Heleen Debruyne: 'Ik heb geen zin om een mening over gentrificatie te bedenken'

, door (hd)

7
debruyne 1200
© Belga Image

Haar grappen zijn hard maar sardonisch. We vermoeden verspild potentieel, maar dat is projectie, misschien vindt ze het leven wel prima zo. Naast haar staat de zelfverklaarde moeder van een klein, angstig hondje. Mijn lief kijkt me aan, lachend, niet begrijpend hoe hij in deze situatie verzeild is geraakt. De twee wonen boven elkaar in een oud pand dat niet geschikt is voor samenhokken. De één verwijt de ander haar stinkende kattenbak en het vergiftigen van haar vorige kindje, de ander noemt de één een gestoord serpent. Ze proberen ons al weken vergeefs te betrekken in de vete. Nu praten ze met elkaar, een tikje argwanend maar niet onvriendelijk. Dat ze het zal proberen, besluit de vrouw met de blauwe plekken in het gezicht.

Saai is het nooit in onze straat, net over de grens van de goede kant van Oostende. Twee keer per dag komt een welbespraakte jonge vrouw met een pitbull voorbij. Het beest heeft al drie mensen gebeten. Ik ben niet bang voor honden, maar als die brok zenuwachtige spieren me kwijlend aankijkt, krimp ik toch een beetje in elkaar. Ze kan het niet over haar hart krijgen hem af te maken – hij is pas agressief sinds haar ex het niet meer genoeg vond haar af te ranselen, maar ook het dier ging schoppen. Haar huidige geliefde zou zoiets, verzekert ze ons, nooit doen. Hij is jong en bonkig en zakte al drie keer in elkaar na het sporten. ‘Liever in de kist dan in het ziekenhuis,’ vindt hij.

Wonen ook nog in onze straat: een stripteaseuse over wie we alleen nog maar hoorden vertellen, een man die in een dronken bui onze tafel stal en die daarna terugbracht – zand erover. Het gezin uit Irak dat vier jaar geleden hier is gestrand. De kinderen zijn bedeesd, voorzichtig nieuwsgierig. Het oudere koppel dat de twee knorrige keffers van de overleden eigenaar van ons huis onder hun vleugels namen. Geen plezier, zonder tuin: de beestjes zijn oud en kwijlerig.

Dit zou een aanloop kunnen zijn naar een stukje over hoe anders de publieke ruimte voelt waar nog geen koffiebars zijn, vol mensen met laptops die precies weten welke sneaker ze moeten dragen. Maar ik heb geen zin om een mening over gentrificatie te bedenken. Ook niet om me af te vragen hoe netjes het is om de mensen die ik rond me zie in mijn teksten te stoppen. We zitten op de stoep, kijken naar onze straat. Verderop wordt een enorme container geparkeerd. Morgen gooien ze daar de inboedel in van een man die uit zijn huis werd gezet. ‘Meer dan tien jaar aan Vittel- en bierflessen,’ volgens de moeder van het angstige hondje.

Humo 4125/38 van 24 september 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 24 september 2019

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: