null Beeld

ColumnTom Lanoye

‘Het merk Vooruit moet je verdienen, zeker als partij die het woord socialisme niet meer wil gebruiken’

Het Gentse kunstencentrum Vooruit heeft aangekondigd van naam te zullen veranderen nu de SP.A óók Vooruit zal gaan heten. ‘Het kunstencentrum is geen waardevrije organisatie, maar wel een partijpolitiek neutrale plek,’ klinkt het bij de organisatie van Vooruit. ‘Dezelfde naam als een politieke partij hebben is onwerkbaar.’ In september schreef Tom Lanoye onderstaand tweeluik over de geplande naamsverandering van SP.A.

TEN OORLOG OM VOORUIT – PART 1

Wie is eigenaar van de term ‘Vooruit’? En wie is dus gerechtigd om over dat bezit een proces aan te spannen tegen wie? Voor de huidige leiding van Kunstencentrum Vooruit, gelegen aan de Gentse Sint-Pietersnieuwstraat, liggen de kaarten verrassend simpel. Zeker voor een officiële culturele instelling die zweert bij verdieping, durf, experiment, nuance, kennisverwerving – zeg maar: alle vormen van kunst en cultuur. Zij voelt zich als enige het slachtoffer van een ordinaire sluikroof, blijkens een mededeling op de eigen website: ‘Wij betreuren dat de Vlaamse politieke partij SP.A haar naam wijzigt in Vooruit. Die naam is al bijna veertig jaar onlosmakelijk verbonden met ons kunstencentrum.’

Ogenschijnlijk valt daar geen juridische speld tussen te krijgen. Oog in oog met een volksjury of het Europees Octrooibureau kun je echter ook iets heel anders poneren. Het Gentse kunstencentrum maakt al bijna veertig jaar ongestoord en onbezoldigd gebruik van een wervende merknaam die bestaat sinds 1880, als strijdkreet en als instituut, en die al sinds 1913 prijkt op zowel de voor- als de zijgevel van een gebouw waarin het kunstencentrum pas in 1982 wortel heeft geschoten. Toen nog als vereniging zonder winstoogmerk (vzw). Maar wel dankzij initiatiefnemers die allemaal gepokt en gepekeld waren binnen de socialistische zuil. Of althans: wat er in die jaren nog overschoot van de nalatenschap van Edward Anseele.

Die was al bij leven en welzijn een legende, als geniale organisator tijdens het roerige eind van onze 19de eeuw. Zijn kameraden uit heel Europa kwamen bij hem en zijn Gentse geesteskind de rode mosterd halen. Een politieke partij volstond niet. Ze had nood aan coöperatieve bakkerijen, apotheken, steenkolen- en kledingzaken, brouwerijen, fanfares, Volkshuizen, feestlokalen, noem maar op. Het kroonjuweel was zelfs geen feestlokaal meer, maar een heus arbeiderspaleis, in een stijl die het midden hield tussen art nouveau en Typisch Belgische Mikmak. Het kon pronken met theater-, vergader-, concert-, sport- en filmzalen, een bibliotheek en luxueuze wc’s in faience. Alsook een ijssalon met muren vol majolicategels en ramen die uitzagen op een grand café met schappelijke prijzen, ettelijke biljarttafels en een verhoogje voor orkestjes.

Zonder Vadertje Anseele had Vooruit nooit bestaan. Wie mag zich vandaag zijn rechtmatige erfgenaam noemen, zowel moreel en politiek als artistiek? En valt het bikkelen om zijn meervoudige erfenis echt terug te voeren tot één enkel fabelachtig gebouw? Hoe behartigenswaardig en gedegen de huidige werking ervan ook is?

Rode sporen

Een coöperatieve vennootschap genaamd Vooruit beheert in heel Vlaanderen nog altijd veertig apotheken. Gemeentes als Harelbeke hebben sinds 1923 een harmonieorkest genaamd Vooruit. In de Sint-Pietersnieuwstraat bevindt zich nog een ander historisch gebouw. Thans een hip budgethotel, ooit de burelen en drukkerij van een krant die in 1894 bij haar stichting door Anseele ook al Vooruit werd genoemd. De horizontale deurgrepen bestaan uit één prachtig vormgegeven woord: ‘Vooruit’. De opstaande glaspartij in de gevel vermeldt, met typografische trots en in koeien van letters, 'Dagblad Vooruit’. In haar gloriejaren behoorden Richard Minne en Louis Paul Boon tot de redactie.

In 1982, toen de kornuiten van vzw Vooruit het vervallen arbeidspaleis goddank wisten te redden van de sloop, bestond de krant nog steeds – hoewel inmiddels amechtig en alleen nog als regionale editie van De Morgen. Maar tot 1991 kon je dus in het vernieuwde café van Vooruit je gelijknamige krantje lezen, zonder dat iemand het in zijn hoofd zou halen om de directie van het ene huis tot de orde te roepen voor de opinies of blunders van het andere. Ze waren misschien niet langer directe bloedverwanten, maar onmiskenbaar wel nog altijd lid van een familie bij wie het hart tikt waar het hoort te tikken: links.

Is al die geschiedenis vandaag overbodige ballast? Op de site van het huidige kunstencentrum staat nochtans – behalve dat genoemde persbericht en een programma om ook in tijden van corona je vingers bij af te likken – een animatiefilmpje waarin de bovenstaande historiek schitterend uit de doeken wordt gedaan. In slechts drie minuten. Maar niet zonder fierheid.

In 2013 gaf Kunstencentrum Vooruit zelfs een huldeboek uit om zijn honderdste verjaardag te vieren. In probleemloze samenwerking met het Amsab-ISG. Dat staat voor ‘Archief en Museum van de Socialistische Arbeidersbeweging-Instituut voor Sociale Geschiedenis’. Ik durf te wedden dat Anseele een iets eenvoudiger naam zou hebben gesuggereerd. Het boek zelf is echter een subliem vormgegeven baksteen. Uiteraard rood op snee en met veel foto's en teksten die, de titel getrouw, het honderdjarige bestaan vieren ‘van feestlokaal naar kunstencentrum’.

Naadloos. Maar niet spoorloos.

Mijn privédomein

Ik sta ook in dat boek. In het tweede deel dan toch. Meer dan eens, met affiches en actiefoto’s van diverse projecten. Mijn exemplaar kreeg ik cadeau van één van de programmatoren, met een opdracht die me ontroerde: ‘Jij zit in het embryo, het DNA, de stenen en de genen van Vooruit.’ Zo zijn er vast vele duizenden anderen. Maar ik voelde me toch flink aangesproken. Mijn eerste literaire solo ‘Jamboree’ mocht ik afsluiten in de Balzaal. ‘Ten oorlog’, dat ik schreef voor Luk Perceval en Blauwe Maandag Compagnie, ging in première in de Theaterzaal, waarvan de kleedkamers toen nog leken op Damascus na een raketaanval. In bijna alle zalen, krochten en kelders heb ik voorgelezen als auteur, gediscussieerd als panellid, gezwegen of gemord als bezoeker. Ik heb me na interviews laten fotograferen tot in de wc’s toe. Indien de mens verliefd kán zijn op gebouwen, onderhoud ik al jaren een vurige driehoeksrelatie met het Atomium en de Vooruit. Maar als ik er eentje moet dumpen, zal het, zijn negen ballen ten spijt, toch het Atomium zijn.

Dat heeft, vergeef het me, in de eerste plaats te maken met mijn eigen historiek. Zonder de Vooruit en mijn Gentse jaren zou ik niet zijn wie ik nu ben. En ik niet alleen. De heropening van het ten dode opgeschreven monument staat in mijn herinnering geboekstaafd als het opstarten van een culturele kerncentrale. Met veel straling en schulden, maar met weinig restafval. Een hele generatie artiesten heeft zich gulzig meester gemaakt van de nieuwe podia, niet zelden als aanloop naar een roemruchte carrière. Voor het eerst zag ik werk van Arne Sierens, Radeis, Peter Vermeersch, Alain Platel... Stop! Opsommen is zinloos.

Wel dit nog. De eerste keer dat ik Luc De Vos van het latere Gorki ontmoette, was als vrijwilliger bij het ruimen van puin. Ik beken: ik heb dat maar één keertje gedaan. In de geruststellende wetenschap dat er genoeg anderen waren. Ook dat is iets wat me altijd heeft bekoord aan Vooruit. Dat zo’n project al jarenlang wordt gedragen en gekoesterd door honderden zonder naam en faam, maar zonder wie de redding helemaal niet was gelukt.

Germinal

Een stamboomsocialist ben ik niet – boven mijn wieg hing een bordje met ‘forever kleine middenstand’. Ik ben bovendien allergisch voor ideologische stoeten en politieke betogingen, omdat marsmuziek en galmende toespraken nooit veraf zijn in die middens. En met de jaren groei ik steeds meer naar de permanente quarantaine van de verstokte eenling toe, die de schrijver kenmerkt.

Maar telkens als ik mag performen in de Theaterzaal van Vooruit, kijk ik toch met schroom en nederigheid op naar de slogan van twee woorden boven het podium. ‘Kunst veredelt.’ In het volle besef dat ik me nog altijd in een arbeiderspaleis bevind, ooit bekostigd en vaak eigenhandig mee gebouwd door arbeiders, velen van hen ongeletterd, die zich wilden ontdoen van hun doem om proletariër te moeten blijven, en die zich daartoe op alle vlakken wilden verheffen. Een woord dat vandaag de dag nog amper wordt uitgesproken zonder geproest of rollende ogen. Eigenlijk zijn zij het, die wevers en hun kompanen, die als enigen het recht zouden mogen hebben om een salomonsoordeel te vellen in het eigendomsdispuut van vandaag.

Ik begrijp het communicatieprobleem van het kunstencentrum, met voorop de ongewenste verwarring en de onwelkome kosten om ze te vermijden. Tegelijk klonk de procesdemarche mij wrang in de oren. Alsof de eigenaren van een voetbalclub genaamd Germinal een proces zouden aanspannen tegen een uitgeverij die de gelijknamige roman van Emile Zola opnieuw wil lanceren zonder eerst om hun toelating te vragen. Maar eigenlijk is dat niet eens mijn grootste ontgoocheling. In de beide tradities van Vooruit – ontstaan in 1913 en doorstart in 1982 – was er nooit schrik om politiek te discussiëren op het scherp van de snee.

Noblesse oblige! Juist vanwege wat Vooruit ooit heeft betekend, had kunstencentrum Vooruit de SP.A de wacht moeten aanzeggen in het ideologische, en niet alleen het juridische strijdperk. Zijn Conner Rousseau en co. wel vanzelf geschikt als huidige vertolkers en erfgenamen van wat Edje Anseele in gang heeft gezet? Het merk Vooruit moet je verdienen, zeker als partij die het woord socialisme niet eens meer wil gebruiken. Gezien recente uitlatingen, plannen en projecten van menige SP.A’er valt er nog meer af te dingen op de eigendomsclaim. Daar wil ik het een volgende keer over hebben.

TEN OORLOG OM VOORUIT – PART 2

Sint-Niklaas is niet alleen de hoofdstad van de heteluchtballon en het Soete Land van Waes. Het is ook een legbatterij van niets dan hyperintelligente, baanbrekende en vooral razendknappe exemplaren van de mannelijke mensensoort: Alex Callier, Freddy Willockx, ikzelve...

De nieuwste loot aan de Wase knotwilg heet Conner Rousseau. Zijn dadendrang grenst aan de zinsverbijstering. Met zijn 26 lentes liet hij zich niet alleen kronen tot prilste Belgische partijvoorzitter ooit. Uit eigen beweging koos hij ervoor om die rol zelfs te vervullen bij de SP.A van de Vlaamse socialisten. Net als alle traditionele partijen verloor dit vehikel tijdens de laatste twee decennia veel van de aanhang waar het een eeuw lang op kon rekenen. Mandaten, leden, stoeten, burgemeesters, fanfares en schwung: alles kalfde af, en bleef dat doen – anorexia nervosa politica. Op een bepaald moment dreigde de SP.A zelfs minder kiezers te tellen dan voormalige partijvoorzitters. Twee van hen heten Tobback en bleken allebei meermaals bereid om hun opvolgers die níét Tobback heetten verbaal onder een tgv te smijten, teneinde het eigen palmares met terugwerkende kracht nog ietwat op te poetsen. De oudste en felste van de twee staat niet onterecht te boek als Bompa Lawijt. Maar over ‘King Connah’ Rousseau heeft le Roi Soleil Louis zich nog niet één keer negatief uitgelaten.

Hij zou pourtant geen genade kennen mocht Rousseau een andere partij leiden. Alleen al vanwege zijn communicatiestijl en woordgebruik. Die zijn zo mieters eigentijds dat je soms lijkt te kijken naar een sketch uit ‘In de gloria’. De kameraden van weleer worden niet meer aangesproken met ‘kameraden’, maar met ‘matekes’. Wat strikt genomen op ongeveer hetzelfde neerkomt, althans na een paar glazen Duvel. Ook het aloude ‘¡No pasarán!’ – strijdkreet van La Pasionaria in de Spaanse Burgeroorlog – is definitief vertaald geraakt in hedendaags Vlaams: ‘Nie fokke me mij, gast.’

Niet alleen het taalgebruik van King Connah krijgt kritiek. Ook zijn voorliefde voor kanalen die zichzelf ‘sociale media’ noemen om hun verbrokkelende natuur te verdoezelen, werkt op de zenuwen. Zeker bij criticasters die zich niet durven te begeven op hetzelfde digitale gladde ijs. Volgens hen richt Rousseau zich in zijn wanhoop tot de allerlaatste doelgroep die de Vlaamse socialisten nog niet hadden aangeboord: niet-stemgerechtigde TikTokkers, minderjarige Ketnetters en andere Instagramverslaafden.

Dat soort media vinden de vitters en de afkammers bij voorbaat oppervlakkig, kinderachtig, leugenachtig en voor politici dus alleen geschikt als je Donald Trump heet. ‘Natuurlijk zegt Rousseau dan op persconferenties liever ‘It’s money-time’ in plaats van ‘Eindelijk tijd voor ernst’! Al dat slecht Engels bewijst het! Die jongen bestaat alleen uit modieuze vorm, en niet uit echte inhoud!’ Sneren als deze zag ik gretig herhaald door de nieuwste tegenstanders van Rousseau. Zij vinden dat hij zijn partij niet mag herdopen tot een beweging genaamd Vooruit, omdat een gerenommeerd kunstencentrum in Gent al veertig jaar lang die naam heeft mogen adopteren. Het maakte me nieuwsgierig naar het taalgebruik van dat huis.

Benchmark

Blijkens zijn site heeft Kunstencentrum Vooruit zijn officiële missie ‘vertaald in zes centrale speerpunten’. Te weten: ‘Support, experiment, connect, engage, reflect en celebrate.’ Dat klinkt alvast ambitieuzer dan ‘VTM kleurt je dag’, en het ís het in de feiten ook. Geen misverstand: ik ben fan van het huis. Maar wat is er in godsnaam fout met speerpunten die durf, steun, verbinding, inzet, feesten en reflectie mogen heten?

Let wel, zulk taalkundig snobisme kun je zeker niet alleen verwijten aan Vooruit of aan de kunstensector in zijn geheel, al zijn de voorbeelden van dans tot fashion zo talrijk dat je bijna mag gewagen van een tweede epidemie. Maar waarom heulen juist creatievelingen zo vlot mee met het hersendode managersgeleuter dat domineert in het bedrijfsleven en beleidskringen? Incentives, challenges, commitments, benchmarks, deal breakers, game changers, friends with benefits, wars on drugs en – o gruwel – maatschappelijke stakeholders... Het Frans van de belle époque is het Engels van vandaag, van Kortrijk tot Hasselt. Dat is des te verwonderlijker voor een regio die haar natievorming zegt te danken aan een taalstrijd, en wier bestuurlijke elites zich niettemin dagelijks geweld aandoen om toch maar zoveel mogelijk termen te gebruiken uit de nieuwe lingua franca – in de vergeefse hoop hun luchtledigheid nog enige portee te verlenen...

De ironie daarvan is echter voer voor andere stukken. De vraag vandaag is deze. Lok je als kunstencentrum met een missie vol hipsterjargon ook maar één vroegere, huidige of toekomstige arbeider naar je roemrijke theaterzaal of grand café? Zoals dat wél, en zelfs massaal, gebeurde van 1913 tot diep in de jaren 60? Dat is me dunkt eerder een pijnpunt dan een speerpunt. Zeker gezien de historiek van het gebouw waarmee je pronkt.

Chocomousse

Ik herhaal wat ik vorige week bepleitte: de directie van Vooruit moet zich minder op het juridische dan wel op het politieke slagveld verdedigen tegen wat ze beschouwt als een vijandige, euh, take-over. Verdient Rousseau, méér dan zij, de erfenis die Edward Anseele heeft opgebouwd sinds 1880? Diens beweging, met Gent alleen maar als navel, was ongegeneerd socialistisch en trots genoeg om dat woord open en bloot in haar rode vaan te voeren. Ze verdedigde onvervaard, zowel lokaal als internationaal, de rechten van de loonslaven en – excusez le mot – de havenots.

En dat strookt mijns inziens maar matig met King Connah, als die zich in een talkshow laat verleiden om, tussen de regels door, te beknibbelen op sommige van die rechten. Temeer als het gaat om rechten van vluchtelingen en asielzoekers. Blijkbaar kun je in het huidige Vlaanderen over hun zwakke rug al heel wat voorkeurstemmen proberen te recupereren. ‘Als iemand geen Nederlands wíl leren, dan moet hij uiteraard terug naar waar hij vandaan komt.’ Die uitspraak van Rousseau klinkt op zich al sarcastisch genoeg, omdat ze uit een mond rolt die zich nog maar voor de helft van Nederlands wil bedienen. Maar ze probeert vooral steun te oogsten op een onderliggend propagandacliché, en daardoor versterkt ze het nog. Eigenlijk zei Rousseau: ‘Jazeker, mijnheer Verhulst, er spoelen hier héél veel vreemdelingen aan die onze mooie moedertaal niet eens wíllen verwerven!’ Een echte journalist zou op zo’n moment naar cijfers vragen. ‘En waarop baseert u zich voor dat percentage, mijnheer Rousseau, tenzij uw natte vinger? Riskeert u niet om op die manier méér sociale rechten te reserveren voor talenknobbels dan voor analfabeten? En wat zou Edje Anseele daarvan hebben gevonden, in het kader van Vooruit?’

Ook andere SP.A-novieten mogen op de rooster, zoals het West-Vlaamse wonderkind Melissa Depraetere. Ze doet haar familienaam geen oneer aan, althans wat betreft het voortbrengen van klanken. Nu nog betekenis en samenhang. Eerst zei ze, in De Zondag: ‘Het cordon sanitaire tegen Vlaams Belang is de domste uitvinding ooit.’ Gevolgd door: ‘Wij gaan nooit samen met die partij besturen.’ Voor haar onderbouwing vond ze twee argumenten al voldoende: ‘Vlaams Belangers vergelijken migranten met chocomousse en vinden holebi’s met kinderen een brug te ver.’

Ligt hier geen mooie taak voor een kunstencentrum met een lange traditie van verzet en engagement? Dat bovendien tijdens WO II is bezet, bevuild, misbruikt en uitgeleefd door nazi’s en hun gewillige Vlaamse helpers? Van voorstelling over tentoonstelling, van lezing tot debat en documentaires... Breng álles in stelling om zelfs Melissa Depraetere toch een paar fundamentelere argumenten aan te reiken bij het ideologische onderscheiden van enerzijds socialisme en anderzijds de perversie ervan – het nationaalsocialisme. Tussen enerzijds echte solidariteit, en anderzijds de solidariteit met alleen maar ‘die van ons’ – het Eigen Volk.

Millimetersprint

Zo’n dispuut zou ik eerbaarder vinden dan de beschamende wedloop naar een octrooibureau, in de hoop daar de millimetersprint te winnen om zo’n illustere nalatenschap. Waarom kunnen beweging en kunstencentrum niet gewoon naast elkaar blijven bestaan? Alleen als Rousseau van plan mocht zijn om ook zelf een evenementencomplex genaamd Vooruit te beginnen, zie ik een probleem van onverenigbaarheid. En dan nog. In Deinze bestáát al een theatergroep genaamd Vooruit, al meer dan 150 jaar. In Boechout bevindt zich al tientallen jaren een theatergebouw dat Vooruit heet. Burgemeester Koen T’Sijen liet zich daarover interviewen door Gazet van Antwerpen. Helemaal objectief is hij niet, als voormalig lid van de Volksunie dat, na het uiteenvallen, koos voor de SP.A. ‘Niemand bezit dat woord,’ zei hij, schouderophalend, vóór de gevel poserend van zijn bescheiden gemeente-theater.

Wat hij wél veranderde, jaren geleden, was de naam van zijn lokale kartellijst. Niet langer de SP.A, maar Pro Boechout & Vremde. Die haalde bijna 37 procent van de stemmen. Ten koste van vooral de N-VA en zeer atypisch voor de provincie Antwerpen. Diezelfde curve, tegen de keer in... Dat is natuurlijk de echte beweging waar Rousseau van droomt. Maar moet hij daarvoor niet eerder heel links proberen te verenigen, in plaats van een doorstart te kopen voor alleen zijn eigen boetiek?

Echter, ook een kunstencentrum zou genoeg creativiteit in huis moeten hebben om, desnoods, zich succesvol te herdopen. Keuze te over! Als weerwraak en om de huidige liberale burgemeester te paaien: CC Het Blauw Fabriekske. In de hoop om van cultuurminister Jan Jambon het hele kunstenbudget cadeau te krijgen: CC De Leeuw van Vlaanderen. Op zoek naar sponsors uit het Gentse: CC Ghelamco Colosseo, of CC Volvo Smörgåsbord och Spela. Maar volgens mij volstaat, eens en voor altijd, en zonder verder misverstand: CC Dé Vooruit. Wie zou zich vergissen? Iedereen content! Zelfs in Gent!

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234