De Guldensporenslag herdacht: 'De Vlamingen sloegen de Fransen de kop in, met in de ene hand de gevreesde goedendag, en in de andere een schuimende Westvleteren'

, door (hm)

75
vrijbeeld

'De Vlamingen sloegen de Fransen de kop in, met in de ene hand de gevreesde goedendag, en in de andere een schuimende Westvleteren'

Ja, ze hadden speciaal gekweekte strijdrossen (nee jongelui, dat zijn géén Karen Damen-lookalikes in een sexy gevechtstenue) van wel 4 meter hoog, gehuld in stalen harnassen van de Duitse krijgssmid Krups. Maar onze volksgenoten sloegen hen onvervaard de kop in, met in de ene hand de gevreesde goedendag, en in de andere een schuimende Westvleteren. Of een gebraden kieken, druipend van het vet. Of allebei.

De bloederige veldslag vond plaats in Kortrijk, maar het gekerm van de Franse edelen was tot in Gent te horen. Tot op de dag van vandaag zal wie in het Kortrijkse een waterput installeert, eerst honderden liters Frans bloed moeten oppompen vooraleer enig bruikbaar H2O tevoorschijn komt. Ja, het was me het dagje wel. Daarom verdient een gesprek over de glorieuze Slag der Gulden Sporen, soms ook iets minder eerbiedig de Guldensporenslag genoemd, een forse inleiding.

Vielen er aan Vlaamse zijde dan geen slachtoffers te melden? Jazeker. De sympathieke woesteling Jacob Van Moerbeke wist met één bijlslag in één klap vier tegenstanders te onthoofden, maar liep een blauwe plek op toen het wegvliegende hoofd van messire Jean de Névers tegen het zijne aanbotste. En de guitige psychopaat Pieter Van Deurnezuyd kreeg een splinter in de hand bij het kruisigen van de 13-jarige schildknaap van de graaf van Poitiers. Maar daar bleef het bij.

Tot diep in de nacht werd de overwinning gevierd. Een tiental ridders uit Bordeaux werd aan het spit geregen, onder het motto: ‘Als de wijn uit die streek al zo lekker is, hoe heerlijk zal de plaatselijke bevolking dan wel niet smaken?’ Vervolgens werd ruw maar hartelijk de liefde bedreven met al wie Goedele, Veerle of Machteld heette. Andere meisjesnamen werden toen niet gebruikt, ook niet voor vrouwelijk rundvee. Wat dat laatste betreft beoefenden onze krijgers de typische Vlaamse deugd der ruimdenkenheid: ‘Ach, waarom niet?’ weerklonk het overal. De afgehakte koeienstaarten die tot ver buiten Kortrijk te vinden waren, geven enigszins een beeld van hoe men daarbij te werk ging. En het was tijdens die nacht, en nu komen we stilaan aan het slot van deze noodzakelijke inleiding, dat de Vlaamse identiteit werd geboren!

Schreef men toen Identiteyt of Ydentityt? Daar is geen zekerheid over. Maar dat doet er ook niet toe.

Het was tegen het ochtendgloren, op het uur waarop normaal de hanen kraaien, dat Jan Breydel hemzelve het woord nam. De hanen bleven die ochtend wijselijk stil omdat ze beseften dat ze met de Franse onderdrukkers werden geassocieerd. Als er in die tijd leeuwen hadden rondgelopen in onze gewesten, dan hadden die daarentegen vast glorieus gebruld, en jonge moeders hadden ongetwijfeld hun zuigelingen met van plezier doortrokken Vlaams-nationaal bewustzijn aan hen geofferd. Maar er liepen dus geen leeuwen rond. Bij gebrek aan deze dieren werden in de bossen van Beernem wel wat kindertjes aan de everzwijnen gevoederd, maar hun aantal was verwaarloosbaar: het waren er minder dan twintig.

Jan Breydel ging dus boven op een bierton staan, en hij riep luid: ‘Vrienden, strijdmakkers! Ik wil het even met jullie hebben over de Vlaamse identiteit!’ Bij zijn laatste lettergreep, teit dus, zakte hij door het deksel, alsof het een doordacht en vooraf goed gerepeteerd theatraal effect betrof. De man stond plots tot aan de heupen in een aanzienlijke hoeveelheid bier uit Bavikhove. Er ontstond rumoer, en Breydel wachtte tot het weer stil was om zijn toespraak verder te zetten. Maar plots riep een wever uit Wevergem, dat tien jaar later werd hernoemd door een sukkel die de r niet kon uitspreken: ‘Hela Breydel! Gij staat daar toch niet in ons bier te pissen?’ Dat was slechts een uiting van typische, guitige Vlaamse humor, maar sommige aanwezigen – waarschijnlijk ontsproten aan gemengde huwelijken, en derhalve onontvankelijk voor de Vlaamse luim – wilden de Brugse voorman derhalve wurgen. ‘Laat dat toch! Als hij zijn urine al heeft gelost, dan is het bier misschien wat minder flut,’ sprak een sportieve Latemse prelaat die eerder die dag zo’n 2.000 Franse ogen had uitgerukt met een speciaal daarvoor ontworpen gebogen priem. Jan Breydel haalde diep adem, en wat daarna gebeurde, is voer voor historici. Daarom richten wij ons graag tot Bruno Verschompel, hoogleraar in de middeleeuwse strijdkunde.

HUMO Wat gebeurde er daarna?

Bruno Verschompel «Dat weten wij eigenlijk niet.»

HUMO Dankjewel voor dit gesprek.

HUGO MATTHYSEN

Humo 4113/27 van 2 juli 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 2 juli 2019

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: