'Wij, een simpel, blank gezin uit Hamme, waren er zeker van dat zwarte mensen in Gods ogen evenveel waard waren.'

, door (hb)

394
a1
© BELGAIMAGE

Als achterneef van iemand die belangrijk is geweest voor de voortgang van de kolonisatie in Congo, werd ik uitgenodigd voor de heropening van het AfricaMuseum in Tervuren. Die persoon was zuster Apollonia, bijgenaamd Appie, en ze was meer bepaald mijn groottante nonnetje, die in de jaren 40 en 50 van de vorige eeuw aan missiewerk deed in Congo.

Zij leerde de zwarte kindjes het alfabet, tot tien tellen, hun veters knopen en respect hebben voor het Belgische koningshuis, het Belgische volk, de Belgische rechtspraak en de overheersing van de blanke man. Hoewel zij geen blanke man was, maar een blanke vrouw, wist ook zij de overheersing op een hoog peil te houden. Een zwart kindje dat niet binnen de maand tot tien kon tellen, gaf zij van de karwats. Een kindje dat tot twintig kon tellen, werd dan weer beloond met een stukje zilverpapier. Je moet weten dat in die tijd hopen zilverpapier werden verzameld om ze naar de zwarte mensen in Afrika te sturen. Wat zij met dat zilverpapier konden aanvangen, is nooit duidelijk geworden. Het motto was: ‘Ze mogen al blij zijn dat ze íéts krijgen, en als ze godverdomme niet blij zijn met zilverpapier, kunnen ze van de karwats krijgen.’

Tante Appie had in het mede door haarzelve dictatoriaal geleide stuk brousse de beschikking over vier sterke zwarte mannen, die haar draagstoel op de schouders moesten hijsen. In die stoel zat zij pontificaal, in haar witte habijt, haar karwats in de ene hand en een palmblad in de andere, om de vliegen weg te slaan. Op een keer struikelde één van de dragers, waardoor Appie met haar kloten uit de stoel op de grond stuikte, en die drager werd drie weken lang opgesloten in een van de hitte ziedende cel. Hij kreeg één kroes water per dag, en één plak apenbil. Toen hij eruit kwam, was hij krankzinnig geworden. En omdat de blanke overheerser niet dol was op gehandicapte, invalide of de kluts kwijt zijnde zwarten, werd hij naar het bos gebracht en gefusilleerd.

Om de twee jaar kwam Appie naar België en deed ze een toer langs allerlei familieleden, aan wie ze vertelde over haar vele avonturen. Ze liet foto’s zien en gaf er commentaar bij, zoals: ‘Hier zie je een zwartje dat m’n onderkledij met de hand wast.’ Of: ‘Deze negerin heb ik persoonlijk leren breien.’ En: ‘De nieuwe missionaris, pater Arsène, wordt begroet door het stamhoofd, een kerel die heel goed op een baviaan lijkt, vinden jullie ook niet?’

Wij keken nooit echt uit naar de komst van tante Appie. We vonden haar een onaangename vrouw, behept met een verschrikkelijke arrogantie. De overtuiging dat de zwarten content mochten zijn met de inmenging van mensen als zij, vervulde ons met afschuw. Wij, een simpel, blank gezin uit Hamme, waren er zeker van dat de zwarten niet gevraagd hadden naar die inmenging, en dat zwarte mensen in Gods ogen evenveel waard waren als de blanken, ofschoon die zelden papegaaien uit de bomen schoten met in gif gedoopte pijlen, of onder begeleiding van tamtamgeroffel en wilde kreten uitend rond een kampvuur dansten.

Ik persoonlijk vond het jammer dat papegaaien doodgingen, zoals ik de moord op om het even welk dier jammer vond, maar bij het geroffel van de tamtam luid schreeuwend rond de vlammen dansen, dat leek me wel wat. Op een keer vroeg ik aan m’n ouders een tamtam voor m’n verjaardag, maar in de muziekwinkel Elka in Hamme verkochten ze helaas geen tamtams.

In het AfricaMuseum hangt een foto van tante Appie, met als onderschrift: ‘Zuster Apollonia deed veel goeds voor de bevolking van het dorp Atavu.’ Eigenlijk had het onderschrift moeten luiden: ‘Zuster Apollonia deed ten zeerste haar best om het dorpje Atavu naar de vaantjes te helpen.’ Tijdens één van haar reizen van Congo naar België kreeg Appie een hartaanval in het vliegtuig, en ze werd begraven op het kerkhof van de Zusters van de Oneindige Maagdelijkheid in Brugge. Het is niet bekend hoe de inwoners van Atavu op haar dood hebben gereageerd, maar ik kan me voorstellen dat er tot laat in de nacht werd gedanst, dat de tamtam overuren maakte en dat er poppen van zuster Appie in het vuur werden gesodemieterd.

In die tijd, toen nagenoeg iedereen katholiek was, waren de tante Appies en de nonkel Arsènes niet te tellen, en zij waren een smet op de blazoenen van vele Belgische en andere westerse families. Hun foto’s mogen gerust uit de musea verwijderd worden.

Humo 4085/51 18 december 2018

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 18 december 2018

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: