column grunberg teaserBeeld Humo

ColumnArnon Grunberg

Arnon Grunberg schrijft een brief aan John le Carré, ‘de anti-James Bond’

Waarde John le Carré,

In 1984 kwam de verfilming van uw roman ‘The Little Drummer Girl’ in de bioscopen. Ik was 13 en ik ging vaak alleen naar de bioscoop. De smaak van het alleen-zijn heb ik toen te pakken gekregen. Die smaak zou me nooit meer loslaten, de eenling ziet veel.

Na de film, die indruk op mij maakte – maar niet zoals andere films die ik in die tijd zag, zoals ‘1900’ van Bertolucci of de verfilming van ‘Under the Vulcano’ van Malcolm Lowry, een nogal onleesbare roman, ik geloof dat ik dat wel mag zeggen – na die middag in de Amsterdamse bioscoop Tuschinski begon ik u te lezen.

Ik las één of twee boeken, daarna kreeg de eenling andere prioriteiten. De liefde, bijvoorbeeld. Ik wilde acteur worden en begon toneel te lezen.

Meer dan eens heb ik beweerd dat wie schrijven wil leren, bij Georges Simenon terechtkan. Van Kafka kun je andere dingen leren.

Vanochtend las ik uw in memoriam in The New York Times, geschreven door Sarah Lyall. Daarin stond dat Ian McEwan beweerde dat u de belangrijkste Britse auteur uit de tweede helft van de 20ste eeuw zult blijken te zijn. En in een artikel in The New Yorker had Timothy Garton Ash geschreven dat uw werkelijke thema niet spionage was, maar ‘het verraad dat een soort van liefde is’. Is spionage een metafoor voor verraad als liefde, of is dergelijk verraad een metafoor voor spionage?

In een mooi interview van Bas Heijne uit 2017 zei u: ‘Ik beschouw schrijven als een privéaangelegenheid, zelfs als een geheime bezigheid. Daarom neem ik nooit deel aan literaire festivals. Daarom ook spreek ik liever met een houtbewerker dan met een andere schrijver. Ik wil mijn problemen niet delen. Tijdens de research voor mijn boeken ga ik niet anders te werk dan als spion.’

Een decennium geleden tijdens een lezing in Portugal, ik kan me niet meer herinneren wat de aanleiding was, noteerde ik dat de schrijver een spion is, en ik kan me nog herinneren dat niet iedereen in het publiek dat een smakelijke vergelijking vond. De spion wordt gezien als een dubieus wezen aan gene zijde van de moraal met twijfelachtige loyaliteiten. De auteur ziet men juist graag als een voorbeeldig wezen, bij voorkeur als het slachtoffer van één of ander onrecht, iemand die door het leven is geslagen en toch keurig rechtop blijft lopen.

Misschien moet ik zeggen dat het spijtig is dat ik niet als spion heb gewerkt, allicht was ik dan een nog betere schrijver geworden. U hebt zestien jaar als spion gewerkt, voor de buitenlandse (MI6) en de binnenlandse (MI5) Britse geheime dienst. Op een gegeven moment leidde u een driedubbel leven als schrijver, spion en diplomaat.

Uw vader was een oplichter, die om die reden diverse malen in de gevangenis is beland. U hebt hem omschreven als ‘manipulatief, machtig, charismatisch, slim en onbetrouwbaar’.

U bent geboren als David John Moore Cornwell, u kunt zich niet meer herinneren waarom u zich John le Carré begon te noemen. Na uw succes als Le Carré begon uw vader zich Ron le Carré te noemen. Toen hij stierf, betaalde u voor zijn begrafenis, maar u bent er niet naartoe gegaan.

Uw spionnen, schrijft Sarah Lyall, zijn de anti-James Bond: eenzame, gedesillusioneerde mannen, voortgedreven door budgettekorten, de schimmige wereld van de politiek en bureaucratische machinerieën. Verraad ligt op de loer, maar het is niet uitsluitend de vijand die verraadt, collega’s en geliefden doen er hard aan mee. Je kunt alleen verraden worden door mensen die je vertrouwt.

‘De blik van de schrijver is mijn natuurlijke blik geworden. Vat het niet persoonlijk op, maar zoals wij hier nu zitten, kan ik het niet laten u te observeren, hoe u zich gedraagt, hoe u zich kleedt, uw schoenen, wat u met uw haar gedaan hebt,’ zei u tegen Bas Heijne.

Ik weet niet in hoeverre de blik van de schrijver te vergelijken is met die van de spion. Ik weet dat de schrijver altijd op de loer ligt, soms in slaap lijkt te sukkelen tijdens sociale gelegenheden, maar met een half oor luistert tot er iets voorbijkomt wat zijn aandacht behoeft. Dan schrikt hij wakker.

Graham Greene noemde ‘The Spy Who Came in from the Cold’ het beste spionageverhaal dat hij ooit heeft gelezen. Greene is een schrijver die ik steeds meer ben gaan waarderen, maar anders dan u worstelde hij erg met schuld, katholicisme, God en de liefde, die niet zozeer verraad is als wel puur onvermogen. ‘Wij kunnen ons gevoel even makkelijk vaarwel zeggen als een baan,’ schrijft Graham Greene in ‘Een opgebrand geval’, en dan zijn we, hoewel die roman niets met spionnen te maken heeft, toch weer dicht bij spionage als een metafoor.

Lang heb ik gedacht dat ik een sekteleider wilde worden, een Socrates voor deze tijd, op beperkte schaal, bijvoorbeeld uitsluitend in Oostende, en liefst zonder gifbeker op het eind. Na uw dood besef ik dat ik een spion wil worden, een echte. Ik weet niet hoe ik dat ga aanpakken, maar het zal me wel lukken, op de één of andere manier.

Met dank,

Uw Arnon Grunberg 

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234