: ‘Je bent een ongelofelijke lul’ zeggen en de desbetreffende lul, na enig driftig heen-en- weergeloop, innig omhelzen. Alex Agnew verkocht Jens Dendoncker tot slot nog een in scène gezette stomp tegen de neus. ‘Hoe zal ik het zeggen?’ won die Emmy in de categorie non-scripted entertainment. Die stomp doet ons de betrekkelijkheid van non-scripted entertainment inzien.

Dance as one

VTM – 14 en 21 november – 293.294 en 348.875 kijkers

‘Probeer dat maar eens te beaten,’ hoorde ik jurylid Laurien Decibel, née De Munck, eens zeggen: het werkwoord ‘overtreffen’ kwam niet in haar op, die keer in ‘Dance as One’. Juffrouw Decibel kon ons nog meer vertellen en liet dat dan ook niet na: ‘Ik ben blij dat jullie niet defeated waren na de eerste strenge jurycommentaar.’ Ach, onnodig Engels zal wel een waarmerk van deskundigheid zijn bij juryleden van dansprogramma’s. Uitspraken als ‘Jullie brengen zo’n energieke energie in de zaal’ (Timor Steffens) spreken onder vaklui vast boekdelen. En jurylid-in-een-dansprogramma zal onderhand wel een erkend beroep zijn, want Jan Kooijman zetelt zowel in ‘Dancing with the Stars’ als in ‘Dance as One’. Er heerst vast krapte op die specifieke arbeidsmarkt.

'Nicolette van Dam en Niels Destadsbader citeren zou me te ver leiden, mogelijk naar een plek waar niemand ooit van is teruggekeerd'

‘Dance as One’ draait, zoals de onnodig Engelse titel al doet vermoeden, om dansgroepen, hier voor de verstaanbaarheid crews genoemd, die vaak verbluffend synchroon dansen, en mij dan ook aan – alle verhoudingen in acht genomen – Noord-Koreaanse massaspektakels doen denken waar Kim Jong-un speciaal voor naar de kapper gaat. Door middel van de slomo cam, een vinding waar men in dit programma trots op is, kunnen de juryleden precies laten zien wat er zoal adembenemend was tijdens het synchroondansen, maar evengoed wat er zoal misliep. Het lijkt me bepaald naar voor zo’n danser om, als hij of zij een fractie van een seconde niet synchroon zat met de rest, omcirkeld in beeld te verschijnen als weeffout van de week.

Camera’s voeren scheervluchten uit, de omgeving doet aan een pleisterplaats voor trekkies denken, en presentatoren Nicolette van Dam en Niels Destadsbader volharden in een enthousiaste toon. Hen citeren zou me te ver leiden, mogelijk naar een plek waar niemand ooit van is teruggekeerd. Bovendien wil ik als een haas naar het laatste luik van ‘Dance as One’ toe. Daarin dansen de crews vaak ongelofelijk synchroon met een video-opname waarop je hen eerder op de dag ongelofelijk synchroon ziet dansen. Dat millimeterwerk in de ruimte is een verbijsterend caleidoscopisch gezicht, een haast tegennatuurlijk kijkspel waaraan je je onwillekeurig vergaapt. Merkwaardig dat ik me na afloop helendal verzadigd voel van dat anders toch adembenemende synchroondansen. Dat komt misschien omdat dit programma vaak met succes de schijn van volmaaktheid ophoudt en nagenoeg geen andere gevoelens dan verbazing in mij teweegbrengt. Elke week vuurwerk zou ook van het goede te veel zijn.

Humo 4082/48 27 november 2018

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 27 november

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: