Idwer de la Parra: 'Praten over slepende vermoeidheid, de hechtingen en het herstellende lichaam van je vrouw is niet goed voor je positie op de apenrots'

, door (idlp)

2
debruyne 1200

De ene herinnert zich dat ze in de kraamtijd altijd naar yoghurt rook. Ik herhaal nog maar eens hoe opgelucht ik ben dat ons kind op onze eigen vloer ter wereld kwam, en dat de overvloedige melkproductie van mijn vrouw ook geen lolletje is. Maar dat laatste vinden ze een luxeprobleem.

De oudste van het stel vindt het bijzonder dat je als man tegenwoordig zo betrokken kunt zijn bij de bevalling. Wat ik als vanzelfsprekend ervaar, dat mannen mee naar binnen mogen in het verloskwartier, blijkt geen traditie te zijn. Pas sinds de jaren 50, 60 is het de gewoonte. Waarschijnlijk heeft het frisse elan van de wederopbouw meegespeeld in die nieuwe rol van de man, net als de afgedwongen mogelijkheid met iemand samen te leven op basis van romantische liefde.

Opgeruimd vertel ik thuis over de verkoopsters en de yoghurt. Mijn geliefde kijkt me strak aan. Ze vraagt me of ze naar yoghurt stinkt. Ik antwoord dat ze soms een beetje naar yoghurt ruikt. En dat ik erg van yoghurt hou. Vooral van bosbessenyoghurt. We krijgen ruzie. Ze verwijt me tietloosheid. En dat ik wel mijn best doe, met leuke gesprekjes met de dames van de natuurwinkel en mijn oprechte poging om de zorg voor ons kind eerlijk te verdelen, maar dat ik niet mag vergeten dat de rol van de man meestal niet meer behelst dan de hand van de barende vrouw vasthouden. ‘Praat je daar nooit met mannen over?’ vraagt ze.

Een oprecht gesprek met een andere man over hoe het is om je geliefde eerst geleidelijk te zien oprekken en vervolgens veel te snel weer te zien leeglopen, hoe ze verandert in een lekkende en naar yoghurt ruikende verwarming voor het kind – ik kan me zo’n gesprek niet herinneren.

Zuchtend bel ik met een vriend die ook net vader is geworden, en ik vraag hem hoe het met zijn tietloosheid is gesteld. Hij blijft maar herhalen hoe mooi hij zijn pas bevallen vrouw nog steeds vindt. Na de tiende keer vind ik het verdacht. Ik vraag niet meer door.

Hij is ondertussen weer aan het werk, in een hoge positie bij een internationaal bedrijf. Zo hoog dat zijn vrouw niet hoeft te werken en hij dus nooit een vergadering hoeft af te zeggen om op het kind te passen. ‘Hoe vergaat het haar?’ vraag ik nog. ‘Kijk,’ zegt hij, ‘het kind is gezond, dus kan ik met een gerust hart doen waar ik goed in ben.’

Hij heeft het begrepen: praten over de slepende vermoeidheid, de hechtingen en het herstellende lichaam van je vrouw is niet goed voor je positie op de apenrots.

Humo 4141/03 van 14 januari 2020

Dit artikel verscheen in:

HUMO van dinsdag 14 januari

Lees alle reportages

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: