Open Venster
Delphine Lecompte: ‘Nu prinses Delphine meedoet aan ‘Dancing with the Stars’ is ze al haar geloofwaardigheid als kunstenaar kwijt’
Ik heet Delphine en ik haat het koningshuis
Ik ben nooit een liefhebber geweest van de stijve kleurloze afstandelijke schabouwelijk Nederlands sprekende marionetten met hun stuitende onverdiende privileges en lelijke overdadige tronen en potsierlijke obsolete protocollen en kille schizofrene familiebanden: ons koningshuis. Toen ik vijftien was gaf de scrupuleloze moordenaar en fundamentalistische pezewever Boudewijn de pijp aan Maarten. Een fait divers in mijn ogen.
Het was 1993: een zwoele betoverende zomer die mijn genitaliën en hormonen volop zou benutten. Ik was een hitsige puber en ik copuleerde erop los in de duinen van De Panne: met verrukkelijke barbaarse messenwerpers, met naïeve aandoenlijke betonvlechters, met ruwe gepensioneerde stierenvechters en met lankmoedige Bulgaarse laminaatverkopers. Het was de hoogzomer van mijn promiscuïteit, de soundtrack was helaas Jamiroquai.
Maar toen ik na mijn uitbundige onstuimige gutsende erotische escapades in de duinen van De Panne ’s avonds met mijn grootouders het journaal bekeek moest ik met pijn, walg, verbijstering en afgrijzen vaststellen dat de sentimentaliteit en het koekendozenimago van de monarchie het volk weer eens had gehersenspoeld: grote drommen mensen wilden een laatste groet brengen aan de koude holle onbarmhartige ascetische nietsnut Boudewijn die verantwoordelijk was voor de executie van Patrice Lumumba. Zelfs mensen van mijn leeftijd namen klakkeloos de psychotische klefheid en herschrijving van de geschiedenis over.
De hagiografieën gewijd aan Boudewijn waren stroperig, overvloedig, walgelijk, en compleet onverdiend. Boudewijn was nauwelijks een haar beter geweest dan de nietsontziende bebaarde bruut en sadist Leopold II. Men probeert de liefde voor de monarchie door onze strot te rammen van kindsbeen af: portretten van het koningspaar in klaslokalen, gemeentehuizen, het verplicht uit het hoofd leren van het Belgische volkslied, elk jaar een pijnlijke verkrampte bloedeloze kerstspeech die tot tweemaal toe wordt uitgezonden op de staatsomroep. En dan zijn er natuurlijk de vele korte stroeve pijnlijke verschijningen na een ramp om slachtoffers een hart onder de riem te steken.
Maar zelfs de meest wanhopige ontredderde amechtige loyale sentimentele sukkelaars zullen moeten toegeven dat er bitter weinig warmte en troost te rapen vallen aan de voeten van het koningspaar. Niemand wordt vrolijk van de doffe steriele verkrampte publieke optredens van het koningspaar. Het is gênant, bevreemdend en bespottelijk. Het is bovendien tijdverlies voor iedereen. Het koningshuis heeft natuurlijk een zee van tijd. Het koningshuis krijgt hopen geld, van ons. Met dat geld eten ze zalige éclairs, verdiepen ze zich in de nachtdieren van Madagaskar, schrijven ze haikugedichten over herten en wurgseks (vermoedelijk), en vervelen ze zich vooral steendood.
Onlangs viel er een kruiperig kritiekloos televisieportret van kroonprinses Elisabeth te bekijken op de VRT en wij, de niet volstrekt argeloze kijkers, moesten ontzag hebben voor Elisabeth omdat ze camouflagekleren droeg, onder prikkeldraad kroop en in de mess vriendelijk was tegen de andere kadetten. Echt? Is dat allemaal zo opzienbarend? Moeten het zogenaamd normale (het is niet normaal, want ze is onverdiend stinkend rijk) sympathieke ‘ze is net als ons’ parcours en de legerbottines van Elisabeth respect en diepe bewondering inboezemen?
Waarom?
Omdat ze evengoed in het paleis zou kunnen vegeteren, zich daar zou kunnen volproppen met Madeleinecakejes en geen klap uitvoeren, behalve masturberen met ivoren alligatoren en diepvrieskreeften, en Jules Verne lezen. Ik heb geen enkel respect voor Elisabeth de kroonprinses. Ik walg van elk wereldvreemd geprivilegieerd lid van de monarchie. Voor het ‘bastaardkind’ Delphine Boël had ik aanvankelijk veel sympathie en mededogen. Ik schreef jaren geleden een gedicht over haar waarin ik de afgrijselijke hypocriete lafhartige houding van de toenmalige koning (Albert II) aan de kaak stelde. Ik was gechoqueerd dat hij Delphine halsstarrig weigerde te erkennen als zijn kind, en dus stak ik de draak met hem.
Zijn scrotum kwam zelfs even ter sprake en mijn beste vriend Tom America had schrik dat ik aangeklaagd zou worden wegens majesteitschennis. Maar aangezien niemand (mijn) gedichten leest is niemand toen gestruikeld over de teelballen van Albert II, ze zijn door de mazen van het net geglipt. En dat is maar goed ook, want ik moet bekennen dat het gedicht (ondanks de passage over het royale scrotum) geen blasfemische hoogvlieger was. Sinds kort is majesteitsschennis niet meer strafbaar. Oef.
Ik haat het koningshuis.
Het is onbegrijpelijk dat we de decadente pracht, de geërfde macht en de dure degoutante anachronistische ledigheid van de monarchie blijven tolereren. Het kost hopen geld, het heeft geen enkele functie en niemand voelt zich meer Belg (of een betere Belg of een echtere Belg) na het aanschouwen en aanhoren van (bijvoorbeeld) koningin Mathilde die in een rusthuis in lelijk ingestudeerd Nederlands een kinderboek voorleest voor dementerende orgeldraaiers en weerspannige ex-loodgieters die daar niet om gevraagd hebben en die niet wensen geïnfantiliseerd te worden. Rusthuisbewoners verdienen beter dan een dergelijk berekend geregisseerd liefdeloos toneelstukje.
Ik had gehoopt dat Delphine Boël na haar erkenning zou spuwen in de tronie van Albert II, dat ze zou schreeuwen: ‘Ik haat je, scrupuleloze rotzak! Ik vind het afschuwelijk, onvergeeflijk en onmenselijk dat het jaren heeft geduurd vooraleer je me hebt erkend. En dat je het uiteindelijk hebt gedaan omdat het bijna onhoudbaar werd om het niet te doen, enkel om je imago te redden, insensitive cunt!!’ Maar nee: ze ging braaf op de koffie. De spanning was te snijden en Paola hield pinnig en ijzig haar sacoche vast. Een pleister, een reddingsboei. Of dacht ze dat Delphine een kleptomaan was?
Ik ben erg ontstemd en bitter teleurgesteld wanneer ik zie met hoeveel overgave Delphine Boël haar titel van prinses omarmt. En nee: ze is geen luis in de pels omdat ze een Afrikaanse print droeg tijdens het Nationaal Defilé. Het doet me meer denken aan een verwend pruilend stampvoetend kind dat zich verveelt tijdens een langgerekt Paasbanket en dan maar baldadig en misnoegd een lamskroontje door de woonkamer keilt. Maar haar deelname aan Dancing with the Stars spant de kroon: het is geen anarchie, het is een platte farce, carnaval en ze is nu werkelijk al haar geloofwaardigheid als kunstenaar kwijt.
Al moet ik bekennen dat ik nooit erg onder de indruk was van de guitige kneuterige kleurrijke decoratieve pseudonaïeve passief-agressieve would be Nikki de Saint Phalle knutselwerkjes van Delphine Boël. Knutselwerkjes die niet getuigen van een verschroeiende subversieve originele visie, of van lef en branie. Mercantiele rommel bestemd voor de immense woonkamers en luxueuze folterkelders van verwaande blaaschirurgen en Knokse parvenu’s met te veel geld en te weinig smaak. Het is allemaal vrijblijvend, haar half wrokkige half zalvende papier-maché gedrochten, en vrijblijvend is nu net wat kunst nooit zou mogen zijn.
Een kunstenaar moet de gevestigde orde beschimpen en schofferen, spotten, bijten, schuren, schuimbekken, tegen schenen schoppen en de boel op stelten zetten. Een kunstenaar moet altijd een herrieschopper, een tedere barbaar en een anarchist zijn. Een wereldvreemd instituut omarmen is het laatste wat een kunstenaar zou mogen doen.
Delphine Boël is dood, lang leve Delphine Lecompte!
Hebt u ook een brief in de pen zitten? Mail naar openvenster@humo.be of vul onderstaand formulier in: