Tom Lanoye Beeld Tom Lanoye
Tom LanoyeBeeld Tom Lanoye

columnTom Lanoye

‘De ambitie van Joël De Ceulaer reikt hoger dan de Himalaya, zijn talent iets lager dan een cornervlag’

GEEN GESEL, GEEN GLORIE. Over de mieren rond Anthierens.

Lang, lang geleden – toen ik als lezer overschakelde van stripbladen als Sjors en Sjimmie naar om het even welke publicatie met meer tekst dan illustraties – werden columns in Vlaanderen cursiefjes genoemd. Let op het verkleinwoord. Ze werden niet geschreven door evenknieën van Simon Carmiggelt of Godfried Bomans, maar door opzettelijk suf uit hun doppen kijkende beroepsknarren als Louis Verbeeck, Gaston Durnez of Jos Ghysen, en nog een paar andere, goddank helemáál vergeten schurende scharnieren. Hun proza viel niet eens melig te noemen. Het was vormloze aanstellerij, ontsproten aan de pen van amechtige kwezels. Betuttelend, schijterig en onbezield, stinkend naar stijfsel, walmend naar wierook uit een laatavondmis en druivensap uit de Sarma, gemarineerd in plattelandse bezadigdheid en doordesemd van een geforceerde gezelligheid die al bij voorbaat zijn toevlucht nam tot verdwazende verkleinvormen die van ons, Vlamen, reeds eeuwen Kampioen Zelfonderdrukkers maken. Wij teren op lachjes, binnenpretjes en knipoogjes. Om gebbetjes, praatjes, natjes en droogjes. Dit alles naar het hatelijkste adagium van een streek waar schilders en wandtapijtwevers nochtans muurvullende tableaus schiepen, vol historisch geweld en Bijbels bloot, maar waar de meeste scribenten zich het liefst neerleggen bij ‘de kleine dingskes die het leven de moeite waard maken’.

Wie per se als amoebe of made door het bestaan wil gaan, moet dat motto maar op zijn voorhoofd laten tatoeëren. Aan mij is het, ondanks of juist door mijn gestalte, niet besteed. Deels komt dat door Johan Anthierens. Bij hem vond ik als jonge lezer de mosterd waar ik zo lang naar dorstte, zonder te beseffen waarnaar ik zocht. Hij brak in Knack door met zijn rubriek ‘Ooggetuige’ en daarmee brak hij, week na week, ook het cursiefje als genre af, tot ín de grond. In ruil voor uit de kluiten gewassen columns waarin alles mocht – van ophemelen tot neersabelen, van lauweren tot beledigen – en waarin maar twee plichten golden: nooit vervelen en altijd vervoeren. Minstens door de spankracht van de gebezigde taal. Liever bravoure dan bravigheid.

‘Van een begenadigd columnist met sporadische tv-optredens veranderde Anthierens in een tv-vedette die ook stukjes schreef’ Beeld HERMAN SELLESLAGS
‘Van een begenadigd columnist met sporadische tv-optredens veranderde Anthierens in een tv-vedette die ook stukjes schreef’Beeld HERMAN SELLESLAGS

Mijn eigen motto, sedertdien? Geen ander geloof zult gij erkennen dan de almacht van ons aller Nederlands, dat even soepel, beeldend, muzikaal en bedwelmend kan klinken als alle mediterrane dialecten die het ooit schopten tot cultuurtaal. En ook dit. Er is maar één taalstrijd die gij zult voeren. Niet het achterhoedegeklungel dat andere spraken wil beteugelen, via loket over kiesbrief tot ‘faciliteit’. Dit en dit alleen zal uw taalstrijd zijn: de krijgskunst die tot de laatste komma kampt voor knappere zinnen, pakkender passages, betere boeken en subtielere songteksten. In een idioom dat u van kleins af werd toegediend als tweede vorm van moedermelk.

SCHERE DI

Zonder Anthierens had ik dat vast ook ontdekt, zij het pas later, en zonder de opwinding waarmee ik als puber op eigen houtje zijn ‘Ooggetuige’ vond en verslond. Zonder hem zou ik ook zelf dat slag columns zijn gaan schrijven. Maar dankzij zijn weekblad De Zwijger – zijn kortstondige Eldorado, zijn artistieke Waterloo – kreeg ik begin jaren 80 de perfecte kans mijn entree te maken als debutant. Onder zijn vleugelen en precies op het moment dat ik er klaar voor was.

Weliswaar over het enige onderwerp dat me, toentertijd toch, kon beroeren. De letterkunde en haar amateurs, haar grand seigneurs en maltraiteurs, en hoe je ze van elkaar kon onderscheiden. Zoals hij dat zelf poogde te doen, maar dan in alle domeinen van het openbare bestel.

Wat zou hij bijvoorbeeld – de bokken scheidend van de kemels en de kameraden – gevonden hebben van wie aan het woord kwam in ‘Niemands meester, niemands knecht’, de dubbeldocu die de VRT rijkelijk laat wijdde aan zijn leven en werken? Hij zou zich volgens mij eerst verbazen over de ontbrekende schapenscheerders. Zoals Guy Mortier, die oudste broer Jef Anthierens opvolgde als hoofdredacteur van dit eigenste prachtblad, waar Johan ooit zelf debuteerde. Als vormgever, nota bene. Alle begin is moeilijk. Provocatie was overigens een familietrek. De chansons op Johans begrafenis waren alle Franstalig. Het bidprentje van broer Jef bevatte een eresaluut aan hun collaborerende, nimmer schuldbewuste verwekker: ‘Mijn eer heet trouw.’ Het parool van de SS. Uit dien hoofde verboden in Duitsland, maar nog altijd nagalmend op vele Vlaamse velden en verzamelweiden. En dus op de begrafenis van minstens één gewezen Humo-hoofdredacteur.

Johan zou volgens mij ook Kamagurka missen, van wie hij als één der eersten de genialiteit inzag en verdedigde, tegen andere draaideurfascisten in, zoals Mark Grammens, hoofdredacteur van het ook al ter ziele gegane De Nieuwe. En Johan zou zeker ook één van zijn vaste kibbelkompanen hebben gemist, Paul Goossens, de bezieler van De Morgen, nog zo’n roemruchte publicatie die bij haar opstart de verzuiling hoopte te doorbreken, samen met haar kordon van volgzame perspaladijnen. Net als De Zwijger danste De Morgen daarbij op het slappe koord boven een meervoudige leeuwenkuil. Die van een faillissement en die van ongegronde, dreigende processen.

Op de uitvaart van Anthierens zei Goossens, uit het hart en naar waarheid: ‘Jij, Johan, bent altijd ontsnapt aan de ziekte van het cynisme.’ Hij had het evengoed over zichzelf kunnen hebben. Maar allebei hadden ze zich vast ferm achter de oren gekrabd, met als gereedschap hun doormidden gebroken klomp, hadden ze in hun hoogtijdagen vernomen wie vandaag de dag aan het woord zou worden gelaten, over een periode waarvan zij de dragers en de republikeinse kingmakers waren.

VERKOELING

Er is maar één ding erger dan de subliem verwoorde mening van een tegenstander. En dat is: je eigen mening, maar dan zo onbehouwen, blasé en ongeïnspireerd geformuleerd dat je overweegt ze alsnog te wijzigen. Het overkomt me geregeld bij Joël De Ceulaer. Hij is het slachtoffer van een veelvoorkomende tragiek. Zijn ambitie reikt hoger dan de Himalaya, zijn talent iets lager dan een cornervlag. Hij compenseert dat verschil met tomeloze inzet en een brij aan kopij. Met te weinig journalisten in dienst heb je – tot wanhoop van de vakbond – aan deze ene senior writer genoeg om álle kieren en gaten te dempen. Elke week denk je: ‘Wie zal De Ceulaer dit keer weer op vijf bladzijden interviewen, om het na drie vragen toch weer te hebben over zichzelf en zijn geflopte boeken?’

Akkoord: ook hij heeft net als Anthierens een kleine odyssee achter de rug, van redactie naar redactie, van vele vetes naar soms een verbroedering. Onder zijn tweejarige leiding is eveneens een blad failliet gegaan – Panorama, een sufferdje dat onder hem alleen maar suffer werd. En ja, De Ceulaer roert zich in zoveel mogelijk debatten, hij elleboogt zich allerlei panels binnen en hij doet daar, ongeacht het onderwerp, altijd zijn iets te zichtbare best om tegen de haren in te strijken. Niet eens altijd gratuit of tergend voorspelbaar.

Maar om hem vervolgens ‘een schrijfbroeder van Anthierens’ te noemen, zoals in voorbeschouwingen gebeurde? Daarvoor is zijn charme te onbestaande, zijn retoriek te zompig, zijn zelfspot te doorzichtig en zijn eigenwaan te onoverkomelijk. Al minstens twee keer kondigde hij zelf aan te zullen stoppen met twitteren. En ik dacht dat ík een dramaqueen was! De tweede keer liet hij zich daar zélf over interviewen op vijf bladzijden. Onder de kop: ‘Mijn ego heeft afkoeling nodig.’ Het enige wat mankeerde was een zoekertje. ‘Dringend gezocht: vliegtuighangar met vriesinstallatie.’

Zegt mij, gij allen die Anthierens persoonlijk hebben gekend: zou hij deze koddebeier ooit écht voor vol hebben aangezien? Toch is er een parallel, helaas. Anthierens haatte televisiepersoonlijkheden, maar hij werd er zelf één. Niet dankzij gedegen reportages, maar dankzij een spelletjesprogramma. Vervolgens kon hij niet aan de verleiding weerstaan om die vermaardheid in te zetten voor zijn droomproject, De Zwijger – een Canard Enchaîné à la flamande. Zijn fans uit het andere medium wisten niet eens waar zo’n geketende eend naar verwees. Om hen bij de les te houden, moest Anthierens nog meer op de treurbuis verschijnen. Tot hij, ook door het opgelopen tijdverlies, wezenlijk veranderde. Van een begenadigd columnist met sporadische tv-optredens in een tv-vedette die daarbuiten ook stukjes schreef en een blad runde.

Iets gelijkaardigs vind je terug bij De Ceulaer. Hij zal altijd hervallen in getwitter. Niet alleen vanwege zijn inmiddels wellicht ook reële verslaving. Het zit dieper. Zijn grootste bekendheid heeft hij gebouwd op een medium dat haaks staat op zijn innigste ambitie: een invloedrijk, zelfs gevreesd publicist te zijn. Maar hij floreert pas echt op een veld waar honderdveertig tekens al een monoloog betekenen, drie tweets na elkaar een analyse en een draadje van tien tweets een artikel. (Let op het verkleinwoord.)

Vandaar dat hij er – zo las ik toch in zijn voorlopig tweede afscheidsinterview – soms veertig op een etmaal verstuurt. In de hoop om, met twee simpele duimen, de kloof te dichten tussen zijn verlangen naar diepgang en zijn honger naar roem.

Soit. De verbazing om De Ceulaers aanwezigheid in een documentaire over Johan Anthierens komt in essentie enkel neer op afwegingen omtrent smaak, taal en allure. Er bleken naast hem veel grotere dieptepunten en echte schandvlekken in de aanbieding. Daarover moeten we het een volgende keer hebben. Alsook, ter afsluiting – beloofd! – over Anthierens zelf. En over de balans die hij als buitenstaander zou opmaken over zichzelf.

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234