illustratie Ratatouille v2Beeld humo

ColumnDelphine Lecompte

‘Ik wilde geen junkie, noch loonslaaf worden’


Dichteres Delphine Lecompte bericht een zomer lang over drankmisbruik, baldadigheden en amoureuze perikelen.

Het is warm vandaag, ik loop rond de droge vijver van het Van Haeckeplantsoen langs vier jongeren in kleermakerszit op de houten stelling. Ik vang flarden van hun gesprek op: huizen kopen. Niet voor zichzelf of voor nooddruftige familieleden, nee: grote huizen kopen om ze dan onder te verdelen in krappe studio’s en te verhuren aan sukkelachtige tegelleggers, naïeve pistoolschilders, lichtgeraakte scheepsherstellers, melancholische baggeraars, kwetsbare touwslagers en bittere kraanmachinisten. De soundtrack bij het gesprek: Iggy Pop. Vroeger was alles niet beter, maar ik heb als zestienjarige nooit een generatiegenoot ontmoet die het over immobiliëndromen wilde hebben. Wellicht liepen ze toen al rond, die mercantiele, inhalige, gewiekste, levensgevaarlijke jongeren, maar in mijn tijd hielden ze wijselijk hun mond over dergelijke vulgaire financiële fantasieën. Ik heb geen contact meer met de zestienjarigen bij wie ik in de klas zat, het enige wat ik weet, is dat geen enkele zich als moordenaar heeft ontpopt (tot nog toe) en dat Maxime niet de nieuwe Jean­Claude Van Damme is geworden. Af en toe word ik uitgenodigd voor een klasreünie. Maar ik laat mijn beeld van de kleine, sluwe, veerkrachtige Jerry (de zelfverklaarde womanizer van de Stokersstraat) graag intact, en de guitige, rebelse, leerkrachten verleidende Nicky, die vaak naar school kwam met een indianentooi op haar hoofd, zou mijn hart breken mocht blijken dat ze een lusteloos, pafferig, nijdig radertje was geworden van de sinistere frituurmandenfabriek ten noordoosten van Sijsele (uitspraak: Siesele). Vanessa is dood. De laatste keer dat ik haar zag, was op tv, op de voorste rij tijdens een rockconcert. De muziek was slecht (‘She fucking hates me na na na na’), maar Vanessa ging uit de bol.

Delphine LecompteBeeld Humo

Een dag later werd ze op de terugweg van tent naar ouderlijk huis uit de auto van haar vrienden gekatapulteerd. Heleen en ik plaagden haar soms, noemden haar Natacha omdat dat beter bij haar paste. Heleen vond Natacha de lompste, goedkoopste naam ter wereld, en ik vond alles wat Heleen zei wijs, subversief, enigmatisch, origineel en profetisch. Heleen was wild en leek op een Roemeens zigeunerkind, opgevoed door een lynx. Ik aanbad haar. Toen we beiden 30 waren, ben ik Heleen nog eens tegengekomen. Ik kwam uit een wasserette, ze was onder de invloed van drugs en spotte met mijn lange oorbellen en opgestoken haren (mijn kokette fase). We hebben een glas wijn gedronken in een jeugdherberg. Ik wilde Heleen vooral duidelijk maken dat ik nu wél een goede muzieksmaak had (Mogwai! Bright Eyes! Arab Strap!); ik had ELO en Guns N’ Roses afgezworen (niet echt). En ik vertelde haar over de korte verhalen die ik aan het schrijven was, maar ze onderbrak me wazig en zei plagerig dat ze teleurgesteld was dat ik het nog niet had gemaakt als schrijver.

Ik had haar immers beloofd dat ik zou experimenteren met peyote en dat ik voor mijn dertigste minstens twintig blasfemische, scatologische novellen zou hebben geschreven. Maar daar zat ik dan: nog steeds in Brugge, ijdel, onbevallig, werkend in de zuivelafdeling van een grote supermarkt in Sint­Kruis om de zolderkamer te kunnen betalen die ik huurde van een logge, paranoïde zwembadopzichter die ik had leren kennen in de psychiatrie, zonder vrienden, zonder geliefde, zonder veel hoop ooit nog te kunnen ontsnappen. Het was zoals in ‘The Ballad of Lucy Jordan’, maar zeven jaar te vroeg. Die ontmoeting met Heleen was wat ik nodig had. Ik wilde noch junkie, noch loonslaaf worden. Sindsdien heb ik bijna elke dag geschreven, genadeloos rauw schurend, schimpend, mezelf genezend. Ik heb nog een tijdje gewerkt in de supermarkt, zo vreselijk was dat niet. De vrouwen die er werkten, waren zachte, moederlijke types, en de mannen deden alsof ze sleazy en roekeloos waren maar in werkelijkheid herinnerden ze me aan mijn tandartsafspraken en maakten ze me lid van de vakbond en sleurden ze me mee naar de jaarlijkse tombola. En hier zit ik nu: nog steeds in Brugge, slechts een beetje ijdel, charmant, sensueel (althans, dat maak ik mezelf wijs), in een huisje dat ik huur van een excentrieke, door cavia’s geobsedeerde notaris die de huurprijs nooit verhoogt omdat hij van mijn gedichten houdt (geen grap, geen fictie), veel vrienden, epische liefdesverhoudingen (haha). Maar toch nog steeds met de hoop binnenkort te kunnen experimenteren met peyote en de blasfemische, scatologische novellen te schrijven die ik Heleen verschuldigd ben. Die ik de zestienjarige Delphine heb horen beschrijven in geuren en kleuren. Om Neil Young te parafraseren: it’s better to stay aflame than to fade away. 

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234