Jan Mulder over de medische staf van Ajax: 'Gebrek aan professionaliteit'

, door (jan mulder)

4
vrijbeeld

Op zolder ligt een foto uit het jaar 1966, waarop ik door masseur Fernand Beeckman van Anderlecht onder handen word genomen. In zijn mondhoek hangt een brandende peuk. Ik herinner me dat er vaak as in de massageolie op mijn dijen dreef. Beeckman – Gilbert Van Binst noemde hem ‘de pianist’ – merkte dat niet. Hij sprak honderduit over allerlei interessante onderwerpen en had minder aandacht voor het lagere werk, het wrijven. ‘Mon vieux...’ Als hij dat zei, volgde een ellenlange verhandeling over de betere vakantieoorden of een recensie van de nieuwe 78 toerenplaat van Jacques Brel. In zijn enthousiasme sloeg de pianist geen acht op de as die door het rookhol dwarrelde.

Een arts was er niet, tenminste niet dagelijks. Dokter Malvaux kwam vrijdagmiddag na de laatste training en bracht een vrolijke sfeer in de kleedkamer. Dokter Malvaux was gynaecoloog. Hamstrings hadden de mensen gelukkig nog niet. Op een vrijdag had Pol Van Himst last van een ontsteking onder een teennagel. Beeckman en Malvaux keken naar zijn voet en zeiden: ‘Dat kun je beter zelf doen.’ Een pedicureset ontbrak, Pol kreeg van Beeckman dus een schroevendraaier. Bij een verkoudheid zette hij acht brandende kaarsen onder een glazen stolp op je rug, een methode van middeleeuwse monniken die de duivel uit het lichaam zou drijven.

Mij stuurden ze eens met een hardnekkige knieblessure naar een dokter aan de Avenue Louise. In zijn schitterende art-decospreekkamer deed hij een kleerkast open en hij verzocht mij plaats te nemen op één van de twee daarin aanwezige krukken. De dokter stopte een pijp, stak ’m aan, wrong zich recht tegenover me in die kast en trok de deuren dicht. Pikkedonker. De arts hijgde zwaar en neuriede geluidjes terwijl hij mijn knie kneedde. ‘Mmmmm...njmmmm...’ Na vijf eeuwigdurende minuten opende hij de kastdeuren weer en hij schreef met een reusachtige vulpen een recept voor. Daarna sloot hij in gedachten mompelend de kast, een moment dat ik gebruikte om ’m te smeren. Eenmaal buiten was ik dolblij en had ik nergens nog last van. De medische begeleiding in die mooie oude tijden was van slechte kwaliteit, maar het kan altijd erger. En wel in het heden. In Amsterdam, bij Ajax, in de eerste helft van het afgelopen jaar hét voetbalsprookje van Europa.

Dinsdag 10 december 2019, tijdens de beslissende wedstrijd in de Champions League tegen Valencia, zakte Daley Blind in de middencirkel plotseling in elkaar. Op een teken van de scheidsrechter spoedden de artsen van Ajax zich naar Blind toe en ze hesen hem overeind. Spons over het gezicht en voetballen maar weer. Tweeënhalf jaar geleden lag een andere Ajacied, Abdelhak Nouri, tijdens een oefenwedstrijd ook opeens in het gras. Nouri ligt sindsdien in coma.

Op vragen wat er precies aan de hand was met Blind (de term ‘een griepje’ viel), antwoordde de medische staf enkele dagen later dat men zeer voorzichtig met Daley omging. Men vergat erbij te zeggen: ‘Nadat we op dat veld zeer ónvoorzichtig met Daley zijn omgegaan, zo onvoorzichtig zelfs, dat wij ons ontslag hebben ingediend. Een aai over de bol waar onmiddellijk een hersenscan en een hartonderzoek waren vereist, is onvergeeflijk.’ Ook vergeten: ‘We hebben volledige medewerking toegezegd aan het medisch tuchtcollege voor een diepgaand onderzoek naar dit onvoorstelbare falen van ons, de medische staf van Ajax.’

Daley Blind had een ontstoken hartspier. Daardoor was hij in volle actie half bewusteloos omgevallen. Vrijdag 20 december werd in het ziekenhuis een subcutane ICD, een preventieve defribillator, onder zijn huid aangebracht. Daley postte op Instagram een filmpje waarin hij verklaarde zich goed te voelen. Aan de professionaliteit van de medische staf van Ajax heeft dat niet gelegen.

Humo 4139/53 van 31 december 2019

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 31 december

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: