'Kun je geloven dat ik aan een roman over gendergelijkheid aan het schrijven ben, getiteld 'De meeste wijven stinken'?'

, door (hb)

21
Maud 1200
© BelgaImage

Dat is een uitspraak van Maud Vanhauwaert. Zij is niet alleen Vlaanderens belangrijkste poëtische talent, maar ook stadsdichter van Antwerpen, en één mijner fijnste en vriendelijkste collega’s. Ik heb met Maud geregeld opgetreden op literaire festivals en andere letterkundige gelegenheden, en altijd weer was er die klik tussen ons. Ik moest nog maar de backstage binnenkomen, en Maud kwam al op me afgerend, omhelsde mij, en vroeg of ze een kopje koffie voor me moest halen. ‘Jazeker, Maud,’ zei ik dan, ‘en snel wat’, en vervolgens liep Maud de korte beentjes vanonder haar lijfje om voor mij een kop koffie te scoren.

Het is niet uitzonderlijk dat schrijfsters en andere potsenmaaksters verliefd worden op mij. Hilde Van Mieghem, haar dochter Marie Vinck, Griet Op de Beeck, Ruth Beeckmans, Olga Leyers, Bevlap El Zaouzi, Kristien Hemmerechts, en vele andere kunstzinnige troelaatjes hebben ooit het vuur voor mij in zich voelen branden, maar toevallig heb ik met geen van hen het bed gedeeld of op een andere manier seksualiteit beleefd. Al scheelde het op een keer niet veel, toen Marie Vinck, terwijl ik in de Antwerpse comedyclub The Joker aan een pissijn stond te plassen, ineens achter me opdook en haar beha aan m’n linkeroor hing. ‘Zou dit een hint van Marie zijn?’ vroeg ik me af. Waarschijnlijk wel, want even later hing ze haar onderbroek aan m’n rechteroor. Ik moest haar echter teleurstellen, omdat ik toen reeds samen was met m’n verloofde Lena, en zoals m’n vele fans weten ben ik trouw en monogaam, en doe ik geen dingen zoals een vinger in de flamoes van een andere vrouw duwen, of aan haar tieten lurken, of haar m’n enorme erectie aanbieden ter lering en vermaak. Niks van dat alles. Alleen Lena mag met mij de erotiek beleven die ons tot een koppeltje maakt dat gigantisch van elkaars hitsige lichamen kan genieten.

Maar goed, ook Maud Vanhauwaert kende een periode waarin ze kriebelingen voelde voor mij, en die uitte door een gedicht voor mij te schrijven, luidende: ‘Ach Herman, lieve Herman, jij stille, zoete, wilde beer / Geef mij veel, geef mij alles, en geef mij meer/ Hoe graag wil ik m’n hand steken in je floeren pantalon / en na onze orgasmes eten we kriekskes met fricandon’. Het gedicht werd helaas niet opgenomen in één van Mauds bundels, omdat ze het bij nader inzien te persoonlijk vond, maar ze heeft het wel, speciaal voor mij, gekalligrafeerd op een stuk gedroogd ezelsvel en het laten inkaderen. Het kunstwerk prijkt nu in een hoek van m’n kelder, waar ook een babydoll van Griet Op de Beeck, een gesigneerde Sloggy van Kristien Hemmerechts en een doosje met daarin wat schaamhaar van Ruth Beekcmans zich bevinden. Nou ja, doosje. Het is een behoorlijk grote doos, eigenlijk. Hoe dan ook ging Mauds verliefdheid op mij voorbij, toen ze een prachtig meisje ontmoette. Vanaf dat moment stak Maud het niet meer onder stoelen of banken dat ze de lesbische liefde was toegedaan, getuige haar gedicht ‘Kutje Lik’, dat besluit met de volgende, pakkende verzen: ‘En O, Godin van De Nacht / Iedere keer als ik je kutje lik / Heb ik het gevoel dat ik stik / En iedere keer als ik je aarsje aai / Kom ik klaar van je lawaai’.

Dat is allemaal goed en wel, maar ondertussen mogen we niet uit het oog verliezen dat Maud tegenwoordig ook stadsdichter is van Antwerpen. Dat is een zeer omvattende, bewerkelijke, en zware taak. De stadsdichter moet in een jaar tijd twaalf gedichten schrijven, wat er toch algauw één per maand is, en die arbeid zorgt ervoor dat Maud andere projecten in de koelkast heeft gepleurd, onder andere prei planten in haar tuin, dagelijks een uurtje buikdansen voor haar vriendin, de zestiende-eeuwse joodse geschiedenis bestuderen en een roman schrijven over gendergelijkheid en antiseksisme. Kun je geloven dat ook ik aan zo’n roman aan het werken ben, getiteld ‘De meeste wijven stinken’?

Ik ben er, alles goed en wel in acht genomen, zeker van dat Maud Vanhauwaert van haar twaalf stadsgedichten ware pareltjes zal maken, en dat zelfs Bart De Wever, een poëziehater eerste klas, onder de indruk zal zijn van de verzen die Maud over z’n vervallen en overschatte stad zal schrijven. Voor deze Maud Vanhauwaert nemen we in bewondering en respect onze hoed af.

Humo 4092/06 van 5 februari 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 5 februari 2019

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: