Tom Lanoye Beeld Tom Lanoye
Tom LanoyeBeeld Tom Lanoye

ColumnTom Lanoye

‘De levensloop van Amanda Lear verdient een Netflixserie’

Sam Bettens, Bo Van Spilbeeck en Petra De Sutter: ze liggen bovenaan in de ladekast van mijn respect. Er zijn maar drie personen die ik, gezien hun leeftijd, nog meer hoogacht als het gaat om de Kracht van Verandering.

De eerste is Philippa York, geboren als vent in het wonderlijke Expo-jaar 1958. Net als – de doden en de levenden broederlijk ondereen – Keith Haring, Madonna, Prince, Michelle Pfeiffer, Ivo van Hove, Jo Vally, ikzelf en Michael Jackson. Het grote verschil met hen is dat het beroepsleven van Philippa zich niet heeft afgespeeld in de tolerante uiterwaarden van de journalistiek of de schone kunsten, de showbizz of een academisch milieu. Ze verdiende haar brood in één van de hardnekkigste mannenbastions ter wereld. De wielrennerij. Wat Attila de Hun verbond met zijn paard, verbindt ook de coureur met zijn stalen ros: testosteron. Die waarheid scheen althans in graniet gebeiteld te staan in de eeuw waarin ik ben opgegroeid. Dat ooit, in een rare toekomst, ook het vrouwenwielrennen tot bloei zou komen, dat het zelfs zou worden uitgezonden op tv en dat winnaressen zouden worden geïnterviewd als goedverdienende vedettes – het leek toen domweg kolder. Geroddel op de planeet Mars.

Binnen deze kring der testosterati had Philippa zelfs nog een streepje voor op de sprintbommen en de tijdrijders. Zij behoorde immers tot de ware adel van het cyclisme. De klimmers. De sherpa’s van het wielerwalhalla, die bergtoppen dansend bedwingen terwijl alle anderen stervend over hun stuurstang hangen, brakend en brekend. Philippa werd bergkampioen in de Ronde van Franrijk en die van Italië. Als één van de eerste Schotten werd ze ook Brits kampioen op de weg. Alom gevierd en bezongen.

Klimmers spreken sowieso tot de verbeelding omdat het vaak einzelgängers zijn. Binnenvetters waar een geheim omheen hangt, of een aura van tragiek. Federico Bahamontes, ‘de adelaar van Toledo’, werd door het voetvolk op handen gedragen, maar door zijn gildebroeders besmuikt bespot. Omdat die sukkel fietste onder de familienaam van zijn moeder, ‘uit liefde en dankbaarheid’. Twee kwaliteiten die zich slecht mengden met de wetten van een peloton dat zich liever laafde aan handjeklap en ploegafspraken, alsook aan dubieuze paardenmiddelen die geleverd werden door soigneurs. Een chique term voor hormonen- en amfetaminemaffiosi.

Meteen komt dan Marco Pantani in beeld, de man met de twee bijnamen: il Pirata en il Elefantino. Dat laatste vanwege zijn kale kop en grote oren, al waren er ook dames die naar zijn geslachtsdeel verwezen als inspiratiebron. Pantani won twee grote rondes en in elk daarvan acht etappes. Toch overleed hij eenzaam en neerslachtig in een hotelkamer in Rimini, officieel na een hartstilstand. Jaren later weet een tweede onderzoek zijn dood aan ‘een cocktail van cocaïne en antidepressiva’. Zijn standbeeld in zijn geboortestad Cesenatico werd zowaar nog populairder als bedevaartsoord voor tifosi.

Philippa York werd na haar carrière persona non grata. Niet om de biecht die ook zij te boek stelde, over de drugsgekte in haar ploeg. Wel omdat ze een nog ondenkbaarder verraad pleegde. Ze veranderde van geslacht. In 2009 schreef mijn goede collega Joseph Pearce daarover in zijn column in De Standaard het volgende: ‘José De Cauwer maakte zich op tv eerst vrolijk. Een vrouw? Da’s een goeie! Daarna wond hij zich op. De omgebouwde Schot zou langs het parcours zijn opgemerkt, al had De Cauwer hem niet gezien. Gelukkig maar, echode Michel Wuyts. Zulke mensen horen niet in de Ronde thuis.’

Laten we zulke oprispingen maar wijten aan de toenmalige tijdgeest. Net als het woord ‘omgebouwd’. Ik heb het vele jaren ook zelf gebruikt. Onbekommerd, uit onwetendheid. Ik weet overigens niet of Philippa het nog aan haar kouwe kleren zou laten komen. Ze is inmiddels zelf een gevierd sportcommentator op tv. En binnenkort neemt ze in Schotland deel aan een benefiet. Ze zal opnieuw haar stalen ros beklimmen tijdens een lokaal criterium voor wielerveteranen. Luid toegejuicht, daar twijfelt geen mens meer aan.

AMANDA

De deadname van mijn tweede heldin, Amanda Lear, geef ik zonder scrupules prijs: Alain Maurice Louis René Tap. Het zou me immers niet verwonderen mocht het, ondanks alle journalistieke gepeuter van onder andere La Stampa, alsnog om de zoveelste mystificatie gaan van één onzer grootste hedendaagse kunstenaars. Haar levensloop verdient een Netflixserie, al dreigt die meer dan drie seizoenen op te eisen.

Ze is geboren in Saigon, of nee: Hongkong, correctie: Zwitserland – of nee: het was toch Transsylvanië! Later werd ze mannequin voor Paco Rabanne, danseres in The Crazy Horse Saloon en gedistingeerd-wulps model op een platenhoes van Roxy Music. Ooit is ze gearresteerd als drugsrunner voor The Rolling Stones. Ze had een korte affaire met David Bowie, die haar aanraadde zangeres te worden, en een lange liaison met de wegkwijnende Salvador Dalí. Hij zou de transitie van zijn lievelingsmodel bekostigd hebben. Hij beweerde ook meermaals dat hij haar artiestennaam had bedacht – een Catalaanse woordspeling die neerkomt op l’amant de Dalí.

La Lear heeft dat steeds ontkend. Alsook dat zij een transitie nodig had om te worden wie ze altijd al was.

Mijn favoriete nummer – haar eerste hitje – klinkt atypisch voor de rest van haar oeuvre. Het is een plagerige cover van de Johnny Hallyday-klassieker ‘La bagarre’. De machistische tekst krijgt geregeld een dubbele lading. ‘Si tu cherches la bagarre / Regarde-moi bien en face / J’suis une casseuse, alors les gars / j’vais vous soigner’. Haar grote doorbraak kwam er eind jaren 70, dankzij de heerlijk platte kermisdisco waarvan zij de ongekroonde keizerin werd. Gegangmaakt door de homo- en andere discotheken die – niet gespeend van zweet en spiegelballen – overal ter wereld de nachten geil en onveilig maakten.

‘Sweet revenge’, zo heet het album dat nog steeds een verkoopknaller is. Alle nummers zijn aan elkaar vast gemixt, toentertijd een revolutionaire nieuwigheid. ‘Enigma’ werd een gigahit (‘Give a little hmm to me / And I’ll give a little hmm to you’). Maar niets versloeg ‘Follow Me’. Ze zong het meestal in een openvallend zwartlederen jasje. Rijglaarzen, kepie en zweepje incluis. Ik hoorde het lied midden jaren 80 zelfs nog weergalmen in de straten van Gent, vanop een geluidswagen die opriep om andermaal te stemmen voor oppertsjeef Wilfried Martens (‘Faust was right / Have no regret / Gimme your soul / I’ll give you life’).

Ik heb me altíjd enorm kunnen amuseren met Amanda, en niet alleen tijdens het dansen. Met niemand anders kon ik mijn cultureel correcte leeftijdgenoten zo hard jennen. ‘Bob Dylan? The Clash? Ramones? Naast Amanda Lear is dat allemaal nep en klein bier.’ Als je niet uitkeek, kreeg je op je gezicht.

Ze is die glittercontroverse goddank nooit ontgroeid. Op een Franse modeshow, een paar jaar geleden, trok ze als bezoekster alle aandacht naar zich toe met haar T-shirtslogan: ‘La cigarette tue / La pipe détend’. Menige Angelsaksische influencer hakte meteen op haar in. ‘Pijproken kán ontspannen, maar het is even dodelijk, hoor!’ Activisme en humor, het blijft een moeilijk huwelijk.

Onlangs postte ze een selfie tijdens haar coronaprik. Prompt probeerden twitterati haar allergrootste geheim te ontwijden: haar leeftijd. Even prompt sloeg ze terug. Welnee, ze behoorde bijlange na nog niet tot de opgeroepen tachtigplussers. ‘Ik heb gewoon, zoals heel mijn leven, overal handige contacten en rijke bewonderaars.’

ANONIMA

Mijn derde diva kan het stellen zonder namen. Ze is – of was, want ik heb haar al lang niet meer gezien, en de tand des tijds blijft knagen aan ons allemaal – Indonesisch van origine. Dat bleek niet alleen uit haar tengere postuur en haar fijne trekken, maar ook uit haar kookkunst. Ze baatte niet ver van de Antwerpse Zoölogie een restaurantje uit, alleen bijgestaan door haar vent, ‘na zijn uren’. Hij staat me voor de geest als gezellig, degelijk, oer-Antwerps en besnord. Het was grote liefde tussen die twee. Ze spaarden zich blauw ‘voor Casablanca’, de stad waar destijds de meeste transities werden uitgevoerd.

Het restaurant is allang opgedoekt. Jammer. Buiten Den Haag heb ik nooit ergens in Europa zo’n heerlijke rijsttafel gegeten. Met gadogado zoals het moet. Met zelfgemaakte spekkoek toe, en lichtgroene pannenkoekjes. Daarna schonk mijn nummer één hete thee en deelde ze ook kretekjes uit. Volgens Van Dale zijn dat ‘sigaretten met in kruidnagelolie gesausde tabak’. Zo roken ze ook. High werd je er niet van, al waarschuwde een buurman ooit voor alle zekerheid de drugspolitie. De agenten wisten zich geen raad met hun plots jankende en niezende speurhonden.

De laatste keer dat ik haar zag, was overdag aan een stoplicht op de Amerikalei. We stonden te wachten, te midden van een groepje wildvreemden. In mijn herinnering zomert het ongenadig. ‘Je ziet er fantastisch uit,’ zei ik naar waarheid, ‘je glimt!’ ‘Dat kan kloppen,’ zei ze. ‘Ik ben gestopt met dat restaurant en heb een galerietje geopend. Echt iets voor jou, kom langs!’ ‘Ik kom deze week,’ beloofde ik. Niet naar waarheid. Ik wilde haar paaien, belonen, strelen met woorden, omdat ze er zo knap uitzag.

Niet dat ze mijn complimentjes nodig had. Vlak voor het voetgangerslicht op groen sprong en ze lichtvoetig van me weg zou snellen, boog ze zich naar me toe. Nooit daarvoor of daarna heb ik zoveel trots en extase gezien, in één glimlach verzameld. Op klaarlichte dag en vlak voor mijn neus.

‘Het is gebeurd. Ik heb het eindelijk laten doen. Tot ziens!’

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234