illustratie Ratatouille v2 Beeld humo
illustratie Ratatouille v2Beeld humo

ColumnDelphine Lecompte

‘Elke dinsdag is er de razernij over mijn karikaturale seksuele exploten in Humo’

Dichteres Delphine Lecompte bericht enthousiast over drankmisbruik, baldadigheden en amoureuze perikelen.

Ik weet nog hoe stoer ik klonk toen de pandemie begon. Ik was een dichter en het kluizenaarschap een tweede natuur voor mij. Nu, dertien maanden later, voel ik mij bijna constant suïcidaal en paranoïde en woedend. Bravo aan al die mensen die hun Moldavisch bijspijkerden, bananenbroden leerden bakken, en zich verdiepten in de goudsmeedkunst van de Mixteken. Ik heb geen klap uitgevoerd, behalve het schrijven van schunnige columns en almaar grimmigere raaskalgedichten.

En dan die fucking verbondenheid waar iedereen de mond van vol had in het begin: ik heb die niet gevoeld. Mijn wantrouwen groeide en al die melige doorzichtige publiciteitsstunts van lichtzinnige vedetten (maar ook van opportunistische dichters) onder het mom van de bevolking een hart onder de riem te steken deden me kokhalzen. We zaten zogezegd allemaal in hetzelfde schuitje. Wat een onzin! De mensen met een tuin en een badkuip en slimme kranen zitten niet in mijn schuitje, de alleenstaande moeders die in een krap appartement in Schaarbeek (bijvoorbeeld) hun dreinende peuters moeten vermaken zitten in nog een ander schuitje, en bij het schuitje van de onfortuinlijke sukkelaars in vluchtelingenkampen of op palliatieve afdelingen kan ik me amper iets voorstellen. Lijden is persoonlijk, privaat, en onmogelijk uit te leggen aan onze medemens. En de meesten zijn uitsluitend geïnteresseerd in hun eigen pijn, we zijn wolven voor elkaar. Het is ieder voor zich daarbuiten. Cynisch? Nee, realistisch.

De enige lichtpuntjes waren: de niet-essentiële verplaatsingen naar de beschimmelde huurwoning van de voormalige vrachtwagenchauffeur en de lome seks aldaar, de postcoïtale episodes van ‘Killing Eve’, de geboorte van mijn liefde voor Mongoolse deathmetal (thrashmetal mag ook, ik ben geen snob), de dood van mijn indroevige gewelddadige danse macabre met de drank, en het zalige bevrijdende besef dat de literaire wereld me gestolen kan worden en dat ik perfect kan functioneren zonder het lauwe applaus van twaalf dappere senioren in het cultuurcentrum van Schoten (bijvoorbeeld). Best veel lichtpuntjes, besef ik nu. Dus als er wordt gesproken over een terugkeer naar het ‘normale’, slaat de schrik me om het hart. Iedereen denkt dat ik het vreselijk vind dat ik mijn gedichten niet mag voordragen, maar het is heerlijk. Heerlijk om me niet te moeten wassen en drie weken dezelfde kleren te mogen dragen. Maar vooral heerlijk om niet te moeten praten tegen andere dichters en doffe goedbedoelende organisatoren van oubollige poëzieavonden.

Ik spreek slechts met drie mensen: mijn moeder, de oude kruisboogschutter, en de voormalige vrachtwagenchauffeur. Met mijn moeder spreek ik vooral (ik bedoel: ik laat haar spreken) over Polanski en over haar schuldgevoelens over mijn opvoeding en over al die keren dat ik als kind na een circusvoorstelling te verlegen was om een handtekening te vragen aan de degenslikker. Tegen de oude kruisboogschutter moet ik mijn dichtkunst verdedigen (‘Nee, het is geen hobby’), mijn onwil om te strijken en beige kleren te dragen uitleggen (‘Je zult nooit een Stepford Wife van mij maken, burgerlijke klootzak!’), en elke dinsdag is er de razernij en het verdriet over de karikaturale seksuele exploten met de voormalige vrachtwagenchauffeur die ik in Humo beschrijf en die helaas erg ver van de werkelijke troosteloze almaar kortere en drogere frot- en schuuractiviteiten staan, maar de oude kruisboogschutter kwelt zichzelf door alles letterlijk te nemen. Tot slot: de voormalige vrachtwagenchauffeur, de enige die mij aan het lachen krijgt met zijn hilarische imitatie van een zuinige wereldvreemde duivenmelker uit Jabbeke die voor het eerst Brussel bezoekt en schrikt van de prijs van zijn croque-monsieur en van de brutaliteit van de gekleurde clochards en van de rare haarsnit van jonge gestrande West-Vlamingen die vreemd genoeg in hun nopjes lijken in de hoofdstad en vriendelijker zijn tegen de gekleurde clochards dan tegen de duivenmelker uit Jabbeke. En soms hebben we het over onze toekomst. Maar we weten dat we elkaar blaasjes wijsmaken en dat we nooit zullen wegraken uit onze aparte mistroostige vochtige woningen, en dat het niet tragisch is. Het is goed: we luisteren naar CCR, de voormalige vrachtwagenchauffeur drinkt zijn negende blikje bier, we analyseren de tics en smullen van de verbale flaters van de virologen en microbiologen die familieleden zijn geworden, en ik doe mijn uiterste best om de schedel van de voormalige vrachtwagenchauffeur niet in te slaan. En ’s avonds keer ik terug naar mijn eigen woning waar ik in slaap word gewiegd door de muziek van mijn blinde buurvrouw (A-ha) en de mijne (The Hu).

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234