ColumnDelphine Lecompte

‘Net zoals Judas niet de moordenaar van Jezus was, is Jan Jambon niet de beul van Jozef Chovanec’

Dichteres Delphine Lecompte bericht enthousiast over drankmisbruik, baldadigheden en amoureuze perikelen.

Ik kwam gisteren een prachtig gedicht van James Wright tegen: 'Saint Judas'. Een gedicht over Judas en Jezus. Een mild, slim, genuanceerd, hartverscheurend gedicht. En ik moest denken aan Jan Jambon en Jozef Chovanec. Al vermoed ik dat Jan Jambon geen zelfmoord zal plegen. Ik vrees dat zelfs het vernederende concept ontslag niet op zijn trotse radar zal verschijnen. Niettemin: net zoals Judas niet de moordenaar van Jezus was, is Jan Jambon niet de beul van Jozef Chovanec.

Ik ben zelf niet vrij van trots noch van lafheid, maar ik geloof graag dat ik nooit zal deelnemen aan de jolige slachtpartij van een angstige, verwarde man. Ik geloof graag dat ik nooit zal deelnemen aan een jolige slachtpartij. Zelfs een neonazistische bloemenverkoper mag wat mij betreft blijven leven en zelfs in mijn straat wonen, al zal ik hem niet begroeten (wie weet welke groet je dan terugkrijgt).

Het was een akelige week. De voormalige vrachtwagenchauffeur zette meermaals de bloemetjes buiten zonder mij, en ik vond het al een prestatie als ik er 's ochtends in slaagde om mijn pyjama uit te trekken en me in een jeansbroek zonder okapibloedvlekken te wurmen, en een dikke gestreepte trui zonder chocolade zeepaardresten in de naden.

Ik schreef moeizame, korzelige gedichten over de bedeesde zeepzieder. Hij bestaat echt; hij is een verrukkelijke, mysterieuze, Hollandse man op wie ik twee jaar geleden verliefd werd. Hij is van de herenliefde, maar ik dacht daar wel een stokje voor te steken. Ik dacht: als ik het ultieme, briljante, perfecte zeepziedergedicht schrijf, dan valt hij als een blok voor mij. Wat een hoogmoed! Ondertussen, na vier psychiatrische opnames en zevenhonderd deerniswekkende zeepziedergedichten, ben ik min of meer bevrijd van de zeepziederverering. Tot grote opluchting van hem en van de oude kruisboogschutter op wiens vloer ik vaak kronkelend van de wanhoop en het hartzeer te vinden was, schreeuwend: 'Geef me de zeepzieder, geef me de zeepzieder, geef me de zeepzieder!'

François Truffaut heeft een mooie film gemaakt over de waanzin die door niet-wederzijdse liefde in gang kan worden gestoken: 'L'histoire d'Adèle H.' En Morrissey heeft er heerlijke melancholische liedjes over geschreven die hij nooit zal kunnen bezoedelen met zijn enge, bange, schizofrene, antipathieke, huiveringwekkende wereldvisie. Maar ik ben dus op de valreep teruggekeerd van het rijk der krankzinnigen, al scheelde het geen haar of ik was daar gebleven. En heeft de poëzie mij geholpen? In zekere zin wel. Als dichter heb ik de zeepzieder ongestraft kunnen vernederen en folteren. Ik heb domme hoedjes op zijn hoofd gezet, hem doen struikelen over gesluikstorte wafelijzers en Sint-Blasiusbeelden, hem op het pad van een necrofiele tegellegger met een tapijtenschaar gezet, zijn aars aan naargeestige bontmagnaten en sadistische taxidermisten gegeven. Ik heb hem lelijke benepen dingen laten zeggen tegen een gehavende analfabetische jongenshoer in een Roemeense luchterwinkel, ik heb van zijn verafgode moeder een bitsige, bittere, pretentieuze, incontinente, racistische ex-ballerina gemaakt, en zelfs zijn huisdier is sympathiek noch aaibaar: een kameleon die altijd de kleur van de schoenen van John Wayne op de filmposter van 'The Man Who Shot Liberty Valance' aanneemt.

De poëzie van anderen heeft mij in het geheel niet geholpen, maar ik lees dan ook helemaal geen poëzie om geholpen of getroost (kokhalsgeluiden) te worden. Ik lees poëzie om intellectueel uitgedaagd, geprovoceerd, geprikkeld, geërgerd, gestimuleerd, kwaad of geil te worden. Als ik getroost wil worden, kruip ik onder een dekentje en kijk ik naar 'Casablanca' of 'The Maltese Falcon'. Ik weet wel dat mensen altijd naar gedichten grijpen wanneer iemand het loodje legt. Stop daarmee! Grijp naar gedichten wanneer iedereen aan het leven en het feesten is. Of nog beter: leef en feest. Zoals de voormalige vrachtwagenchauffeur die pintjes aan het drinken is bij een jeugdvriend in Oostkamp. Bel ik hem op, dan hoor ik rumoer, pret, Hound Dog Taylor en een zeker ongeduld om de hoorn zo vlug mogelijk neer te leggen. Wat mij puberaal razend maakt, uiteraard.

Waar was ik? O, ja: dichters van wie ik hou. John Berryman, Charles Bukowski, Walt Whitman, Allen Ginsberg, Anne Sexton, Sylvia Plath: allemaal Amerikanen, stuk voor stuk zalige, onstuimige stuiptrekkende, schuimbekkende, kermende, profetische zotten. Kwijlende heiligen. Fantastische dronkaards en gokkers. Kreupele sjamanen. Mislukte wereldverbeteraars (allemaal), geslaagde zelfmoordenaars (sommigen).

Ik sluit graag af met de laatste strofe van een gedicht van de formidabele dichter Donald Justice (dat klinkt veel beter dan Donald Law and Order), het gedicht heet 'Counting the Mad': 'This one thought himself a bird, / This one a dog, / And this one thought himself a man, / An ordinary man, / And cried and cried No No No No / All day long.'

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234