Het hoekje van Pietje de Leugenaar: Vissen

Deel
14570_pietje250.jpg

Vanaf dan ging Guido Van Meir Pietje geregeld opzoeken, wat resulteerde in stukjes over geneeskrachtige kruiden, waterkonijnen, boogschieten en de kunst van het 'vissen in de lucht' ofte vliegeren. In onze Humo-Files kunt u 'Vissen van voorn af aan' herlezen (Humo 1848, 5/2/1975) alsook 'Humo sprak met Pietje de Leugenaar', verschenen in 1997

Het hoekje van Pietje de Leugenaar:
- 'Zen-boogschieten of de kunst van het Ware Wachten' uit 1977
- 'De punker en het waterkonijn' uit 1978
- 'Met pijl en boog op sluipjacht' uit 1979
- 'De kaars in het donker: 1. De erfenis van Pietje de Leugenaar' uit 1984

 

Het hoekje van Pietje de Leugenaar
Vissen van voorn af aan

Eigenlijk heet ik Petrus C. maar de mensen noemen mij Pietje de Leugenaar, niet omdat ik een leugenaar ben maar omdat ze met mij lachen als ik de waarheid spreek en mij ernstig nemen als ik iets zeg om te lachen. Toen de hoofdredakteur van Humoradio mij vroeg iets over het vissen te schrijven heb ik eerst geweigerd, want vissen leer je alleen aan de waterkant, niet in boekjes. Maar omdat ik de hoofdredakteur ken van toen hij nog een klein baasje was en omdat ik geld nodig heb om aan mijn uitvinding te werken, heb ik uiteindelijk ja gezegd. Baat het niet dan schaadt het niet, want anders staat er op deze bladzijden toch maar een artikel over de een of andere Amerikaanse lawaaimaker, en lawaai hebben we toch al genoeg sinds de muzikanten elektriek gebruiken. Zelfs de stille waterkant wordt verstoord door hengelaars met draadloze radio's, en ik beleef er meer plezier aan zo'n ding in het water te schoppen dan een vis eruit te halen. Dus, jeugdige vrienden van Humoradio, breng de Humo desnoods mee maar laat de radio zeker thuis als je mee met mij uit hengelen gaat.

Waarom gaan zoveel mensen hengelen? Mijn vriend Wannes zaliger zei altijd 'Als ik zonder hengel een hele dag in het riet zit, verklaart iedereen mij zot, daarom ga ik hengelen'. Gaan vissen, is in de eerste plaats opgaan in de natuur. Zich voor dag en dauw, op het uur van de wolf, tussen het riet nestelen, terwijl de stilte in de donkere polder slechts verbroken wordt door het geblaf van een verre waakhond. De dag zien geboren worden en voelen hoe de opkomende zon de kilte van de nacht langzaam verdrijft.

Zoals iedereen die de laatste halve eeuw aan de waterkant vertoefd heeft, heb ik de natuurramp voor mijn ogen zien gebeuren. Een voor een zag ik de visrijke waterlopen veranderen in stinkende riolen, ik zag het gebeuren en ik kon er niks tegen doen. De jongeren die vandaag het kwalijk stinkend kanaal Gent-Terneuzen kennen, zullen moeilijk geloven dat ik daar voor de oorlog massa's karper, snoek, brasem, baars, zeelt, voorn en paling verschalkt heb. Vandaag zijn alle openbare waterlopen in Vlaanderen totaal verpest, op enkele uitzonderingen na zoals het Kempisch kanaal en het Leopoldskanaal tussen Zelzate en Heist, dat het polderwater afvoert naar zee. Voor de rest moeten we het stellen met afgesloten rivierarmen en afgesneden bochten, visputten en kweekvijvers met tamme forel. Hier en daar heb je ook restaurants met een bak waaruit je zelf je forel naar keuze mag scheppen, schijnt het. Heelwat van mijn geliefkoosde soorten zijn uit onze 'viswaters' verdwenen en ik kan ze niet eens ongelijk geven: de maalder (kopvoorn), de grondel, de wilde boerenkarper zijn nog slechts herinneringen. Ook Vadertje Glasoog heeft het moeilijk: de snoekstand gaat van jaar tot jaar achteruit door overbevissing met werphengel en kunstaas. Want hoe minder leven er nog in onze waters zit, hoe dichter de oevers bevolkt worden met hengelaars en hoe geperfektioneerder hun materiaal. Als dat zo doorgaat zal het laatste schooltje voorn opgespoord worden met radar, opgehaald met carbonfiber hengels en weer in het water gegooid. Het laatste voorntje zal iedereen om beurt eens mogen ophalen, vasthouden en weergooien, tot het beestje geen enkele schub meer heeft.

 

Met excuses voor het ongemak

De gewoonte om gevangen vis terug te werpen kwam op het einde van de jaren '50 uit Holland overgewaaid en gelukkig beginnen meer en meer vissers te beseffen dat het vissen voor de vuilnisbak, de kat of het varken of om hun vrouw te overtuigen dat ze wel degelijk gevist hebben, niet meer opgaat nu onze visstand er zo erbarmelijk voorstaat. Maar als ze Pietje de Leugenaar komen vertellen dat de ware visser alles terugzet en alleen vis eet uit de viswinkel, dan hangt Pietje liever zijn hengel aan de wilgen, dan hoeft het voor Pietje niet meer. Mensen die op hun vinkenslag liggen om de vissen 'n haak in hun keel te slaan, aan wal te trekken en weer los te laten, enkel om voor zichzelf en de anderen altijd opnieuw te bewijzen hoe goed ze het wel kunnen, missen respekt voor de vis. Vissen is geen sport maar een ernstige zaak. Als ik mijn hengel neem is hel omdat ik zin heb in vis en voor ik begin te overwegen welk aas ik zal gebruiken, peins ik er eerst over volgens welk recept ik mijn prooi ga klaarmaken. Dat is.de enige manier om zonder schaamte als mens oog in oog met de vis te komen. Natuurlijk gooi ik veel vis terug, met alle excuses voor het ongemak dat ik hen bezorg door mijn onbehendigheid, maar ik vis door tot ik de vis heb die ik voor mijn pan voorbestemd heb, mijn vis, al moet ik elks dag teruggaan, weken aan een stuk. En als ik hem dan eindelijk gevangen heb zet ik hem niet terug, omdat ik hem niet wil beledigen, maar ik excuseer me en geef hem een klap op zijn kop en bereid hem op een manier die hem alle eer aandoet.

Ik heb nu vijf velletjes volgeschreven er nog altijd niets over het vissen zelf zie ik. Vroeger, toen ik jong en kwiek was en het water nog proper, viste ik het liefst met blote handen, en met veel sukses. Ik dook in het water en plukte de vissen gewoor uit hun natuurlijke schuilplaatsen, in holten tussen stenen, planten en boomwortels. In mijn beste tijd, kort na de eerste oorlog kwam ik soms boven met een vis tussen mijn tanden, twee in mijn handen en een tussen mijn tenen. Maar de getuigen zijn allang dood en ik wil je niet vervelen met dingen die je toch niet gelooft, laten we het dus maar bij de hengel houden.

De hengel is eigenlijk de eenvoud zelf: een veerkrachtige stok met een uiterst fijn draadje aan, waarvan het uiteinde voorzien is van een scherpe haak waar het aas aan bevestigd wordt. Daarboven wordt lood vastgeknepen op de lijn, om de haak op de juiste diepte te houden. Dat alles wordt opgehouden door de dobber, die op het water drijft en door de vis naar beneden getrokken wordt als hij in het aas bijt, zodat wij gewaarschuwd worden als we moeten aanslaan. Dat is het principe van de vaste hengel zonder molen. Het komt er alleen nog maar op aan te weten, hoe fijn de lijn, wèlke dobber, hoe zwaar en waar het lood, welke haak en wat soort aas, hoe diep en op welke plaats, en dat hangt allemaal af van de vis die je achternazit en van zijn gedrag in de gegeven omstandigheden, die van uur tot uur kunnen verschillen. Weten welke faktoren het gedrag van je vis bepalen en weten hoe hij daarop reageert, dat is de kunst. Of zoals mijn vriend Hans, de oude olifantenjager het eens zei: 'Jullie vangen te weinig omdat je niet eerst zelf vis wordt, voor je gaat vissen.' Ga dus nooit 'zomaar' vissen, kies vooraf op welke vis je gaat mikken en tracht al zijn geheimen aan de weet te komen. Hoe beter je hem kent, hoe meer hij je zal vertellen.

