Heleen Debruyne: 'Ik hoop dat vrouwen nooit meer zwijgend een wijdzitter zullen verdragen'

, door (hdb)

596
a1
© belgaimage

Daarom open ik mijn rechterbeen, traag, kalm, om het linkerbeen van de man naast me zachtjes terug naar zijn kant van het bankje te duwen. Hij zit wijdbeens, achterovergeleund, haalt regelmatig zijn hand door zijn glad naar achter gekamde haar. Hij ruikt naar douchegel en verse aftershave. Dat duwen doe ik wel vaker. De meeste mannen doen niet bewust aan wat sinds een paar jaar ‘manspreading’ heet. Ze willen geen vrouwen tergen, ze nemen die houding uit gewoonte aan. Als niemand je erop wijst dat het stoort, roest een gewoonte vast. Wanneer ik een zacht duwtje geef schrikken ze, kijken ze betrapt, excuseren ze zich soms en sluiten ze altijd netjes de benen. Ik geloof niet in woede of vingerwijzingen, ik geloof in beleefd heropvoeden. Het werkt altijd. Dacht ik. Deze fris geurende jongeman blijkt niet voor opvoeding vatbaar. Hij voelt mijn been, springt gepikeerd op, vloekt. ‘Dit is niet normaal!’ Hij zoekt steun bij een vriend die tegenover hem zit. ‘Die raakt mij aan! Dat is toch niet normaal!’ ‘Kun je niet gewoon met hem praten?’ valt de vriend hem bij. Dat ik gewoon wat plaats wilde, leg ik uit. Dat ik begrijp dat het vervelend is om aangeraakt te worden op het openbaar vervoer, maar dat zijn been zo lag dat hij ook tegen mij aan zat. Dat ik hoopte dat hij het zou begrijpen en zich zou terugtrekken. Hij blijft herhalen dat het abnormaal is, een vrouw die zijn been raakt. Dat ik gek ben. Mijn lief die zijn lange benen altijd netjes bij zich houdt, verbaast zich over zijn opwinding. ‘Waarom denk je recht te hebben op meer ruimte dan de mensen naast je?’ vraagt hij, oprecht nieuwsgierig.

‘Ik zit altijd zo! Mannen zitten toch zo? Dat is toch normaal? Alleen mietjes zitten anders.’ Ik vergeet mijn voornemen om kalm te blijven en beleefd aan volksverheffing te doen. Dat het vast vreselijk lastig is, zo’n enorme lul hebben dat je normaal functioneren erdoor wordt belemmerd, had ik, toegegeven, niet moeten zeggen. De discussie wordt nog bitsiger. Andere passagiers kijken onze kant op. Ik blijf er op hameren dat niemand recht op meer ruimte heeft. Dat dat alles is wat ik duidelijk wilde maken. Ik vrees dat hij slaagt in zijn opzet: mij wegzetten als een hysterica.

Dan draait een jong meisje met een bril zich naar ons om. ‘Wat je doet, is heel irritant. Ik maak het elke dag mee. Je had je ook gewoon kunnen verontschuldigen en je benen sluiten.’ Twee andere vrouwen knikken haar toe. Een andere vrouw, frêle, breekbaar, bleek, verstopt in een veel te grote jas, zegt dat ik gelijk heb, dat ze het ook beu is. Het zaadje voor een kleine opstand. Ik hoop dat die vrouwen nooit meer zwijgend een wijdzitter zullen verdragen. Dat ze de ruimte waar ze recht op hebben durven innemen.

Humo 4108/22 van 28 mei 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van maandag 27 mei 2019

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: