Heleen Debruyne: 'Waarom draai ik mee in de toeristische industrie?'

, door (hd)

11
heleen db 1200
© BelgaImage

Net was het nog zo gezellig, met de Iraanse hipsters in de koffiebar. Nu kijken ze naar me alsof ik krankzinnig ben. Humor is dan wel universeel, wat grappig is kennelijk niet. Hoe red ik me hieruit?

Veracht hij me in stilte, de portier die telkens opspringt en naar me buigt wanneer ik het met hekken omringde dure flatgebouw in Mumbai nader? Vast. En terecht. Ik weet niet eens hoe ik hem in zijn taal moet groeten.

Zelden voel ik me zo onzeker als wanneer ik het Europese grondgebied verlaat. Hoe werken de dingen hier? Wie is er te vertrouwen? Hoe zit het met de politiek? Zitten er malariaparasieten in de muggen? Zit er slaapziekte in de tseetseevliegen? Hoe gaan mannen en vrouwen met elkaar om? Kan ik grappen over seks maken? Over religieuze figuren? Kost het beledigen van stugge ambtenaren me de kop? Geef ik die bedelaars geld of raak ik ze dan nooit meer kwijt? Een verblijf van een paar weken is te kort om dat alles te leren begrijpen, net lang genoeg om me tegelijk ontheemd en veel te verwend te voelen.

Toerisme is niets nieuws: rijke Romeinen bereisden de mooiste veroverde gebieden, middeleeuwse pelgrims genoten van lokale specialiteiten, welgestelde Britten trokken in de 18de eeuw naar Italië om zich te vergapen aan de klassieke kunst. Maar pas in de tweede helft van de 20ste eeuw werd het toerisme een enorme industrie. Reizen werd goedkoper en meer westerlingen hadden geld op overschot. Ze vlogen steeds verder. Sinds de 21ste eeuw trekken ook Russen, Chinezen en Brazilianen er massaal op uit. Overheden zien die reizigers met gaten in hun handen graag komen en maken het de toeristische industrie doorgaans makkelijk. Uitwassen als sloppensafari’s, vertrapte natuurgebieden of een woningmarkt die voor de lokale bevolking onbetaalbaar wordt, nemen ze erbij.

Terwijl ik uren zwetend sta aan te schuiven voor paspoortcontroles, verwarde gesprekken in slecht Engels voer, onderhandel over de prijs van een taxi of neurotisch zonnecrème smeer op mijn huid die niet tegen de tropenzon is bestand, denk ik aan het miljard mensen dat elk jaar het vliegtuig neemt om ergens de toerist te gaan uithangen en voel ik me belachelijk. Ik begin me te schamen. Wat doe ik hier eigenlijk? Waarom draai ik mee in die toeristische industrie? Zou ik niet beter in mijn eigen woonkamer een stapel boeken over dit land doorbladeren? Terug thuis weet ik het zeker: dit doe ik nooit meer. Volgende vakantie gewoon naar Frankrijk. Of Schotland, toch ook een prachtig landschap. Maar zo om de twee jaar is de herinnering aan mijn schaamte genoeg vervaagd om weer een intercontinentaal vliegticket te boeken. Omdat het zo makkelijk kan.

Humo 4089/03 15 januari 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 15 januari 2019

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: