Jef GeeraertsBeeld BELGAIMAGE

OpinieTom Lanoye

Tom Lanoye: Waarom ‘Gangreen’ van Jef Geeraerts wél in de literaire canon thuishoort

Gisteren werd in Gent de nieuwe literaire canon van Vlaanderen voorgesteld. Opvallendste verandering: de verwijdering van Jef Geeraerts, de schrijver die na zijn overlijden in 2015 nog aan de lijst werd toegevoegd. Nu oordeelt de commissie dat Geeraerts’ visie op de kolonie en op de vrouw in de autobiografische reeks ‘Gangreen’ misselijkmakend is. Tom Lanoye sprak, na het overlijden van de auteur, juist de hoop uit dat Geeraerts aan de literaire canon zou worden toegevoegd. Lees het stuk hieronder terug.

We schrijven 1967 — het Jaar van het Schaap en de Zesdaagse Oorlog, het jaar dat de Nederlandse hippie Armand ‘Ben ik te min?’ begon te zingen en dat de Franstalige Vlaming Jacques Brel voorgoed stopte met zingen — toen Jef Geeraerts als auteur doorbrak met de knal van een uitbarstende vulkaan, dankzij Gangreen 1 / Black Venus, een boek met zinnen die twintig bladzijden konden duren, een roman die slechts het eerste deel zou vormen van een cyclus naar het voorbeeld van Geeraerts’ grote mosterdmaker, te weten: Henry ‘Tropic of Cancer’ Miller, die daarvoor ook al de voorvader was geweest van Jack Kerouac én de beatniks, en die in 1930 in een brief aan een kennis een credo had neergepend dat evengoed het motto had kunnen vormen van álle vroege romans van Geeraerts: ‘I start writing tomorrow — first person, uncensored, formless, fuck everything’; maar genoeg tijdskaders en tuttige couleur locale, laat ik hier en nu, kort na de dood van de auteur die in Vlaanderen decennialang te boek zou blijven staan als ‘Vuile Jef’, een handvol pertinente vragen stellen zoals ze, indachtig de geest en de stijl van zijn Black Venus, gesteld díenen te worden, dat wil zeggen op de man af, in lawinevorm en schijnbaar zonder ooit op een eindpunt af te stevenen: vallen deze roman en zijn opvolger Gangreen 2 / De goede moordenaar inderdaad, zoals velen zeggen, te betrappen op racisme, geweldsverheerlijking, platte pornografie, bedenkelijke Afrika-kitsch, malle koloniale nostalgie?… op lachwekkend machismo, ontroerende liefdesuitingen vol tederheid, orgiastisch beschreven waanzinsnachten, koortsachtige zelfdestructie?... op puntgaaf toegepaste technieken van New Journalism en op verbluffend poëtische beschrijvingen van mens en tropisch landschap?... op snobistisch gepoch met vuurwapens, luxeproducten en snelle auto’s in het hartje van de brousse?... op losse handjes, tot bloedens toe, jegens volwassen vrouwen, en op diepgaand seksueel verkeer met minderjarige meisjes, de jongste van hen amper tien?… op snoeverig drankmisbruik, koket hasjiesjgebruik, mateloze zelfverheerlijking, mateloze zelftwijfel, zielig zelf-medelijden, beklemmend zelfinzicht?… op mishandeling van ondergeschikten en willekeurige Congolese burgers, vooropgesteld dat ze zwart zijn, ‘neger’ worden genoemd en een grote bek durven op te zetten tegen al wie níet zwart is?... op gratuite mishandeling van verdachten, uitgevoerd in de functie van politierechter en assistent-gewestbeheerder?... op het bagatelliseren van het moorddadige en uitbuitende karakter van een koloniaal bestel, ongeacht de eigen rol erin?... op het fel aanklagen van datzelfde bestel, alsook de hypocriete rol erin van nonnen, zwartrokken en zichzelf?... op het verduisteren van overheidsgeld, het plegen van overspel, het verbaal misbruiken van de wettige echtgenote, het verwaarlozen van de eigen kinderen en het niet afkeurend beschrijven van militaire strafexpedities die tot over de rand van ‘oorlogsmisdaad’ gaan?...alsook, en niet eens tot slot, op het onverdoofd slachten van exemplaren van enkele inmiddels bedreigde diersoorten, in toentertijd al strafbare jachtexpedities?...

Reken maar van yes.

Zo luidt het antwoord op alle bovenstaande vragen. Ze maken in hun woeste tegenstrijdigheid, en samen met een weergaloos pulserende schrijfstijl, de kern en kracht uit van twee boeken die behoren tot het beste, meest confronterende en meest relevante wat ooit in onze letteren en ver daarbuiten is verschenen.

Maar daarmee is de kous niet af. Kinderachtige en opgeklopte mythes omtrent Geeraerts’ beginjaren belemmeren het zicht op zijn genie. Het achterplat van mijn pocketeditie (Manteau, 1993) zegt wat opnieuw klakkeloos zou opduiken in alle in memoriams voor Jef: ‘Black Venus werd door de rechterlijke macht in beslag genomen en weer vrijgegeven.’ Je ziet dan voor je geestesoog de vrachtwagens al wegdenderen, beladen met duizenden gewraakte exemplaren. Je ziet zwetende en om zich heen spiedende boekhandelaren die hun achtergehouden smokkelvoorraadje onder de toonbank offreren aan kapitaalkrachtige ingewijden. De feiten zijn helaas prozaïscher. Ik ken ze dankzij het weblog van Jan Lampo, de zoon van Hubert.

Na een klacht tegen onder meer ‘het bekende voorlichtingsboek Variaties van Oswalt Kolle’ gaat de politie langs bij de beroemde Brusselse boekhandel Corman. Misschien waren de agenten alleen uit op wat onderhoudend leesvoer om de tijd te doden tijdens het schaduwen van Brusselse vastgoedcriminelen. Ze namen hoe dan ook ‘voor nazicht en onderzoek’ slechts één (1) exemplaar mee van zowel de voornoemde Variaties als van Ik, Jan Cremer, van zowel Kama soetra als The Life and Adventures of Miss Fanny Hill (een pornoboek uit 1748), en tot slot ook één exemplaar van Gangreen 1 / Black Venus, dat een paar weken daarvoor nog was bekroond met de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Proza.

Deze zogenaamde inval leidde tot vermakelijk gekibbel in het Belgische parlement, inclusief een onbedoeld smakelijke tirade tegen álle zedenverwildering — ‘gevaarlijker dan de oorlog in Vietnam’. Zo luidde de haast dagelijkse uitval van de toenmalige minister van Justitie, de socialistische moraaljockey Alfons Vranckx, die zich eerder ook al tegen Het rode boekje voor scholieren had gekant. (‘Zedenbedervend en subversief.’) Verdere actie bleef echter uit. De vijf meegenomen boeken werden geretourneerd, al dan niet beduimeld en vlekvrij.

Het gemak waarmee desondanks de mythe rond ‘de confiscatie van een prijsboek’ ingang vond zegt veel over een tijdperk waarin de seksuele revolutie eindelijk losbarstte en waarin — laat daar geen misverstand over bestaan — wel degelijk inbeslagnames, invoerverboden en vervolgingen plaatsgrepen. Je kon als auteur of regisseur al veroordeeld worden als je drie lelijke blote mannen ten tonele voerde onder de slogan ‘Ziehier De Heilige Drievuldigheid’. Tegenwoordig word je afgeslacht als je een voorstelling maakt zonder lelijk naakt of blasfemie.

Noopt dat tot nostalgie? Tot prettig terugverlangen naar vervolging? Reken maar van noppes. Ik gun het uitgevers en rechthebbenden inmiddels van harte dat ze nu nog altijd hun brood kunnen verdienen met wat moedwillige hysterie, verpakt als blurb op een achterplat. Maar de overdreven focus op alleen maar de seks, alsook het aanhoudende gegniffel om wat niet eens een echte censuurrel was, dreigen de betekenis te verlullebroeken van het meesterwerk dat Black Venus heet.

Dat is pas echt een crime.

Valt er, in deze tijden van alomtegenwoordige internetporno, sowieso nog eer te behalen met pikante anekdotes? Ik dacht het niet. Toch tapte zelfs de pientere, altijd aimabele Adriaan van Dis uit dat vaatje in de krant De Morgen, kort na Geeraerts’ overlijden. ‘Mijn exemplaar van Black Venus valt nog steeds open op de pagina’s waarbij ik me aftrok. Een waanzinnige indruk liet het na.’

Zijn ontboezeming zal ook aan de vraagstelling hebben gelegen. Het overzichtsartikel, geschreven door de nochtans onvolprezen Rik Van Puymbroeck, handelde opnieuw méér over de geslachtelijke bevrijding van de algehele Nederlanden dan over de diepgang en veelzijdigheid van Geeraerts’ oeuvre. Andere smeuïge tappers van dienst: André Van Halewyck, Julien Weverbergh, Walter van den Broeck, Walter Soethoudt. Allemaal bejaard, allemaal mannelijk en wit van vel, en allemaal herinneringen ophalend aan die heerlijk steelse uren, lang geleden, met in de linkerhand een boek en in de rechter hun nog ongerimpelde fluit.

Ik had liever gelezen wat Vincent Kompany, de Belgisch-Congolese kapitein van onze Rode Duivels, vindt van Black Venus. Of nee: wat zijn vrouw Carla Higgs ervan vindt, fysiek a black venus in her own right en verbaal niet op haar mond gevallen. (‘I am loud and in your face.’) Of nee: Chika Unigwe. Nigeriaanse van geboorte, doctor in de literatuurwetenschap, voormalig christendemocratisch gemeenteraadslid in Turnhout, thans woonachtig in the States. Auteur van De zwarte messias en winnaar van de Wole Soyinka Prize, een van Afrika’s belangrijkste literaire onderscheidingen, nog wel voor On Black Sisters’ Street. Een roman die alle kenmerken draagt van New Journalism en nota bene handelt over Nigeriaanse hoeren die werken in de buurt rond de Antwerpse Zwartzustersstraat.

Ik miste inzichten en oprispingen van zowat al onze intellectuelen die jong en/of vrouwelijk en/of gekleurd zijn. Sterke persoonlijkheden met roots die niet allemáál vastgebakken zitten in de Vlaamse klei. Olivia Rutazibwa, Rachida Lamrabet, Nadia Fadil, Danira Boukhriss Terkessidis, Martha Canga Antonio, Youssef Kobo, Bilal Benyaich, Bleri Lleshi, Fikry El AzzouziBambi Ceuppens was de uitzondering. Ze is doctor in de antropologie en is verbonden aan het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren. Zij wijdde in De Standaard een pittig artikel aan Geeraerts. ‘Hij schreef beter dan andere koloniale schrijvers, maar was even racistisch. Zijn voorkeur voor “natuurmensen” en zijn afkeer voor “evolués” typeren dat. De Gangreen-cyclus was een ideologische constructie om het kolonialisme te rechtvaardigen.’

In veel van Ceuppens’ argumenten kon ik me vinden, zonder mijn bewondering voor het werk van Geeraerts te verliezen. Is dat laf? Is dat cryptokoloniaal? En is mijn oordeel nog wel relevant? Ik had dat graag kunnen toetsen, voor zover de hierboven genoemden het eerst volledig met elkaar eens zouden raken, wat ik niet verwacht. Maar waar waren ze, op Ceuppens na? Wie vroeg hun kijk op twee Vlaamse boeken die zich niet afspelen in Europa en waarin de meeste personages gekleurd, jong en/of vrouwelijk en niet-Europees zijn?

Die reflex is er gewoon niet. Congo mag dan in naam onafhankelijk zijn sinds 1960, en heel Afrika mag zich hebben losgewerkt van het Versleten Continent — de Vlaamse literatuur, haar kritiek voorop, lijkt nog altijd op een zichzelf in stand houdend reservaat. Een nostalgische schutkring van rukkende oude mannen. Al te blind voor de wereld van vandaag, door het verschoten zaad in onze ogen.

En dat zaad blijft al te vanzelfsprekend vlokkig wit.

Laten we niettemin nog een poos verwijlen bij wat oude Europese mannetjesputters. Turks fruit, de schandaalroman van Jan Wolkers, verscheen twee jaar na Black Venus. Ik, Jan Cremer verscheen al in 1965. Aan beide werken werd haast routineus gerefereerd na de dood van Geeraerts. Het spijt me zeer, maar ze kunnen alleen al qua stijl niet tippen aan Black Venus. En wat hebben ze inhoudelijk gemeen, behalve — alweer — een voor die dagen vrijmoedige lustbeleving?

Cremer en Wolkers schreven lekker rebelse boeken vanuit het oogpunt van een eeuwig jonge snaak, die artistiek begaafd, maar toch ook koppig volks is gebleven. Hij is aantrekkelijk maar weerbarstig, charmant maar bruut. Ciske de Rat in spijkerbroek. En indien dat Stijfkopje íets correctiefs verdient, af en toe, dan is het een pak slaag vanwege zijn uit de hand gelopen branie. Verder blijft hij in se een herkenbare jongen van stavast, met een gouden hart, een onvermoeibare pik en schilderijen die nauwelijks zouden verkopen indien hij niet via de letteren naam had gemaakt.

De ik-figuur van Gangreen is een getrouwde man die het puberdom allang heeft ingeruild voor de algehele verrotting van zijn ziel. Daardoor is hij niet de spiegel van een toekomst, hij is de drager van een vergaan tijdvak. De gelukkige slaaf van een koloniaal en stervend bestel dat hem privileges gunt die hij tegelijk haat en doodnormaal vindt. Werd híj buiten deze romancontext betrapt? Hij kreeg geen pak slaag, maar een langdurige celstraf. Hij is de bad lieutenant uit de film van Abel Ferrara, maar dan gesitueerd in het Congo van vlak voor de uitbarsting van de onafhankelijkheid, met zijn vreugdetaferelen, politieke moorden, stammenconflicten, manipulaties, uitroeiingen, verkrachtingen, represailles, zijn ziektes, zijn buitenlandse bemoeienis. Het is meer dan Bad Lieutenant. Het is Heart of Darkness van Joseph Conrad, revisited zeventig jaar na dato.

Conrad baseerde zijn novelle op eigen ervaringen in Congo-Vrijstaat rond 1890, in dienst van een nietsontziende Belgische handelsmaatschappij. Verteller Charles Marlow, volgens de meeste critici de jonge Conrad zelf, gaat in een buitenpost op zoek naar de dood gewaande mister Kurtz, een ooit gerespecteerde agent die jarenlang het meeste ivoor leverde en die tevens belast was met het schrijven van een rapport over ‘de onderdrukking van barbaarse gebruiken’. Als Marlow Kurtz tegen alle verwachtingen in toch aantreft, blijkt die op sterven na dood. Een ademend karkas, fysiek en geestelijk rot. Ondanks zijn jarenlange moorddadige schrikbewind — met inbegrip van afgehakte, ontbindende hoofden op staken — wordt hij verafgood door de lokale bevolking.

Ook deze Kurtz zou trouwens gebaseerd zijn op een bestaand persoon, al zijn de meningen hierover verdeeld. Het kan gaan om Léon Rom, ‘een Belgisch koloniaal soldaat, ornitholoog en tuinarchitect’, die het in dienst van Leopold II zou schoppen tot districtshoofd van Matadi. Wikipedia meldt sec dat ‘zijn bloemperken menselijke schedels hadden als omlijning’. Het kan ook gaan om de Britse legerofficier Edmund Musgrave Barttelot, die de achterhoede leidde tijdens een beruchte expeditie van journalist en ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley. (‘Barttelot went mad, began hitting, whipping and killing people, and was finally murdered himself.’)

In het boek voert Marlow mister Kurtz uit de nederzetting weg, tegen diens wil en per boot, onder salvo’s van achterblijvende aanbidders en onder de jammerklachten van één prachtige inheemse vrouw, die vanaf de oever haar armen uitstrekt als naar een verdwijnende geliefde. Tijdens de terugtocht op de machtige Congorivier sterft Kurtz. Zijn laatste woorden, gepreveld in het oor van de inmiddels ook doodzieke Marlow, zijn wereldberoemd geworden. Mede dankzij een filmbewerking uit 1979, Apocalypse Now, gesitueerd tijdens de Vietnamoorlog. Marlon Brando geeft daarin gestalte aan een gedeserteerde Amerikaanse kolonel, Walter Kurtz, die zich in Cambodja als een moordlustige halfgod laat aanbidden door zijn ‘Montagnard troops’ — een bergstam annex privéleger. Ook hij prevelt het, vlak voor hij sterft: ‘The horror! The horror…’

Gangreen van Geeraerts is geen adaptatie van Heart of Darkness. Het is een variatie. Dit keer huizen verteller Marlow en de dolgedraaide mister Kurtz in één en dezelfde zieke, overmoedige, waanzinnig pompende borst. En deze Marlow/Kurtz is niet op vrijersvoeten op de Amsterdamse Wallen of in artistieke coterieën. Hij is in overheidsdienst in een ver en complex continent, in een uitgestrekt land zonder al te veel communicatie. Daar maakt hij vaak schaamteloos en soms schuldbewust misbruik van, op elk gebied, en er is nie-mand die hem stopt. Zijn meisjes zijn niet afkomstig uit de betere middenklasse en ze sterven niet aan een hersentumor zoals Olga in Turks fruit. Ze zijn weliswaar even bloedmooi, maar voor de rest straatarm en uitgebuit en manipulatief en weergaloos veeleisend en onherstelbaar bijgelovig. Ze laten zich geregeld afranselen zonder weg te lopen en ze worden gebeten door mamba’s. Of nee, ze sterven in de afwezigheid van hun minnaar terwijl ze een buitenechtelijk kind baren dat — misschien, misschien ook niet — verwekt is door hem. Een rijke, scrupuleloze Dr. Jekyll/Mr. Hyde uit een minuscuul ver land.

Deze ik-figuur is vitalistisch en morbide tegelijk, hoogopgeleid maar hanig als een bokser, onveranderlijk superieur en ingebeeld primitief. Hij kotst geen burgermanstafels onder bij de bekrompen ouders van zijn lief, hij laat zich integendeel door de vader van zijn nieuwste concubine in de watten leggen op een manier die hij bij zichzelf nog als een lokale traditie kan verkopen — ‘hier zijn mannen tenminste nog echte mannen!’ — maar die niettemin teert op corruptie en ontering. Dit alles naar het bon mot van Oscar Wilde. ‘Everything in the world is about sex except sex. Sex is about power.’ Als je dat genoeg bij jezelf herhaalt, vormt het op den duur geen analyse meer, maar een aansporing. Een bedwelmende rechtvaardiging, in plaats van een aanklacht.

Gangreen is dan ook wat zijn titel zegt te zijn. De drift erin heeft niets te maken met joie de vivre of maatschappelijke bevrijding. Ze is lust vermomd als gele koorts in het laatste stadium, vomito negro, zwarte kots, geladen met woede en wanhoop, schuld en overmoed, onlesbare begeerte en dito walg. En ze is zoveel groter dan die van slechts één enkele assistent-gewestbeheerder. Ze is ‘van ons allemaal’. Niet eens de Belgman, maar de Belgman als metafoor voor de westerling tout court.

Zonder dat grotere kader van kolonialisme en continentale krachten gaat de epische stijl van Geeraerts trouwens loeien en irriteren. Deel 3, Het teken van de hond, over zijn beklemmende jeugd, lijdt daar al onder. Deel 4, Het zevende zegel, over zijn stukgelopen huwelijk, is een dusdanig gênante afknapper dat ik iedereen afraad het te lezen. De arena is te beperkt, de betekenis te eenduidig, het doelwit te weerloos, het lijden van de hoofdpersoon ongeloofwaardig en pompeus.

Het laatste interview met Geeraerts, dat een paar weken voor zijn dood verscheen in het weekblad Humo, was ijzingwekkend vanwege zijn eenzaamheid, meelijwekkend door zijn verwardheid, bloedstollend door zijn flegma oog in oog met de dood. Toch was ik blij dat Jef, die ik jaren daarvoor had leren kennen als een erudiete, attente, bijna lieve man — in nagenoeg alles het tegendeel van zijn romaneske alter ego — eindelijk wat gas terugnam over zijn uitlatingen in eerdere interviews, onder andere aangaande zijn laatste Congo-bezoek.

Hij werd daar trouwens door velen herkend en hartelijk begroet, tot zijn zichtbare voldoening. Mét de vreugde kwamen ook oude reflexen en gedachten boven. Zonder ironie: ‘Negers werken alleen als je ze van de zweep geeft.’ Aanbevelingen van die strekking. Het internet refereert aan nog andere herinneringen, onder andere over een medewerker die ‘de kunst van het geselen’ had geperfectioneerd. (‘Bij elke zweepslag liet het vlees eronder los, met meer pijn voor gevolg.’) Die uitspraken zelf heb ik niet teruggevonden, maar eerlijkheidshalve: ze zouden me niet verwonderen. Ik heb het al vaker meegemaakt, in gesprekken met oud-kolonialen op Afrikaanse bodem. Eerst: machistisch brallen en provoceren, op het voortoneel van een society dinner, vaak met een goed glas whisky op. ’s Anderdaags, en petit comité: de ge-fluisterde bekentenis dat men zich ook wel een beetje schaamt voor de uitlatingen van een dag ervoor.

Geeraerts hield van provoceren en prikken en pronken, zelfs zonder een glas whisky op. Maar wie uiteindelijk de echte Jef was? Dat wist hij zelf niet altijd, vrees ik. We gaan er ook iets te gemakkelijk van uit dat alleen slachtoffers van onderdrukking trauma’s oplopen. Hoe cru en beledigend het moge klinken: wie de zweep hanteert, littekent soms ook de eigen ziel. Niet alle botte uitspraken getuigen van bravoure alleen. Ontkenning en schuldbesef zijn intens met elkaar verweven, en men kan proberen ze te verdrijven door ze allebei luidkeels te bespotten.

Is dat wat er aan de hand was bij Jef? Ik steek er mijn hand niet voor in het vuur. Elk individu is een complex mozaïek van tegenstrijdigheden. Als de Gangreens van iets getuigen? Dan is het wel daarvan. Tegelijk tonen ze ons pijnlijk scherp een tijdperk en een arena waarin de Belgische staatskarwats nog routineus Congolese ruggen openreet onder het mom van beschavingsplicht en ordehandhaving. Uiteraard zullen vele beheerders en missionarissen ook het beste hebben voorgehad met de lokale bevolking — maar hoe speel je die rol in een voor de rest onderdrukkend systeem?

Ook van die onvermijdelijke morele tweespalt krijg je een impressie dankzij deze twee meesterwerken, waarin Geeraerts zichzelf ensceneerde, ongetwijfeld larger than life, maar ook niet erg ver bezijden de waarheid. Dat veel kolonialen van zijn generatie altijd zo heftig en aanhoudend hebben geprotesteerd tegen dat getoonde beeld, en dat ze die bijtende tekening altijd zo eenzijdig in de schoenen zijn blijven schuiven van ‘Vuile Jef’, en van hem alleen? Het doet denken aan de jarenlange beschimping van Multatuli na diens Max Havelaar. Ook daarvan werd het waarheidsgehalte door tijdgenoten heftig betwist.

Honderdvijftig jaar later weten we beter. Multatuli was nog mild.

Mijn hoop is dat de Gangreens niet alleen terechtkomen in literaire canons en cursussen. Het beste eerbewijs zou zijn dat ze, in aanwezigheid van onze koninklijke familie en de internationale pers, integraal werden voorgelezen bij de heropening in 2017 van het Afrikamuseum — ons vroegere ‘koloniale museum’ in Tervuren. We zouden daar zelfs een jaarlijkse traditie van moeten maken. Ik bied me bij dezen met plezier aan als terugkerende deelnemer. Iedere zomer weer: een integrale lezing van de eerste twee Gangreens. Voorafgegaan door de paternalistische toespraak die koning Boudewijn hield op de Congolese onafhankelijkheidsdag in 1960. En afgerond met de snijdende antwoordspeech van premier Patrice Lumumba, die hij zou bekopen met een gruwelijke folterdood, niet lang daarna.

Gewoon: een paar teksten na elkaar.

Voor de goede verstaander en zonder verder commentaar.

Uncensored. Formless.

Fuck everything.

(zoals opgenomen in Revue Lanoye. Filippica - polemische replieken, verschenen bij Prometheus, Amsterdam, 2016)

Meer over

Reageren op een artikel, uw mening ventileren of een verhelderend inzicht delen met de wereld

Ga naar Open Venster

Op alle artikelen, foto's en video's op humo.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar redactie@humo.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234