 

Tips voor beginners

* Laat vooral nooit merken dat je er bent, want elke vis van enige afmeting is maar zo groot geworden omdat hij wantrouwig was. Vissen zien wat boven het water gebeurt en kunnen door de lichtbreking van het water zelfs over de oever heenkijken. Kleed je in het groen (nooit in wit hemd), zoek dekking achter een rietkraag en hou je zo laag mogelijk tegen de grond. Denk erom dat geluiden zich in het water vijfmaal sneller voortplanten dan in de lucht en begin dus zeker niet op de grond te stampen als je koude voeten hebt.

* Beginnende vissers laten zich best in de kunst inwijden door de blankvoorn, die je alle knepen zal leren die nodig zijn om later met de jachthengel met molen achter snoek of karper aan te gaan. Ik heb altijd graag op mijn vriend de voorn gevist en hij heeft me alles geduldig geleerd, door iedere dag weer met mijn voeten te spelen tot ik begreep wat hij bedoelde. Heel graag neemt hij aas en haak eventjes in de mond om het daarna weer uit te spuwen en zo kan hij je dagen plagen zonder dat je hem te zien krijgt. Tot je geleerd hebt aan te slaan terwijl hij proeft, waardoor je een snelle aanslag in de pols krijgt.

* Geen enkele vis dwingt de beginner zich zo in zijn levensgewoonten te verdiepen als de voorn, en daarom is hij de beste leermeester. Hij zit graag tegen de oever tussen de waterplanten, maar ook in grote diepten tegen de bodem of, op halve diepte, en op warme zomerdagen kan je hem 's morgens vroeg of bij valavond zelfs boven het water uit zien plonzen. De blankvoorn komt overal, en is soms even moeilijk te vinden als een vriend die stamgast is in veel verschillende cafés en waar je een hele avond vruchteloos achteraan kunt lopen omdat je overal aankomt als hij net vertrokken is.

* Hengelaars die hun aas en lokvoer klaargemaakt kopen in de handel (er zijn wel 100 soorten bereid lokaas te koop) missen de helft van het hengelgenot. Als ik thuis vrienden op bezoek krijg zet ik zelf verse koffie van echte koffiebonen en geen flauwekul uit een potje, en als ik ga hengelen bereid ik met dezelfde zorg en toewijding mijn aas en lokaas. Tot voor 20 jaar maakte de hengelaar zijn eigen mengelingen en zo hoort het ook te zijn.

Wie wil leren experimenteren met alle mogelijke soorten aas gaat het best bij de voorn op school, want ik geloof waarlijk dat er meer recepten bestaan om op voorn te vissen dan gerechten in de Franse keuken! Van de gewone broodkruim of gekookte aardappel, tot de ingewikkeldste bereidingen met molshoopaarde, zemelen, gehakte aardwormen, draf van brouwerijen, smeerkaas, duivemest, maismeel, parkietenzaad, witte klaver, mos, sla, tarwe, gerst, haver, fijne zavel, vanille, anijs, venkel, koreander, keukenzout, zemelen enzovoort. Verder alles wat er aan kleine diertjes in het water leeft of er door de wind in kan waaien, met een uitgesproken voorkeur voor de beroemde vers de vase, de bloedrode muggelarve. Maar het happigst van al is deze lekkerbek naar gekiemd hennepzaad, op voorwaarde dat men het hem geleidelijk leert eten door enige tijd regelmatig voederen. Ik bedoel hier wel degelijk inlandse hennep (kempzaad), want de Indische variëteit (die als verdovend middel door de hippies gebruikt wordt) is als aas door de wet verboden: de vissen zijn er al te gek op en het gevaar bestaat dat zij aan zwaardere middelen verhangen geraken. Toen ik als koksmaat met de M.S. Alberta in de jaren '20 naar Indië voer, heb ik - nee, geen Indische hennep gebruikt - maar de gewoonte van de Indiërs overgenomen op mijn aas te spuwen voor ik hem in het water gooi, en ik heb kunnen konstateren dat de vis er niet vies van is.

De voorn is een alleseter, maar dat is net het moeilijke: als hij de smaak van een bepaald soort voedsel te pakken heeft is hij kieskeurig en bijt naar niets anders, en het kan dagen kosten om erachter te komen wat hem precies interesseert. In de buurt van een konservenfabriek doe je soms reuzevangsten met doperweten uit blik, in de omgeving van een meikerij kan smeerkaas wonderen doen. Ik persoonlijk heb nooit meer gevangen als die dag toen ik mijn lijntje had uitgegooid in de buurt van een... pissijn!

Pietje de Leugenaar

Humo.be-updates in je Facebook-nieuwsfeed?

U bent wellicht ook hierin geïnteresseerd: