Heleen Debruyne: 'Mijn gevoel van vrouwelijkheid zit niet ergens diep in mezelf weggestopt, het wordt opgeroepen door de blik van een ander'

, door (hd)

25
a1
© BELGAIMAGE

Sommige van de rituelen die we typisch vrouwelijk noemen, sla ik uit luiheid of esthetische voorkeur over – lingerie aantrekken, benen en oksels scheren. Aan andere doe ik af en toe graag mee, om m’n gedachten te verzetten: een vleugje eyeliner opsmeren, jurken kopen die ik niet nodig heb. Maar zelfs met rood gestifte lippen en in een wapperende jurk stap ik nooit heupwiegend de straat op met het gevoel dat ik vandaag toch zo heerlijk vrouwelijk ben.

‘Tijdens het vrijen? Voel je je dan niet vrouwelijk?’ probeert ze te vissen. Ik weet niet wat ik me daarbij moet voorstellen. O ja, neem me lekker in mijn kutje. Dat heb jij niet, hè, een kut? Lik aan mijn tepels die zoveel groter zijn dan die van jou, kijk naar mijn ronde billen, vergeet je handen niet rond mijn taille te klemmen, ben ik geen lekker vrouwtje? Zoiets? Als het goed is, denk ik tijdens het vrijen helemaal nergens aan.

‘Je bent nu zwanger, vrouwelijker dan dat wordt het toch niet?’ We komen ergens. Het valt niet te ontkennen: alleen vrouwen worden ‘mama’ genoemd door verpleegsters die oud genoeg zijn om hun moeder te zijn. Alleen vrouwenbekkens verwijden tijdelijk om een hoofd door een geboortekanaal te laten. Onbekende vrouwen klampen me aan om zwangerschapskwalen en geboorteverhalen te delen, een tijdelijk geheim genootschap. De vertederde blikken van onbekenden zijn nieuw, net als de afkeuring wanneer ze me een slok bier van mijn tafelgenoot zien stelen.

Ineens herinner ik me andere keren dat ik erop gewezen werd dat ik een vrouw ben. Toen ik beteuterd moest vaststellen dat mijn tieten echt nog wel te klein waren voor een beha – dat lieten klasgenoten me weinig subtiel merken. Toen een leraar vond dat ik een grote mond had voor een meisje. Toen ik dan eindelijk toch een beetje tieten had en merkte dat veel te oude mannen naar me begonnen te staren. Toen een ex zei dat mijn kaaklijn doet vermoeden dat ik in de baarmoeder vast veel testosteron binnengekregen heb. Wanneer dokters vragen of ik de pil neem. Wanneer mensen ‘een jonge vrouw zoals jij’ zeggen. Wanneer mannen me behandelen alsof er iets te krijgen valt en nukkig zijn wanneer duidelijk wordt dat dat niet zo is. Opmerkingen die me wakker schudden, mijn zelfvertrouwen aantasten, me er pesterig op wijzen dat mijn lot deels bepaald is door een biologische toevalligheid.

Mijn gevoel van vrouwelijkheid zit niet ergens diep in mezelf weggestopt, het wordt opgeroepen door de blik van een ander. Meestal is die blik een last. Op goede dagen vergeet ik de blik van buiten. Op nog betere dagen speel ik ermee. Dan ben ik nergens op vast te pinnen.

Humo 4124/37 op 17 september 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 17 september

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: