Arnon Grunberg schrijft een brief aan Marco van Basten: 'Ik vond jouw biografie aangrijpend'

, door (arnon grunberg)

111
vrijbeeld

Lieve Marco van Basten,

De dagen vóór Kerstmis las ik in mijn caravan in Amsterdam – ik doe mee aan een circus en daar hoort wonen in een caravan bij – jouw biografie ‘Basta’. Niet omdat ik me bovenmatig voor voetbal interesseer of omdat jij een held van mij bent. Ik heb weinig helden, en die paar die ik heb, zijn niet onder voetballers te vinden. Goed, je maakt deel uit van het decor van mijn jeugd, toen ik op zondagmiddag naar ‘Langs de lijn’ luisterde en panisch de tussenstanden van voetbalwedstrijden noteerde. Jouw naam viel toen geregeld, maar er vielen meer namen.

Elk genre kent zijn vaste tekortkomingen, de voetbalbiografie is daarop geen uitzondering. Men praat de eigen nederlagen goed. ‘Als de scheidsrechter beter uit zijn doppen had gekeken…’ Wat een geluk dat schrijvers dergelijke excuses niet kunnen gebruiken. ‘Als de scheidsrechter beter uit zijn doppen had gekeken, was het einde van mijn roman niet mislukt.’ Maar die schrijvers hebben weer andere excuses. Het is vriendjespolitiek.

Dan wordt een affaire in anderhalve alinea afgehandeld. Discretie is belangrijk, maar niet alle openhartigheid hoeft tot indiscretie te leiden, en de voetballiefhebber is allicht ook in liefde geïnteresseerd.

Toch vond ik jouw biografie aangrijpend, bijvoorbeeld als je het via je ghostwriter een paar keer over je dood als voetballer hebt. ‘Vandaag ben ik overleden als voetballer. Ik ben hier te gast op mijn eigen begrafenis.’ Zo vat je je afscheid als voetballer samen. Je stopt niet, je sterft. Dat spreekt me aan. Hoewel de schrijver in theorie kan doorschrijven tot zijn dood, staat ook voor mij stoppen gelijk aan sterven. Er komt, zo blijkt uit je boek, een leven na de dood. Maar het is een moeizaam leven. ‘Wat voor materiaal is er nog? Kan ik nog wat opbouwen?’

Het kan. Met wat goede wil.

Dan je vader. In het begin van het boek is hij nog een enthousiaste, misschien wat monomane man die van zijn zoon Marco een uitstekende voetballer, nee, de beste voetballer wenst te maken. Dat hij daarbij de rest van zijn gezin ietwat verwaarloost, wordt als een vanzelfsprekendheid beschouwd. ‘Toen ik wat ouder was, besefte ik ook dat ons gezin eronder leed dat mijn vader voornamelijk met mij bezig was.’

Maar op het einde van het boek, in het hoofdstuk ‘Notities op zolder’ – daarboven staat ‘Enkel 9’, wat al aangeeft dat die enkel een doorlopend verhaal is, eigenlijk een personage, een verleidelijke maar destructieve geliefde – staat twee keer: ‘Mijn vader is traumatisch dominant.’

Dat is toch iets anders dan de zoon aanmoedigen ten koste van de rest van het gezin.

En in de laatste alinea’s lezen we: ‘Ik was altijd een type dat de kortste weg van A naar B nam. De beste en de snelste weg. Ik liet me door niets of niemand tegenhouden. Dat lukte me altijd. Door roeien en ruiten. Dwars erdoorheen. En deze keer kwam er iets groters op mijn pad. Een muur. En ik ging die muur stukmaken, zoals ik gewend was obstakels uit de weg te ruimen. Meedogenloos. Maar die muur stukmaken bleek niet zo verstandig.’

Opgevoed om je door niets en niemand te laten tegenhouden en dan is het uitgerekend je eigen enkel die een muur blijkt die je niet had moeten slopen. Als dat geen tragedie is.

Hoewel je afsluit met de conclusie dat je het vermoedelijk, mocht je een herkansing krijgen, net zo zou doen. Je weet dat je niet met pijn moet spelen. Je doet het toch.

Op je bureaublad in je jongenskamer stond gekrast: ‘Ik ben de beste (op mij na).’ Een omineus zinnetje, een grapje natuurlijk, maar meer dan dat. Ik ben de beste, op mijn enkel na.

God komt ook nog langs. Niet als bijrol in het hoofdstuk van je vader die, katholiek en middenklasser, in een huwelijk leefde waarover je moeder alleen maar kon zeggen dat het een dichtgeslagen boek was. Nee, op het moment dat je enkel van jou dreigt te winnen, komt God om de hoek kijken en schrijf je in notities die je jaren later op zolder vindt: ‘Ik heb een fijn lichaam gekregen van God.’

Heel fijn.

Het lichaam als een geschenk van een Almachtige dat zo gaaf mogelijk weer bij die Almachtige moet worden ingeleverd.

Eén episode moet ik nog noemen. Toen je 7 was, ging je met je vriendje Jopie op het ijs spelen. Je vertrouwde het niet en je zei dat hij een touw moest vasthouden. Desondanks zakte Jopie door het ijs en hij verdronk.

Jaren had je een foto van Jopie bij je. Tot je vader er genoeg van had en dat fotootje verscheurde.

Je enkel wordt in je boek het offer genoemd, maar er zitten andere offers in het boek verstopt. De vraag is waarvoor die offers zijn gebracht. Voor jouw wens – of was het je vaders wens? Doe dat ertoe? – de beste te zijn. En dan dat verdriet, dat grote verdriet, dat de beste zijn zo kort heeft geduurd. Het had langer kunnen duren, als de doktoren… Als je zelf wat eigenwijzer was geweest…

Een mooi boek over de offerdienst die voetbal heet, die schrijven heet, die leven heet.

Goeds,

Arnon Grunberg »

Humo 4139/53 van 31 december 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 31 december

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: