Herman Brusselmans: 'Als er oorlog komt, en België wil die winnen, dan moet de vijand een land als Andorra of Vaticaanstad zijn, anders verliezen we'

, door (hb)

272
leger 1200
© Belga Image

Ons leger zit in de shit. Er zijn problemen op het gebied van financiering, rekrutering, materiaal, de conditie van de soldaten, het aantal beschikbare uniformen en de staat van het wapenarsenaal. De doorsnee soldaat heeft als wapens: een keukenmes, een revolver waarmee nog Duitsers zijn omgelegd in de Tweede Wereldoorlog, een fopgranaat die gevuld is met confetti, een Ardeense worst als matrak, een geweer dat dienst heeft gedaan in schietkramen op kermissen en een busje Fa-deodorant, omdat de pepperspray op is. Als er oorlog komt, en het Belgische leger zou die willen winnen, dan moet de vijand een land zijn zoals Andorra of Vaticaanstad, anders verliezen we de strijd op alle fronten.

Men denkt er dan ook aan om een crisismanager aan te stellen, om de Augiasstal eens goed uit te mesten. De belangrijkste kandidaat is generaal Marc Thys, een door de wol geverfd krijger die ooit nog met de blauwhelmen in Afghanistan een internationaal peloton heeft geleid dat op het punt stond om Osama bin Laden te arresteren. Bij nader inzien bleek het doelwit een gozer die sterk op Bin Laden geleek, maar eigenlijk een handelaar was in gebraden ezelspoten. De echte Bin Laden werd gearresteerd door de Amerikanen, en om niet al te veel gezichtsverlies te lijden, heeft generaal Thys de ezelspotenverkoper toch maar in de cel gegooid, op verdenking van het fout parkeren van z’n paard en kar.

Maar goed, men is in deze tijden weliswaar aan het zeiken over de slechte papieren waarin ons leger zich bevindt, maar vroeger was het niet beter. Ik heb zelf m’n toentertijds nog verplichte legerdienst gedaan in 1983. Ik was gekazerneerd in Peutie. Daar kreeg ik m’n opleiding tot luitenant van de landmacht. Eerst werd m’n IQ getest door een sergeant van de afdeling psychologie. Ik moest drie vragen beantwoorden. Ten eerste, ‘Zoudt gij een neger doodschieten als hij u wilt steken met zijn speer?’ M’n antwoord was: ‘Jazeker, en ik zal ook z’n wijf doodschieten, met haar godverdomd seksueel uitdagend strooien rokje aan.’ De tweede vraag luidde: ‘Wie vondt gij de tofste legerleider, Adolf Hitler of generaal Eisenhower?’ Ik schreef: ‘Adolf Hitler, want dat was een dierenvriend, terwijl generaal Eisenhower z’n poedel eens met z’n snoet tegen de brandende kolenkachel heeft gedouwd, de klootzak.’ En de derde vraag: ‘Oordeelt gij dat, indien nodig, ons leger een staatsgreep moet plegen en koning Boudewijn verbannen naar een onbewoond eiland?’ Ik antwoordde: ‘Dat zou een zeer goed plan zijn, al zou ik koning Boudewijn niet verbannen, maar hem fusilleren, en z’n wijf erbij, met haar zedeloze lange gewaden aan, waarbij ge haar blote knoessels kunt zien.’ Op die test kreeg ik een quotering van tien op tien.

Vervolgens de fysieke proeven. Ik moest 100 meter lopen met een rugzak om, waarin zaten: een stuk scheerzeep, een middel tegen muizen, twee kogels, een zakje zure beertjes en een pakje roltabak. Dat viel mij qua gewicht redelijk mee, en ik overbrugde de 100 meter in 11,9 seconden. Daarmee was de kous niet af. Ik moest een meer oversteken in een roeiboot. Ik had daar een trucje op gevonden: de roeiboot achter me aanslepen, om het meer heen, en helemaal droog op de plaats van afspraak arriveren. Wat daarbij hielp was dat het meer maar 15 vierkante meter groot was.

 En tenslotte de moeilijkste proef: een tegenstander in een lijf-aan-lijfgevecht uitschakelen. De tegenstander was een soldaat uit West-Vlaanderen, een boerenzoon die niet tot tien kon tellen, bij het vastmaken van z’n veters compleet het noorden kwijtraakte, en zodanig sliste dat je bakkes in een gesprek met hem vol rochels hing. Hij ging in gevechtshouding voor mij staan, en ik riep tegen hem, wijzend naar de lucht: ‘Kijk! Een tweedekker!’ Hij keek omhoog, en toen gaf ik ’m zodanig een schop tegen z’n kloten dat hij bewusteloos nederzeeg.

Op die manier werd ik met grote onderscheiding een luitenant in ons leger, en de rest van m’n diensttijd bracht ik door middels het op m’n luie reet liggen, af en toe een vogel uit de lucht knallen met een mitrailleur uit 1932 en m’n manschappen de opdracht geven om de trein naar Brussel te nemen en daar de mokkels in korte jurkjes te gaan lastigvallen. Net voor m’n afzwaaien was ik zinnens om verder carrière te maken in het leger, maar ik verbeet die neiging en werd schrijver. Als auteur hoef je tenminste naar niemand een met confetti gevulde granaat te gooien.

Humo 4124/37 op 17 september 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 17 september 2019

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: