Uit de platenkast van Mauro: 'Mandré' (1977) van Mandré

, door (mp)

Deel

Alles komt uit de natuur, niet? Toch? Of vergis ik mij? Schoenveters, cocaïne, microgolven, Hollandse klompen, laserstralen, shampoo, natuurrampen, walkietalkiefrequenties, de tijd, plastic zakken, lenteworst, griep, 3D, kwantumvelden, fietsreflectoren, biochoco, piepschuim, dimensies. Ik hou van de natuur. Vroeger, toen ik nog jong was, waren er mensen die zeiden dat de digitale synthesizer een onnatuurlijk instrument is. Een dood ding. Twee zaken die nochtans niet nog méér tot de natuur kunnen behoren. Het waren gekke tijden, zoals alle tijden. Jongeren van nu weten wel beter, synths zijn prima! Zeker in de handen van Afro-Amerikaanse artiesten. Technologie en funk zijn altijd de beste danspartners geweest. Vraag het maar aan Andre Lewis. Ooit was hij muzikant bij The Who, Earth, Wind & Fire en Frank Zappa. Totdat hij besloot om ‘Mandré’ te worden. Een gemaskerde techno-funkpionier uit outer space. Wel, op een dag vind je de job van je leven. Tussen 1977 en 1979 bracht hij een viertal platen uit en dat was dat. Blijkbaar was het moeilijk om hem te marketen. Te mysterieus, of zoiets. Of men moet destijds nog niet helemaal klaar zijn geweest voor een zwarte, psychedelische eenmans-Daft Punk. Nog eens luisterend naar zijn debuutplaat ‘Mandré’ valt het met de excentriciteit allemaal wel best mee. Dit is gewoon prachtige muziek. ‘Wonder What I’d Do’, een hitsig gebrachte wanhopige ballad, lijkt Prince wat te voorspellen. ‘Dirty Love’ is dan weer een cover van Zappa. Mijn kennersverdict noemt dit allemaal gewoon megacoole shit.

Humo 4121/35 van 27 augustus 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 27 augustus

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: