Herman Brusselmans: 'Een duel dat vroeger weleens werd opgelost met een omhelzing, eindigt thans in stromend bloed'

, door (hb)

19
a1
© BELGAIMAGE

De goden ballen hun vuisten. In de wouden zijn het gekras en het geschreeuw niet langer uit te houden. Onuitstaanbare geluiden banen hun weg naar de overbevolking. Oren worden afgerukt, trommelvliezen scheuren, het brein smeekt om verlossing. De ogen zien wat ze nooit gezien hebben, en barsten. Gevoelens zijn nog louter te vinden op de niet groeiende vuilnishopen. Iemand grijnst monsterlijk als iemand anders durft te zeggen: ‘Ik hou van jou.’ Kleine kinderen worden groter dan hun door de ouderen vernielde ego. De ouderen snakken amechtig naar adem en hun toekomsten worden verbrijzeld door amoeben. Geen levende ziel vermag te mompelen: ‘Vroeger was alles beter.’ Wat goed is, is slecht, en wat slecht is zal nooit meer goed worden. Her en der en nagenoeg overal denkt een wetenschapper dat zelfmoord handiger is dan de wetenschap. Kijk daar, een gifwolk zo groot als de wereld. Het ik heeft definitief z’n persoonlijkheid verloren. Een duel dat vroeger weleens werd opgelost met een omhelzing, eindigt thans in stromend bloed. Men kan niet naar de begrafenis van een ander, omdat men bij z’n eigen begrafenis moet zijn. De nar wenkt de koning, en begeleidt hem naar de afgrond. De prinses is 18 jaar geworden en wordt op eigen initiatief onvruchtbaar verklaard. Philippe Geubels krijgt een angstaanval, Natalia kan niet meer zingen zonder te kotsen en Jan Jambon zet een omgekeerde trechter op z’n kop en danst de sirtaki. De vos verliest z’n streken, het alfabet verliest letters, de lucht verliest al wat op zuurstof wil lijken. Het klimaat weet de zon niet meer te vinden, die is op eigen houtje het platbranden aan het voorbereiden. De rente op spaarboekjes daalt naar min honderd. Alles wordt zo rechts dat eindelijk iedereen het fascisme kan begrijpen.

En dan wordt het nacht. De doodsdieren komen uit hun holen. De miljarden insecten ruiken mensenvlees. Groepjes ontmoeten andere groepjes en het enige wat hen bindt, is dat ze elkaar de kop inslaan. Tumbleweed cirkelt over de onverhard geworden straten. Een eenzame fietser wordt van haar hipsterbike gerukt, en verkracht, en achtergelaten in schaamte en onmacht, en met de verfrommelde laatste bladzijde van haar geschiedenis in haar verkrampte handen. De verkrachter krijgt subsidies. Alle gevangenispoorten worden geopend, en de gangsters hangen de bewakers aan de hoogste bomen. De romanschrijver vindt geen plot. De schilder zuigt naast het lege doek z’n verf op. De componist geeft enkel nog cimbalen een plaats op de notenbalk.

En dan zijn we nog niet eens aanbeland bij de vier muren. Tussen willekeurige vier muren gaat de ellende de enige dienst uitmaken. Kinderen verhongeren, vrouwen verdorren, mannen scherpen de mespunten. De hond kwispelt nog een laatste keer en bijt dan z’n staart aan flarden. De kat wast zichzelf met gebroken poten. De parkiet is een geraamte in een kooitje. In de barricadenwinkel is alles uitverkocht. Op de lege rekken nestelen zich de bacteriën, hun pijlsnelle vleugels in aanslag. Achter een struik schijt een overgebleven leider z’n darmen uit z’n lijf. De onderdanen zijn de keizers van de uitroeiing geworden, de slaven torsen de scepters, de lammen zorgen voor nageslacht met de blinden. Dit nageslacht zal de laatste omwenteling van de aarde meemaken.

Voor de rest gaat nog hier en daar een reflex van het gewone gekonkel door. Een man komt thuis. Z’n vrouw doet raar. Hij vraagt wat er aan de hand is. Ze wil niet antwoorden. De man wordt nerveus. De vrouw wil nog steeds niet antwoorden. De man wordt boos. Dan schreeuwt de vrouw: ‘Ik heb een affaire met mijn baas!’ De man ziet een rode waas verschijnen, waarin z’n vrouw een schaduw wordt. De vrouw trilt en beeft en geeft over. Ze vervloekt haar baas, ze vervloekt zichzelf, maar vooral vervloekt ze haar man. Maar die is sterker dan zij. Hij heeft de rode waas weggerukt, kijkt de werkelijkheid aan, en ziet een vrouw die erom gevraagd heeft te worden aangevallen. ‘Wie is die vrouw?’ vraagt hij zich af. Dat maakt niet uit. Hij mept haar in elkaar. Haar hart slaat nog een beetje. Later vraagt de advocaat van de man om een milde straf. Het zou kunnen dat hij die krijgt, en dat hij vrij blijft. De gevangenissen zijn leeg.

Humo 4130/44 VAN 29 oktober 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 29 oktober 2019

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: