De mailbox van Arnon Grunberg: 'De menselijke kant van Hitler

, door (ag)

34
grunberg 1200

'Wie u zag als Hitler wil zelf Hitler worden. Niet helemaal, maar toch een beetje'

Lieve Bruno Ganz,

In de Neue Zürcher Zeitung lees ik dat u op het eind van uw leven regelmatig te vinden was in Theater Rigiblick in Zürich. Zoals de naam al doet vermoeden een theater met een uitzicht. Veel heeft een uitzicht in Zürich.

Ik heb daar ook een keer opgetreden, misschien twee keer. Het geheugen laat me in de steek. Een klein theater, waar de artiest na afloop intiem kan worden met het publiek.

In een artikel van Daniele Muscionico in voornoemde krant lees ik over uw liefde voor de Zwitserse schrijver Robert Walser, een liefde die wij delen. Al hebt u ongetwijfeld meer van Robert Walser gelezen dan ik.

Daar in de bar van het Theater Rigiblick bracht u deze uitspraak van Walser in praktijk: ‘Niemand ist berechtigt, sich mir gegenüber so zu benehmen, als kennte er mich.’ Niemand heeft het recht zich tegenover mij te gedragen alsof hij mij kent.

En Muscionico voegt eraan toe dat u zich toonde door uzelf te verbergen. Een strategie waarvoor ik sympathie voel. Hoe kun je je anders tonen? Wat valt er te tonen als je je niet verbergt?

De eerste keer dat ik u zag, was in de vergeten Nederlandse film ‘De ijssalon’ van Dimitri Frenkel Frank, waarin u een sympathieke SS’er speelt. Betrekkelijk sympathiek althans. Ik was 14, denk ik. Ergens had ik gelezen dat u eigenlijk geen nazi’s meer wilde spelen maar voor deze nazi maakte u een uitzondering. De film maakte indertijd veel indruk op me.

Zo kwam u in mijn leven, als SS’er. Tegen wil en dank.

Betrekkelijk ironisch dat in de artikelen na uw dood vooral uitvoerig wordt stilgestaan bij uw rol als Hitler in de film ‘Der Untergang’ van Oliver Hirschbiegel. Ik schreef daar ooit over dat we eerder de menselijke kant van Bruno Ganz te zien kregen dan de menselijke kant van Hitler, maar dat is misschien niet terecht.

Hoe kun je Hitler neutraal spelen? Als men ergens een mening over heeft, dan wel over deze rol. Ik zou de film nog een keer moeten zien.

Muscionico schrijft dat er altijd een druppel wantrouwen in uw gezicht was. Dat uw blik altijd vroeg: ‘Wat wil je van me? En waarom nu?’

Goede vragen, al zijn de antwoorden erop soms zo beklemmend eenvoudig.

Altijd wordt er iets van ons gewild waar we zelf zo bitter weinig aan hebben. Wat misschien nog altijd te verkiezen is boven de stilte waarin niets meer van ons gewild wordt. Of waarin we de ander aankijken met de woordeloze vraag: ‘Wat wil je van ons?’ en de ander zegt: ‘We komen je luier verschonen.’

Een paar jaar na ‘De ijssalon’ zag ik met mijn toenmalige vriendin Nathalie in een bioscoop in Amsterdam ‘Der Himmel über Berlin’.

Veel daarvan is me ontschoten, wat me bij is gebleven: de allervriendelijkste melancholie en een onuitgesproken maar dringend verlangen zelf engel te worden. Al schreef een vriendin mij onlangs: ‘Zullen we afspreken dat je alles mag zijn in mijn leven, maar geen engel?’

Men zit niet altijd op engelen te wachten, beter gezegd, men zit niet altijd op de als engel vermomde sterveling te wachten. Men kent die vermomming te goed, vrees ik, als is uw rol erg uitnodigend.

Goed acteren is net als goed schrijven altijd ook een poging tot verleiding. Wie u zag als engel wil zelf engel worden. Wie u zag als Hitler wil zelf Hitler worden. Niet helemaal, maar toch een beetje.

In NZZ noteert de schrijver Adolf Muschg dat uw acteren ‘op een intelligente manier wanhopig was’.

Ook daar kan ik me in vinden. Als ze dat over mijn schrijven zeggen, na mijn dood, of vlak daarvoor, ben ik tevreden.

In artikelen over uw dood valt opeens de naam Botho Strauß, ook al een naam die ik een tijd niet gehoord heb, maar die hoort bij mijn jeugd, toen Strauß als één van de belangrijkste toneelschrijvers van onze tijd gold, dankzij bijvoorbeeld zijn stuk ‘Groß und klein’, over een niet zo oude maar ook niet zo heel erg jonge vrouw genaamd Lotte.

In een artikel in Der Spiegel uit 2012, toen Cate Blanchett Lotte speelde, wordt gerept van Einsamheitskünstlern, die thuis zijn in de Bondsrepubliek. Het was eind jaren 70 toen ‘Groß und klein’ in Berlijn in première ging, maar de eenzaamheidskunstenaars zijn nog altijd onder ons. Al wonen ze niet noodzakelijkerwijs in de Bondsrepubliek.

En van die eenzaamheidskunstenaars is het niet zo ver naar Walser, op zijn eigen manier een eenzaamheidskunstenaar, zij het erg Zwitsers. Uit het oeuvre van Walser spreekt de verlatenheid van het hooggebergte. Uit Botho Strauß spreekt de eenzaamheid van een Duitse voorstad, een Duitse voorstad in wat Carl Schmitt het Duitsland post mortem noemde.

Nu is er ook een Bruno Ganz post mortem.

Ik weet niet waarom ik bij u altijd het gevoel had dat ik van u moest en wilde houden, al toen u een SS’er speelde in ‘De ijssalon’.

Laten we het noodlot noemen.

Ook zij die niet beroepshalve acteur zijn, proberen op intelligente manier hun wanhoop uit te drukken, maar dankzij u beter, verfijnder, bijna onzichtbaar.

Hartelijke groet,

Arnon Grunberg »

Humo 4095/09 van 26 februari 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 26 februari 2019

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: