Heleen Debruyne: De gruwel van de geboorte

, door (hd)

28
debruyne 1200

Mijn rechten als patiënt kan ik uit het hoofd declameren. Ik ben de nachtmerrie van de gynaecoloog – die ik een plezier doe door te proberen hem te vermijden, tenzij het een noodgeval is. De zeldzame echte noodgevallen kan ik oplijsten. Ik begrijp min of meer hoe mijn kind cel per cel van een raar waterwezentje tot een mens met bijna volwaardige organen is uitgegroeid. Ik weet hoe de zuigreflex werkt, hoe je een happende kindermond op de juiste manier moet aanleggen (zoveel mogelijk tepel).

En toch weet ik niet wat ik kan verwachten. Al dat onderzoek, die statistieken en meta-analyses verklaren niet waarom deze ervaring zo bevreemdend is. Rozige teksten van blije, zwangere moeders geven me het gevoel dat mijn eigen lang niet altijd rozige gemoed en verwarring problematisch zijn. Maar ook de moeders die op een lacherig kijk-ons-eens-stoer-zijn-toontje schrijven over de fysieke gruwelen van de zwangerschap, de geboorte en de maanden daarna, doen de ervaring tekort. Nergens vind ik een taal voor hoe het voelt en voor wat er nog komt. Geen taal en weinig inspirerende beelden. Een personage in Siri Hust-vedts jongste roman merkt op dat er in de hele westerse kunstgeschiedenis tot aan de 20ste eeuw geen realistische geboortescènes te vinden zijn. Op al die ‘geboortes van Christus’ zit Maria er kwiek en zedig bedekt bij en ligt Jezus al gewassen in het stro.

Was ik een filosoof, dan zou ik mijn tanden stukbijten op die eigenaardige, symbiotische toestand. Filosofe en verloskundige Rodante van der Waal moest nochtans vaststellen dat de heren filosofen het onderwerp links hebben laten liggen. Dat zorgt er volgens haar voor dat we moeilijk zelf betekenis kunnen geven aan die zwangere schemertoestand en dus te kwetsbaar zijn voor medische autoriteitsargumenten en dwingende denkbeelden rond moederschap. Zij pleit voor een filosofie van het verwachten.

Al mijn aannames over wat een individu is, zijn door mijn – onze? – toestand aan het wankelen gebracht. Nog nooit is me zo duidelijk geworden dat wat we het ‘zelf’ noemen belachelijk relatief is. Elke dag moet mijn zelf weer wennen aan hoeveel fysieke ruimte het inneemt. Emoties zijn veranderlijker dan ooit. Er zit een extra orgaan, de placenta, in mij. Dat deel ik met een ander die nu nog geen bewuste ander is, of is hij dat wel al? In 1994 werd ontdekt dat het genetisch materiaal van het kind in veel van de cellen van de moeder blijft spoken – zelfs mijn DNA is niet meer van mij.

De leverancier van de helft van de genen die tot mijn dood in mij zullen rondzweven, neemt deze column vanaf volgende week van me over. Zo kan ik ons kind nog even rustig laten rijpen. Ik heb genoeg om over na te denken.

Humo 4133/47 van 19 november 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 19 november

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: