Revue Lanoye: 'Valse tetten en pijpenkrullen: over het sanatorium genaamd Aalst'

, door (tom lanoye)

244
vrijbeeld

Laat mij u verrassen en schokken, lieve lezer. Ik heb al heel mijn leven een zwak voor de Voil Jeanettenstoet van Aalst. De paar duffe dagen vooraf – vol hersenloos gezuip, geforceerde grollen, politieke recuperatie, kinderachtige verkleedpartijen – neem ik op de koop toe. O, Sublieme Voil Jeannetten! O, Schoonheid in Beweging! O, Vlaams Erfgoed van de Bovenste Plank!

Vorig jaar kreeg mijn zwak een knak. In strijd met de eigen tradities eiste een veertigtal deelnemers ‘meer etiquette en respect’. Niet eens van de autoriteiten of de pers, maar van de andere deelnemers. ‘Een Voil Jeanet is geen travestiet. Ze is alleen maar voil met haar moil.’

Zelfs vestimentair eisten de klagers een retour naar hun zuiverste roots. Wortelrot is een ziekte in heel Europa, dus waarom niet in Aalst? ‘De enige ware Voil Jeanet ziet er zo uit: een kinderwagen zonder spruit, een vogelkooi met een haring, daarnaast een vuile pruik, een bontjas, valse tetten, een kapotte paraplu en als hoed een lampenkap.’ Deskundig als altijd besloot de VRT: ‘De protestactie had succes, want er liepen dit jaar weinig travestieten mee.’ Ook de opperkut die het verzet tegen de verloedering had ingezet betoonde zich content. ‘Aalst Carnaval is nu eenmaal Unesco Werelderfgoed en daar moeten we goed zorg voor dragen.’

Inmiddels liet Aalsters burgemeester Christoph D’Haese zijn carnaval schráppen van de Unesco-lijst. Preventief, alvorens het zelf kon worden geschrapt. Wie een blamage wil blijven ontkennen, verkleedt ze als bravoure. Maar een afgang blijft een afgang. De stad die iedereen aanraadt om geen lange tenen te koesteren, bezit zelf tenen die reiken tot in 193 hoofdsteden van evenveel landen.

De schrapping is een unicum in de annalen van de Unesco. Veel Aalstenaren staan niettemin als één man achter hun burgemeester. Ook schepen van Jeugd, Sport en Cultuur Ilse Uyttersprot schafte zich het populaire protestlintje aan. Gepersonaliseerd (‘Oitersprot’), maar met de algemene slogan ‘Weir lachen mé iederiejn’. En als iemand dát kan beamen? Uit eigen ondervinding?

De wereld herinnert zich Uyttersprot van het YouTube-filmpje waarin ze – zelf nog burgemeester en boven op een toren – haar allerindividueelste innersprot stond te versterken, dankzij eveneens één man achter zich. Zichtbaar gelukkig dichtte ze minutenlang haar kloof met haar kiespubliek. Tot haar verdediging en goede smaak weze gezegd: het ging niet om Christoph D’Haese.

Gezien de slogan op haar lintje zal Ilse er geen graten in vinden dat ik terugkom op dit hoogtepunt in haar carrière (87 meter, volgens wie de toren heeft nagemeten). En het siert dit keer de stad Aalst dat een vroegere burgemeester na zo’n gemediatiseerde krachttoer toch weer in het schepencollege terecht mocht komen. Het zou in Mekka of Alabama niet pakken, om maar te zwijgen van Scherpenheuvel. Al kan het natuurlijk zijn dat Ilse zich van het pluche heeft verzekerd door zichzelf te laten pakken door de rest van het stadsbestuur. In een kelder dit keer.

Natuurlijk is dat laatste niet waar. Het is zelfs een misplaatste en flauwe toespeling. Ik wil me er graag voor excuseren. Ik wel. Het was functionele humor. Slechte humor, dus. Want voorspelbaar, uitleggerig, plat en ongeïnspireerd. Maar dat veeg je allemaal niet weg door als verdediging aan te voeren: ‘Ik lach nu eenmaal met alles en iedereen.’ Een niet-geslaagde grap is geen grap meer. Het is slecht verhulde haat of duidelijke domheid. En bij herhaling mag je spreken van kwalijke propaganda. Dat is het lastige en gevaarlijke aan humor. Hij is niet per definitie onschuldig. Hij bezit een duistere kant die zich gemakkelijk laat misbruiken voor andere dingen dan een lachsalvo. Wie dat ontkent, heeft zelf iets te verbergen, achter zijn mombakkes van fatsoen, tradities en burgermansvertier.

Het strijdlintje van mevrouw Uyttersprot vertoonde behalve haar naam en de voornoemde slogan ook een karikatuur van de orthodoxe jood. Met gemakzucht van de luie lolbroek werden daarmee ineens alle joden bedoeld. Sinds de late middeleeuwen zien ze er altijd hetzelfde uit: haakneus, bontmuts, pijpenkrullen, Thorarollen, kniekousen, bril en baard. De tekening verwijst naar de gecontesteerde carnavalswagen van vorig jaar. Eén veelzeggend element werd op het lintje strategisch weggelaten. De goedgevulde geldkoffers waarover alle joden overal ter wereld zouden beschikken.

Mijn thuisbasis bevindt zich in wat men de joodse wijk van Antwerpen noemt. Vanwege de armoede die veel van mijn orthodoxe buren treft, onder andere door het verkassen van diamantslijperijen naar verre oorden, vond ik die praalwagen al afstotelijk genoeg. De historische context maakt hem helemaal weerzinwekkend. Uitgerekend afgelopen jaar werd in een magistraal boek van Herman Van Goethem (‘1942’) eindelijk bewezen wat velen wisten, maar niet hardop durfden te zeggen. In Wereldoorlog II werden twintigduizend Antwerpse joden naar vernietigingskampen gedeporteerd met de steun van oorlogsburgemeester Delwaide en een deel van zijn politie. Amper vijfhonderd van de weggevoerden keerden terug, om mee te moeten maken dat de latere baron Delwaide eveneens een comeback maakte, dankzij een verkiezingscampagne waarin, net als voorheen, antisemitische cartoons werden gehanteerd. Op eentje daarvan lag concurrent Camille Huysmans op een oosterse divan, verkleed als hoerige diva en omringd door – jawel – mannen met haakneuzen, baarden, bontmutsen en in elke hand een diamant, teneinde de gunst te winnen van de slinkse burgemeester. Tegen de belangen in van het Gewone, Kleine, Verwaarloosde, Bloedeigen Vlamingske.

Van diezelfde potsierlijke travestie getuigt vandaag ook burgemeester D’Haese, in zijn poging om de eigen herverkiezing nu reeds veilig te stellen door op geen enkele manier de eigen carnavalisten tegen de kar te durven rijden. Op andere momenten presenteert hij zich nochtans graag als een burgervader met haar op de tanden. Bij een woningbrand die een armlastige en alleenstaande moeder met drie kinderen trof, haalde hij snoeihard uit. ‘Terwijl de hardwerkende Vlaming zich in alle bochten wringt om zijn kinderen in de vakantie van opvang te voorzien, laat deze allochtone moeder haar kinderen alleen thuis.’

Ooit was het carnaval de uitlaatklep van werkvolk en kansarmen. Machthebbers werden beklad, slachtoffers gespaard. Tegenwoordig speelt carnaval zich af in een vacuümgetrokken gated community voor parvenu’s, toerismemanagers en platvloerse stemmenjagers. Uitgerekend de verdedigers van De Harde Hand en Zero Tolerance blijken daarbij te schijterig om uitwassen zelfs maar voorzichtig te benoemen. Iedereen mag de mantel worden uitgeveegd, behalve de rechts-populistische kwezel, die te allen prijze naar de bek moet worden gepraat. Het is met de racistische spreekkoren in voetbal niet anders. Pamperen en gedogen, die hooligans! Zij behoren tenminste tot het Eigen Volk.

Als Voil Jeanetten zich niet aan de regels houden, worden ze de les gespeld door andere Voil Jeanetten. En een praalwagen die de spot zou drijven met de Bende van Nijvel, die acht dodelijke slachtoffers maakte in Aalst? Nee, die zou zelfs volgens de geharde burgervader niet welkom zijn, 35 jaar na dato. Maar naadloos dezelfde karikaturen heropvoeren die mee hebben geleid tot de Holocaust op zes miljoen joden? ‘Weir lachen mé iederiejn!’

In de aanloop naar het volgende carnaval is in Aalst nu al de verkoop gestart van plastic haakneuzen en hoeden met pijpenkrullen. Zo wil de Aalstenaar wereldwijd zijn reputatie herstellen. Akkoord, dat ís om te lachen. Maar het heeft niets meer te maken met humor. Het is gekwetste, koppige eigenwaan, de stad Aalst onwaardig. Juist vanwege haar eeuwenoude traditie van zelfspot en satire.

Humo 4136/50 van 10 december 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 10 december 2019

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: