Heleen Debruyne: 'Dikke mensen raken moeilijker aan een baan en worden vaak en plein public beschimpt'

, door (hd)

76
vrouwentongen

De volgende halte. De chauffeur remt bruusk. Naast ons grabbelt een vrouw naar een paal. Ze verliest toch haar evenwicht, landt hard tegen de wand van de bus, schrikt en roept: ‘Auw!’ Meteen excuseert ze zich zachtjes voor haar uitroep. ‘Moet je maar gaan zitten,’ hoor ik tegenover me mompelen, terwijl hij toch even goed als ik ziet dat die vrouw onmogelijk in de krappe stoeltjes van de bus past. Daarna, harder: ‘Lekker zachte landing, toch!’ Ik zwijg even, verbouwereerd.

Dikke mensen raken moeilijker aan een baan, worden vaak en plein public beschimpt. Zelfs als ze perfect gezond zijn, krijgen ze berispende blikken van dokters. Bizar, in deze vette tijden – de helft van de Belgen heet te dik te zijn. Nu ja, te dik: de body mass index is een te ruw meetinstrument voor de gezondheid. Sommige magere mensen zijn ongezonder dan sommige dikke mensen. En lang niet iedere dikke persoon eet te veel. Tegelijk is obesitas natuurlijk vaak wél een medisch probleem. Maar er zijn geen andere medische problemen waar je door volslagen onbekenden zo vaak en zo grof op wordt gewezen.

Kortom: gewichtsdiscriminatie bestaat. Dat wist ik. Dat het stigma rond dik zijn een fijn zelfbeeld niet bevordert, kon ik ook vermoeden. Maar nooit eerder zag ik het van zo dichtbij gebeuren. Het moet demoraliserend zijn, hondsvermoeiend ook, om er constant aan herinnerd te worden dat je lijf zo afwijkt van wat de samenleving van lichamen verwacht. De vrouw wordt rood, haar ogen vullen zich met tranen, ze wendt haar hoofd af, lijkt haar lijf te willen verstoppen, maar waar? De man zwijgt, blijft naar haar staren, het lijkt alsof de lucht warm wordt van de spanning.

‘Denkt u niet dat het beter is om gewoon te zwijgen?’ gooi ik eruit. De vrouw glimlacht naar me. Het warme gevoel dat haar dankbaarheid me geeft, vind ik al meteen walgelijk. Straks stap ik uit, wandel ik mijn gestroomlijnde lijf naar huis en kan ik me even een held wanen. Terwijl zij morgen waarschijnlijk weer zo’n man moet trotseren. Ik frutsel mijn oortjes in, wil me beschaamd terugtrekken uit de situatie.

In zijn waterige blauwe oogjes zie ik alle pestertjes die me lastigvielen toen mijn lijf niet was wat puberjongens van lichamen verwachten. Te groot, te breed, te plat. Net als hij wisten de tirannen van de speelplaats feilloos de zwakste plekken van hun slachtoffers op te sporen. Tegelijk zag ik ook altijd een sluimerende onzekerheid. Zij wisten vaak beter dan hun slachtoffers dat het verschil tussen pester en gepeste klein is. Nu pas zie ik dat de man zijn dooraderde handen op een enorme bierbuik laat rusten.

Humo 4091/05 van 29 januari 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 29 januari

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: