Herman Brusselmans: 'In wezen ben ik een diarreetype, maar de laatste tijd neig ik naar constipatie'

, door (hb)

454
hb 1200

Laatst was mijn wc kapot omdat ik er te hard in gekakt had. In wezen ben ik een diarreetype, maar door ouder te worden of andere externe factoren, neig ik de laatste tijd meer naar constipatie, en kan ik me soms drie dagen niet ontlasten. Maar als ik het dan op de vierde dag wel kan, dan komen er met veel geweld gigantische keutels uit m’n kont gekatapulteerd, en daar is een doorsnee wc-pot niet altijd op voorzien.

Enfin, ik bel dus een loodgieter, een zekere Jef Van Bouwel, die zichzelf aan de telefoon voorstelde als Jefke De Loodgieter. Ik zei: ‘Jefke, kom maar zo snel mogelijk, manneke, om mijn wc te repareren.’ Een uur later stond hij in m’n kot en repareerde hij naar behoren wat stuk was. Ik zei tegen hem: ‘Merci, Jefke, prima werk, en al wil ik me nergens mede bemoeien, jij ziet me er ook niet meteen als de jongste uit.’ ‘Ik ben 74,’ zei hij. ‘En nog altijd niet met pensioen?’ vroeg ik. ‘Nee,’ zei hij, ‘ik werk tot ik er dood bij nederval.’

Op die wijs was Jefke De Loodgieter een man naar m’n hart, want net als hij behoor ik tot de doordrijvers die weigeren om op hun 65ste te profiteren van de staat, op hun lamme kloten te gaan liggen, en geen klap meer uit te voeren. Ook ik zal arbeiden tot Pietje de Dood van achter de hoek drentelt om mij op te halen. Dat komt goed uit, want ik zit, ofschoon ik reeds 62 ben, nog vol plannen, en die hebben alle rechtstreeks of terzijde te maken met het vak dat ik al veertig jaar uitvoer, de schrijverij. Ik heb alweder twee romans klaarliggen, ‘Bloed spuwen naar de hematoloog’ en ‘Vertrouw mij, ik kom uit de veehandel’, die respectievelijk zullen verschijnen in het voorjaar en het najaar van 2020.

Tevens ben ik volop aan het schrijven aan de roman die erna zal komen, ‘De pianist en zijn gitaar’, over de antiheld Louis Tinner, die tevoren opdook in drie andere romans van m’n hand. Louis Tinner is iemand die heel de wereld vervloekt, alle mensen debiele oetlullen vindt, de liefde en de seks heeft afgezworen, en zich in de nieuwe roman ontfermt over een 15-jarig meisje dat totaal de weg kwijt is, een mislukte navelpiercing heeft, zich kapotsnuift aan de drugs, in een verschrikkelijk pleeggezin woont, en van lieverlede samen met Louis Tinner op de Vespa naar Goes in Zeeland rijdt. Wat er onderweg allemaal zal gebeuren, moet ik nog verzinnen.

Daarbij zal het niet ophouden. Ik wil een filmscenario schrijven, waaromtrent ik reeds goede contacten heb met zowel Jan Verheyen als Dominique Deruddere. Jan Verheyen heeft veel affiniteit met de inhoud van het scenario, dat zal handelen over een filmregisseur die op zoek is naar een magnifiek filmscenario, en Dominique Deruddere is alvast geporteerd voor de vorm van het script, waarin het decor zal bestaan uit het Brussel van de jaren 80, toen Deruddere zelf, samen met andere pipo’s als Marc Didden, Arno, en Jan Decorte, continu op café hing, en met z’n allen zaten ze plannen uit te broeden om op één of andere manier aan de top te raken, waarvan later natuurlijk niets is gekomen.

De titel van het scenario is ‘De eenzame kuddedieren’, en het wordt een mengeling van tragiek, het komieke, en de bruine strepen in de onderbroeken van Hilde Van Mieghem, Dora van der Groen, en Jefke De Loodgieter, waarbij die laatste een fictief personage zal blijken. En dan moet ik vanzelfsprekend ook m’n ‘Historiek van de Vlaamse literatuur in de 21ste eeuw’ tot een goed einde brengen. Ik kan de meeste Vlaamse schrijvers uit deze 21ste eeuw alvast verwittigen dat ze er bekaaid af zullen komen, en dat ik louter aan de hand van citaten uit hun kutboeken zal bewijzen dat onze literatuur gedurende de voorbije twintig jaar steeds opzienbarender de dieperik is ingegaan.

Als die studie verschijnt, zal ik rond de 67 jaar oud zijn. En toch zal ik doorgaan, want ik moet nog altijd m’n magnus opus schrijven, ‘Theet 77’, het thuisadres uit m’n jeugd, en in deze allesoverkoepelende roman zal ik m’n ouders, m’n broer, m’n zus, m’n vroegere koeien en paarden en honden en katten, onze buren, m’n kalverliefdes, m’n leraren, m’n voetbalkameraden en nog zovelen meer de plaats in de geschiedenis geven die ze verdienen.

Aan dat meesterwerk hoop ik vijf jaar te kunnen schrijven zonder ziekte of andere terugval, en tegen dan ben ik in de 70, en ga ik nog altijd niet met pensioen, want ik moet vervolgens nog een gedicht van vierhonderd bladzijden schrijven over een blaadje dat in de herfst van een boom dwarrelt. Wie niet bezig blijft, wenkt slechts de graftombe.

Humo 4131/45 van 5 november 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 5 november

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: